Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1564

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-09-2002
Datum publicatie
10-12-2002
Zaaknummer
AWB 02/2758 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Discrepantie tussen opgegeven adresgegevens en in GBA vermelde gegevens kan er niet toe leiden dat de aanvraag om bijstandsuitkering buiten behandeling wordt gesteld.

Verzoeksters aanvraag om Abw-uitkering is buiten behandeling gesteld. Verzoek om voorlopige voorziening nu zij niet in haar noodzakelijke kosten kan voorzien.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, indien het bestuursorgaan over voldoende gegevens beschikt om het recht op bijstand van de aanvrager te beoordelen, het enkele feit dat er een discrepantie bestaat tussen de opgegeven adresgegevens en de in de GBA vermelde gegevens er niet toe kan leiden dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld. In een dergelijke situatie zal vastgesteld dienen te worden of de aanvrager recht op bijstand heeft en zal bij een bevestigend antwoord op deze vraag vervolgens beoordeeld dienen te worden of er aanleiding bestaat dit recht ingevolge art. 69a Abw op te schorten. Dat op deze wijze uitvoering dient te worden gegeven aan art. 69a Abw blijkt ook uit het feit dat in het eerste lid van deze bepaling van het opschorten van het recht op bijstand wordt gesproken.

In casu heeft verweerster met het bestreden besluit aan art. 69a Abw een onjuiste toepassing gegeven.

Commissie Sociale Zekerheid van Den Haag, verweerster.

mr. J.W.H.B. Sentrop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2002, 190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 02/2758 ABW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

A, wonende te B, verzoekster,

ten aanzien van het besluit van 15 juli 2002 van de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster, waarbij verzoeksters aanvraag voor een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw)ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan buiten behandeling is gesteld.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Bij besluit van 15 juli 2002 heeft verweerster aan verzoekster meegedeeld dat haar aanvraag van 23 mei 2002 voor een uitkering ingevolge de Abw ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan buiten behandeling is gesteld. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 19 juli 2002 bezwaar gemaakt. Bij verzoekschrift van diezelfde datum heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Ter ondersteuning van dit verzoek heeft verzoekster gesteld dat zij al sinds november 2001 geen inkomsten heeft ontvangen. Wel heeft de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (DSZW) haar een bedrag van in totaal € 400,- aan voorschotten uitbetaald. Verzoekster heeft een schoolgaand kind, kan nu zelf geen boodschappen meer kopen, heeft nu niets meer en kan niet in haar noodzakelijke kosten voorzien.

Het verzoek is op 26 augustus 2002 ter zitting behandeld. Verzoekster is in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I.E. Rhuggenaath.

Uit de gedingstukken blijkt het volgende. Na het beëindigen van haar werk via een uitzendbureau heeft verzoekster zich op 28 november 2001 bij de DZSW gemeld. Nadat verzoekster had vernomen dat zij geen recht heeft op een werkloosheidsuitkering, heeft zij op 23 mei 2002 een aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend. Op het aanvraagformulier gaf verzoekster aan dat zij sinds september 2001 na beëindiging van haar relatie is verhuisd naar het adres [...] te B, maar in verband met de procedure rond toekenning van de huurwoning op het adres [...] te Z op advies van haar advocaat nog steeds op laatstgenoemd adres is ingeschreven. Bij brief van 4 juni 2002 is verzoekster verzocht de aanvraag met nadere gegevens aan te vullen. Verzoekster diende onder andere een bewijs van inschrijving op het adres [...] te overleggen. Naar aanleiding van een gesprek met verzoekster op 13 juni 2002 is haar onder andere gevraagd een kopie van een schrijven van de gemeente Z te overleggen waaruit blijkt dat zij zich aldaar moest inschrijven. Bij brief van 21 juni 2002 deelde verzoekster echter mee dat zij de gevraagde brief helaas niet kan vinden, omdat deze is zoekgeraakt of in de woning aan de [...] is achtergebleven. Bij brief van 1 juli 2002 is verzoekster verzocht om binnen tien dagen onder andere het bewijs van inschrijving op het adres [...] te overleggen. Hierop is niet gereageerd. Na intern beraad heeft de DSZW bij de woningverhuurder, Kamerbeek Vastgoedmanagement B.V., geïnformeerd of voor behoud van het huurrecht van de woning te Z het gedurende de toewijzingsprocedure van belang is om de inschrijving op dat adres te handhaven. Aan de DSZW werd meegedeeld dat handhaving van de inschrijving op het oude adres in dit verband niet van belang is. Naar aanleiding hiervan heeft verweerster het besluit van 15 juli 2002 genomen.

Verzoekster stelt dat de reden om zich niet op het adres [...] in te schrijven al ten tijde van het intakegesprek bij verweerster bekend was en voor verweerster aanleiding had moeten vormen om, rekening houdend met de omstandigheden van het individuele geval, een uitkering aan haar toe te kennen. Verzoekster geeft aan dat zij zich als gevolg van een ruzie met haar ex-partner op 5 september 2001 genoodzaakt zag de gezamenlijke woning op het adres [...] te Z te ontvluchten en naar B te verhuizen. Omdat verzoekster medehuurder was van de genoemde woning te Z, startte zij een procedure om deze woning toegewezen te krijgen. In verband met deze procedure handhaafde zij op advies van haar advocaat haar inschrijving op dat adres, ondanks het feit dat zij inmiddels tijdelijk onderdak had gevonden op het adres [...]. Na tien maanden procederen werd de woning aan de [...] aan verzoekster toegewezen. Haar ex-partner heeft hierop een kort geding aangespannen, waardoor zij de woning nog niet kan betrekken.

Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

In artikel 4:5, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

In artikel 69a van de Abw is het volgende bepaald:

1. Indien bij de beoordeling van het recht op bijstand blijkt, dat het door een belanghebbende verstrekte adres van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, schorten burgemeester en wethouders het recht op bijstand op.

2. Geen opschorting vindt plaats:

a. indien de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte van de bijstand;

b. indien de belanghebbende van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt;

c. indien daarvoor naar het oordeel van burgemeester en wethouders dringende redenen aanwezig zijn.

3. Burgemeester en wethouders doen schriftelijk mededeling van de opschorting aan de belanghebbende, en stellen hem daarbij in de gelegenheid de in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen adresgegevens te doen aanpassen binnen een door burgemeester en wethouders te stellen termijn.

4. De opschorting wordt beëindigd zodra het aan burgemeester en wethouders gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat. Indien de afwijking ook na de krachtens het derde lid gestelde termijn nog bestaat, herzien burgemeester en wethouders het besluit tot toekenning van de bijstand, of trekken zij dit in, met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Bovenstaand artikel is in de Algemene bijstandswet ingevoegd bij wet van

13 december 2000, houdende wijziging van enige wetten teneinde de aanspraak jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (verder: GBA) opgenomen gegeven omtrent het adres van een ingezetene (Staatsblad 2001, 67). Hoofdstuk I van deze wet, waarin artikel 69a van de Abw is opgenomen, is op 1 juli 2001 in werking getreden (Staatsblad 2001, 317). Blijkens de Memorie van Toelichting hebben de wijzigingen die door middel van deze wet zijn ingevoerd ten doel de betrouwbaarheid te verhogen van gegevens die op basis van de eigen aangifte van de burger worden opgenomen. Daarbij gaat het met name om adresgegevens. Door de burger een belang te geven bij de juistheid van deze gegevens door bepaalde overheidsprestaties afhankelijk te maken van een juiste inschrijving in de GBA, wordt de betrouwbaarheid van deze gegevens in de GBA verhoogd en wordt fraude met overheidsvoorzieningen tegengegaan. (TK 1999-2000, 26 943, nr. 3).

In de regeringsnota naar aanleiding van het verslag van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (TK 1999-2000, 26 943, nr. 5, blz. 13-14) is naar aanleiding van vragen van de fractieleden van D66 de volgende toelichting gegeven:

"Voor het uitkeringsorgaan, dat in het kader van de behandeling van een uitkeringsaanvraag stuit op een discrepantie van de door de aanvrager opgegeven adresgegevens en de in de GBA vermelde gegevens, staan in beginsel twee wegen open.

Indien de door de aanvrager verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, en de aanvrager, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, de gegevens niet aanvult, kan, overeenkomstig artikel 4:5 Awb, worden besloten de aanvraag buiten behandeling te stellen. Dit besluit dient aan de aanvrager te worden bekend gemaakt, en hiertegen bestaan beroepsmogelijkheden.

Indien door de aanvrager verstrekte gegevens in beginsel wel voldoende zijn, doch enkel een discrepantie met de GBA-gegevens wordt geconstateerd (b.v. bij het innemen van de aanvraag blijkt, dat de aanvrager vergeten is een verhuizing door te geven aan de GBA) dient de behandeling van de aanvraag normaal te worden voortgezet, uitlopende op een beslissing tot toekenning of weigering van de gevraagde uitkering. Mede gelet op artikel 4:8, eerste lid, van de Awb ligt het in de rede dat het uitkeringsorgaan de aanvrager zal waarschuwen dat hij tot aanpassing van de GBA-gegevens zal moeten overgaan om problemen bij de uitbetaling te voorkomen. Aan te nemen valt dat dit ertoe zal leiden dat de aanvrager hier zo snel mogelijk zorg voor zal dragen. Ingeval op het moment van toekenning evenwel mocht worden geconstateerd dat de aanvrager de in de GBA vermelde gegevens nog steeds niet heeft aangepast aan de door hem bij de aanvraag opgegeven, meer actuele gegevens, zal de toekenning tevens gepaard moeten gaan met een opschorting van het recht op uitkering, c.q. de betaling ervan, zolang de correctie in de GBA niet is doorgevoerd. Overeenkomstig het wetsontwerp dient deze opschortingsbeslissing schriftelijk aan de aanvrager te worden meegedeeld. Tegen deze opschortingsbeslissing bestaan beroepsmogelijkheden, doch aan te nemen valt dat deze ertoe zal leiden dat de aanvrager zo snel mogelijk tot correctie van de GBA-gegevens zal overgaan, waarna de uitkering alsnog kan plaatsvinden."

De voorzieningenrechter leidt uit het bovenstaande af dat, indien het bestuursorgaan over voldoende gegevens beschikt om het recht op bijstand van de aanvrager te beoordelen, het enkele feit dat er een discrepantie bestaat tussen de opgegeven adresgegevens en de in de GBA vermelde gegevens er niet toe kan leiden dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld. In een dergelijke situatie zal vastgesteld dienen te worden of de aanvrager recht op bijstand heeft en zal bij een bevestigend antwoord op deze vraag vervolgens beoordeeld dienen te worden of er aanleiding bestaat dit recht ingevolge artikel 69a van de Abw op te schorten. Dat op deze wijze uitvoering dient te worden gegeven aan artikel 69a van de Abw blijkt ook uit het feit dat in het eerste lid van deze bepaling van het opschorten van het recht op bijstand wordt gesproken.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerster met het bestreden besluit aan genoemd artikel een onjuiste toepassing heeft gegeven. Onweersproken is immers gebleven dat de door verzoekster verstrekte gegevens voldoende waren om het recht op bijstand te beoordelen. Er is in verzoeksters geval op grond van de door haar van meet af aan verstrekte inlichtingen en gegevens enkel geconstateerd dat er een discrepantie bestaat tussen het door haar opgegeven woonadres en haar inschrijving in de GBA. In een dergelijk geval kan, zoals gezegd, niet tot het buiten behandeling laten van de aanvraag worden besloten, maar dient de aanvraag verder behandeld te worden en dient het recht op bijstand te worden beoordeeld uitmondend in een besluit tot toekenning of weigering van bijstand. Gelet op het feit dat verzoekster haar inschrijving op grond van het door haar gestelde procesbelang niet aan de feitelijke situatie wenste aan te passen, diende in het geval van een toekenning aansluitend te worden beoordeeld of er aanleiding bestond het recht op bijstand op te schorten dan wel om daarvan af te zien op grond van een van de uitzonderingssituaties genoemd in artikel 69, tweede lid, van de Abw. Omtrent dit laatste merkt de voorzieningenrechter op dat verweerster, gelet op het door verzoekster gestelde procesbelang, weliswaar enig onderzoek heeft verricht naar de noodzaak tot handhaving van de inschrijving, maar dat zij in dit verband niet de juiste vraag heeft gesteld. Verzoekster wilde door middel van het handhaven van haar inschrijving op het adres in het kader van de procedure tegen haar ex-partner inzake het gebruiksrecht op de woning aan de [...] ontkomen aan een situatie waarin haar artikel 1:11, eerste lid, van het BW (prijsgeven van de woonstede) zou worden tegengeworpen. Een onderzoek naar het belang dat verhuurder Kamerbeek Vastgoedmanagement B.V. aan de inschrijving hecht, is in dit verband niet relevant.

Gelet op het voorgaande kan verzoeksters bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot een andere beslissing leiden dan het (kennelijk) gegrond verklaren daarvan onder de overweging dat de aanvraag van verzoekster ten onrechte buiten behandeling is gesteld en de bepaling dat haar aanvraag opnieuw in behandeling dient te worden genomen. Nu ter zitting is gebleken dat het door haar ex-partner aangespannen kort geding in het voordeel van verzoekster is beslecht en zij daarom per 31 augustus 2002 haar intrek zal nemen in de woning aan de [...] en voorts ter zitting door verweerster is bevestigd dat dit adres als gevolg van een gemeentelijke herindeling thans onder de gemeente Den Haag valt, zal in elk geval de kwestie rond verzoeksters inschrijving geen beletsel meer vormen voor verstrekking van bijstand op grond van verzoeksters aanvraag van 23 mei 2002, daar de inschrijving van haar adresgegevens in de GBA met de feitelijke woonsituatie in overeenstemming is. In dit verband is ook van belang op te merken dat uit de gedingstukken, en het feit dat haar inschrijving op dat adres werd verlangd, blijkt dat het door verzoekster gemelde woonadres van vóór 31 augustus 2002, [...], door verweerster nimmer in twijfel is getrokken.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden toegewezen als hierna vermeld.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de voorzieningenrechter niet gebleken. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om, gelet op het bepaalde in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, te bepalen dat het door verzoekster betaalde griffierecht door de gemeente Den Haag zal worden vergoed.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe, in dier voege dat de voorlopige voorziening wordt getroffen dat aan verzoekster een uitkering ingevolge de Abw in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan naar de voor haar geldende norm wordt verstrekt met ingang van 19 juli 2002 tot en met zes weken na verzending van de beslissing op verzoeksters bezwaarschrift;

Gelast dat de gemeente Den Haag als rechtspersoon aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht, zijnde € 29,-, vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.W.H.B. Sentrop, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2002, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.G.M. van Ede.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: