Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1503

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-12-2002
Datum publicatie
04-12-2002
Zaaknummer
09.757.276-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09.757.276-02;

TUL 09.090.142-01;

's-Gravenhage, 2 december 2002.

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte :

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, Huis van Bewaring "Noordsingel", Noordsingel 115 te Rotterdam.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 7 oktober 2002 en 18 november 2002 .

De verdachte, bijgestaan door de raadsvrouw mr L.M.J. Verheul-Duijverman, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr M.T. Paulides heeft gevorderd dat de bij dagvaarding onder 1. t/m 4. telastgelegde feiten bewezen zullen worden verklaard, doch dat verdachte ontslagen zal worden van alle rechtsvervolging en dat de rechtbank zal gelasten dat verdachte zal worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar.

De officier van justitie heeft niet gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf opgelegd door de Politierechter in deze rechtbank op 29 maart 2001 te weten een geldboete van fl. 1.000,=, subsidiair 20 dagen hechtenis en heeft de rechtbank verzocht deze vordering af te wijzen.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.1., A.2. en A.3. en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A.4.

Beroep op schending van het EVRM in verband met de artikelen 40 en 50 van het Wetboek van Strafvordering.

De raadsvrouwe van verdachte heeft aangevoerd dat de door verdachte tijdens de inverzekeringstelling afgelegde verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Volgens de piketregeling, die gebaseerd is op artikel 40, tweede en vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering, dient een aangewezen advocaat binnen vier uur na de aanmelding rechtsbijstand te verlenen. Verdachte werd op 27 juni 2002 om 12.31 uur in verzekering gesteld. Om 12.54 uur die dag werd de piketcentrale in kennis gesteld.

De piketcentrale heeft de melding om 12.56 uur gemeld aan de piketadvocaat. Blijkens het proces-verbaal is de raadsvrouwe om 16.10 uur verschenen op het politiebureau teneinde verdachte te bezoeken, alwaar haar de toegang tot verdachte werd ontzegd, omdat dit bezoek "niet in te passen viel binnen de verhoorstrategie". Een verzoek om aanwezig te zijn bij het aan de gang zijnde verhoor werd niet gehonoreerd.

Volgens de raadsvrouwe is dit in strijd met artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 50, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu zij niet binnen de vier uur die in de piketregeling is genoemd tot haar cliënt is toegelaten.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Voorop staat dat verdachte op grond van artikel 6, derde lid, van het EVRM recht heeft op een "fair trial". Daaronder moet ook worden begrepen het recht van een verdachte een advocaat te consulteren kort na zijn inverzekeringstelling.

Dit betekent echter niet dat de politie eerst met het verhoren van een verdachte zou mogen beginnen na ommekomst van de vier uren waarbinnen van een advocaat verwacht wordt dat hij na een melding in het kader van de piketregeling een aanvang maakt met de verlening van rechtsbijstand. Evenmin betekent dit recht dat politiefunctionarissen verplicht zijn een verhoor van een verdachte te onderbreken voor een gesprek met een advocaat indien deze zich binnen bedoelde periode van vier uren op het politiebureau vervoegt om deze verdachte te bezoeken. De politiefunctionarissen hoeven de advocaat in zo'n situatie ook niet toe te laten tot het verhoor van verdachte. Het recht op vroegtijdige rechtsbijstand kan ook geëffectueerd

worden indien de advocaat na afloop van het reeds aangevangen verhoor de gelegenheid krijgt zijn cliënt te spreken.

Uit het proces-verbaal en het verhandelde ter terechtzitting, alwaar de beide verbalisanten die het eerste verhoor van verdachte hebben afgenomen, als getuigen zijn gehoord, is gebleken dat de raadsvrouwe op 27 juni 2002 te 16.10 uur de toegang tot haar cliënt is ontzegd en dat haar is meegedeeld dat zij na het verhoor later die dag of in de avond kon terug komen. Van deze gelegenheid heeft de raadsvrouwe geen gebruik gemaakt. De dag erna -op 28 juni 2002- is verdachte ter toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling voorgeleid aan de rechter-commissaris. Gebleken is dat bij dat verhoor een collega van de raadsvrouwe van verdachte aanwezig is geweest en dat verdachte toen rechtsbijstand heeft gehad.

De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat niet gezegd kan worden dat verdachte door de hiervoor beschreven gang van zaken is beroofd van een eerlijk proces in de zin van artikel 6, derde lid, van het EVRM.

De door verdachte tijdens de inverzekeringstelling afgelegde verklaringen mogen dan ook worden gebruikt voor het bewijs van de aan verdachte telastgelegde feiten.

De rechtbank voegt hier nog aan toe dat verdachte bij het verhoor door de rechter-commissaris op 28 juni 2002 in aanwezigheid van een raadsman heeft verklaard dat hij dacht dat hij de e-mail van 21 april 2002 (feiten 3. en (deels) 4. op de telastlegging) had geschreven en eerst in de politieverhoren daarna een bekennende verklaring heeft afgelegd over de poederbrieven (feiten 1., 2. en (deels) 4. op de telastlegging).

Ook indien de raadsvrouw wordt gevolgd in haar bezwaar tegen de gang van zaken op 27 juni 2002 valt niet in te zien waarom de verklaringen die verdachte heeft afgelegd nadat hij een advocaat had gesproken niet gebezigd zouden mogen worden voor het bewijs.

Vrijspraak.

Verdachte heeft in de poederbrieven ook passages opgenomen over het storten van (een) geldbedrag(en) en daaraan dreigende woorden toegevoegd.

Nu deze brieven echter geen afzender vermeldden en daarin evenmin is aangegeven op welke rekening(en) (een) geldbedrag(en) zou(den) moeten worden gestort dan wel op welke wijze de geadresseerden anderszins (een) geldbedrag(en) zouden moeten afgeven, kan niet gezegd worden dat verdachte het oogmerk had om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, ook niet in de zin dat hij begreep dat dit noodzakelijkerwijs het gevolg zou zijn van de verzending van de brieven.

De rechtbank acht derhalve op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding onder feit 2. is telastgelegd,

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1., 3. en 4. vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.1., B.2. en B.3.

Bewijsverweer.

De raadsvrouw van verdachte heeft voorts betoogd dat -gelet op de psychische gesteldheid van haar cliënt- zijn verklaringen onbetrouwbaar zijn en derhalve niet gebruikt mogen worden als bewijs in deze zaak.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Uit de stukken en het behandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verklaringen van verdachte voldoende betrouwbaar en consistent zijn. Bovendien worden zij ondersteund door andere voorhanden zijnde bewijsmiddelen.

Verder stelt de raadsvrouw dat de rechercheurs verdachte zouden hebben voorgehouden dat "de echte auteur van de brieven aan de Hindoe-organisaties een geniale schrijver zou zijn en wereldberoemd zou worden". Verdachte zou hierdoor op onrechtmatige wijze onder druk zijn gezet, zodat de ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen ook op deze grond van het bewijs moeten worden uitgesloten, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank vindt geen enkele steun in het proces-verbaal noch in de ter terechtzitting door de beide verbalisanten als getuigen afgelegde verklaringen dat dezen zich in bedoelde zin tegenover verdachte hebben uitgelaten. Het verweer van de raadsvrouw mist derhalve feitelijke grondslag en wordt daarom verworpen.

Bewijsoverweging.

Ten aanzien van feit 1. overweegt de rechtbank dat niet-natuurlijke personen niet bedreigd kunnen worden met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling.

Op grond hiervan kan bedreiging van de in de telastlegging onder 1. genoemde niet-natuurlijke personen niet bewezen worden.

De brieven die aan deze niet-natuurlijke personen gericht waren vormen echter wel een bedreiging van de Hindoestaanse gemeenschap.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte.

Over verdachte is gerapporteerd door drs. H.E.M. van Beek, psychiater te Doetinchem en door drs. W.J.L. Lander, psycholoog.

In hun rapporten van respectievelijk 6 september 2002 en 5 september 2002 komen beide deskundigen tot de conclusie dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van de delicten sprake was van aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een psychotisch toestandsbeeld met wanen in het kader van paranoïde schizofrenie. Gelet hierop was verdachte ten tijde van het plegen van de delicten naar het oordeel van de psychiater en de psycholoog volledig ontoerekeningsvatbaar.

Beide deskundigen adviseren dan ook verdachte conform artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van maximaal een jaar op te laten nemen in een psychiatrisch ziekenhuis met als voornaamste doel verdachte zo optimaal mogelijk in te stellen op medicatie.

De kans op recidive zal dan naar het oordeel van de psychiater en de psycholoog tot een aanvaardbaar risico kunnen worden teruggebracht.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare.

Zij is derhalve van oordeel dat verdachte, nu de feiten hem niet kunnen worden toegerekend, niet strafbaar is.

Verdachte zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte een gevaar vormt voor anderen en dat ten aanzien van hem de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar op zijn plaats is.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de beide deskundigen blijkens hun rapportage behandeling van verdachte noodzakelijk achten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland van 27 september 2002.

Vordering tenuitvoerlegging.

De rechtbank acht geen termen aanwezig de tenuitvoerlegging van deze boete te gelasten, zodat de vordering tenuitvoerlegging zal worden afgewezen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen :

37a, 37b, 57, 137c, 285 van het Wetboek van Strafrecht;

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder feit 2. telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1., 3. en 4. telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt :

feiten 1. en 3. :

BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT,

meermalen gepleegd.

feit 4. :

ZICH IN HET OPENBAAR BIJ GESCHRIFT OPZETTELIJK BELEDIGEND

UITLATEN OVER EEN GROEP MENSEN WEGENS HUN GODSDIENST

OF LEVENSOVERTUIGING, meermalen gepleegd.

verklaart het bewezene strafbaar;

verklaart verdachte niet strafbaar;

ontslaat verdachte terzake van alle rechtsvervolging;

gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar;

in verzekering gesteld op 27 juni 2002;

in bewaringgesteld op 1 juli 2002.

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding onder 1., 3. en 4. meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs R. Elkerbout, voorzitter,

Ch.M. Derijks en J.K.J. van den Boom, rechters,

in tegenwoordigheid van M.L.A. van der Togt, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 december 2002.