Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1365

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-12-2002
Datum publicatie
03-12-2002
Zaaknummer
parketnummer 09/757194-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/757194-02

[rolnummer]

's-Gravenhage, 21 november 2002

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 november 2002.

De verdachte, bijgestaan door de raadsvrouw mr P. Scholtes, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Remmerswaal heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 2 telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair, 3, 4, 5 en 6 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1 tot en met 11 zullen worden onttrokken aan het verkeer.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Rechtmatigheid verkregen bewijs.

Namens verdachte heeft zijn raadsvrouwe een beroep gedaan op onrechtmatig verkregen bewijs. Zij heeft in dat kader de rechtbank verzocht al hetgeen haar collega mr G.J. Hubers in de tegelijkertijd ter terechtzitting behandelde zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte1] terzake van onrechtmatig verkregen bewijs heeft aangevoerd als door haar overgenomen te beschouwen.

Zakelijk weergegeven houdt dit verweer in dat alle resultaten van de telefoontaps jegens verdachte onrechtmatig zijn alsmede dat de observaties en de gegevens van de geplaatste peilbaken als vruchten van het onrechtmatig verkregen bewijs niet als bewijsmiddel mogen worden gebezigd. Daartoe is gesteld dat de door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken op de voet van artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering verleende machtiging tot het afluisteren en opnemen van telecommunicatie van medeverdachten in strijd is met het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel, aangezien er ten tijde van het verlenen van bedoelde machtiging uit de voorhanden zijnde stukken niet blijkt van een geldige reden om over te gaan op het afluisteren en opnemen van telecommunicatie. De verdediging wijst in dit verband in het bijzonder op het proces-verbaal d.d. 3 september 2001, waarin wordt vermeld: "Ondanks de op dit moment geringe relevantie van de gesprekken, met betrekking tot het plegen van overvallen gepleegd door en rondom de verdachte [medeverdachte2], die zijn gehoord via telefoonaansluiting [telefoonnummer], is het gezien eerder vermelde niet ondenkbaar dat er alsnog gesprekken, welke duiden op het plegen of beramen van een overval, via vermeld telefoonnummer gaan worden gevoerd".

Voorts heeft de raadsvrouwe namens de verdachte nog gesteld dat de beveiligingsvideo van de Mac Donalds te 's-Gravendeel d.d. 13 februari 2002 en de daarvan gemaakte printjes onrechtmatig zijn verkregen nu deze videobeelden zonder voorafgaande machtiging daartoe door de politie zijn opgevraagd. Ook de latere herkenning van de verdachte aan de hand van deze prints door de [observant] zou als vrucht van het onrechtmatig verkregen bewijs niet tot het bewijs mogen worden gebezigd. Naar stellen van de verdediging is er sprake van een inbreuk op het in artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privé-leven. Tot slot - aldus nog steeds de verdediging - is het gebruiken van de videobeelden in het kader van strafvordering een vorm van observatie waarvoor dan geen machtiging is afgegeven.

De rechtbank verwerpt al deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

De in artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheid kan de officier van justitie na daartoe verkregen schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris uitoefenen in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.

Uit de aan de verleende tapmachtigingen ten grondslag liggende processen-verbaal kan naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam worden afgeleid dat voldaan is aan het hiervoor melde vereiste. Immers de medeverdachte [medeverdachte2] werd verdacht van het plegen van gewapende overvallen op geldinstellingen en juweliers. Dit soort feiten levert gezien hun gewelddadige karakter een ernstige inbreuk op de rechtsorde op. Voor zover het betreft de verlenging op grond van het proces-verbaal van 3 september 2001 merkt de rechtbank nog op dat naast het door de raadsvrouwe aangehaalde deel dit proces-verbaal tevens het volgende inhoudt: "In reeds eerder opgemaakte processen-verbaal is gerelateerd dat de verdachte [medeverdachte2] met grote waarschijnlijkheid thans op zoek is naar een mededader voor het plegen van een overval." De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de officier van justitie op juiste gronden is overgegaan tot het na daartoe verkregen schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris (blijven) uitoefenen van zijn in artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering verleende bevoegdheid, zodat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs.

Voor wat betreft het opvragen van de beveiligingsvideo van de Mac Donalds te 's-Gravendeel merkt de rechtbank op dat geen rechtsregel een voorafgaande machtiging daartoe voorschrijft. Evenmin is sprake van een schending van artikel 8 EVRM door opsporingsambtenaren in geval de eigenaar van de video toestemming verleend aan opsporingsambtenaren om de beelden te bekijken en daarvan prints te vervaardigen. Daarbij komt dat in de regel bij het betreden van dergelijke gelegenheden de bezoeker wordt gemeld dat gebruik wordt gemaakt van videobewaking. Tot slot vermag de rechtbank niet in te zien dat het achteraf bekijken van reeds opgenomen videobeelden gelijk te stellen zou zijn aan het uitvoeren van een observatie.

Slotsom uit al het vorenstaande is dat het tegen verdachte voorhanden zijnde bewijsmateriaal niet op onrechtmatige wijze is verkregen.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair, 2, 3 en 4 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder de navolgende omstandigheden in aanmerking:

- in het dossier ontbreekt een in proces-verbaal vorm opgenomen conclusie/waarneming dat er op 21 februari 2002 buiten de drie op het dak van het postkantoor aan de Kloosterwandtstraat te Roermond aangehouden personen nog een vierde persoon op dat dak is aangetroffen, die heeft weten te vluchten; reeds om die reden ontbreekt ook ieder signalement van deze vierde persoon;

- verder kan uit geen enkel bewijsmiddel worden afgeleid dat verdachte als de vierde persoon (aannemende dat die er is geweest) op dat dak kan worden aangemerkt;

- de rechtbank heeft slechts de beschikking over één bewijsmiddel dat verdachte op 20 februari 2002 tot 20.42 uur in Roermond plaatst, namelijk de herkenning door [observant];

- dit is echter een door deze observant op enigszins dubieuze wijze achteraf gedane herkenning.

De rechtbank zal verdachte derhalve van het voornoemd telastgelegde vrijspreken en het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 5 en 6 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte had in de woning waar hij feitelijk woonde en werd aangehouden een pistool, een zeer grote hoeveelheid munitie en 2 verboden imitatiepistolen liggen. Het spreekt voor zich dat de aanwezigheid van dergelijke voorwerpen grote risico's met zich meebrengt voor verdachte en de overige bewoners van die woning, alsmede voor de omwonenden. De rechtbank rekent verdachte dit wapenfeit zwaar aan.

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit het Documentatieregister d.d. 11 april 2002, is hij reeds eerder voor het bezit van wapens en munitie veroordeeld.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van na te melden gevangenisstraf passend en geboden is.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1 tot en met 11 onttrekken aan het verkeer, zijnde deze voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien deze aan verdachte toebehorende voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar het feit waarvan hij wordt verdacht, is aangetroffen, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 36b, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair, 2, 3 en 4 telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 5 en 6 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 5:

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, MEERMALEN GEPLEEGD;

ten aanzien van feit 6:

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 13, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, MEERMALEN GEPLEEGD;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 6 MAANDEN;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 10 april 2002,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 12 april 2002,

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis;

verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1 tot en met 11, te weten

- 1.00 STK Patroonhouder, Glock kal. 9 mm, voor 16 patronen,

- 1.00 STK Pistool, Browning FN, kal. 7.65 mm,

- 25.00 STK Munitie, kal. .22,

- 92.00 STK Munitie, kal. 9 mm,

- 12.00 STK Munitie, kal. .45,

- 2.00 STK Munitie, .357 magnum,

- 3.00 STK Munitie, .38 special,

- 1.00 STK Munitie, kal. 12 mm, hagelpatroon,

- 1.00 STK Pistool, EDISON, immitatie,

- 1.00 STK Pistool, Smith & Wesson balletjes, veerdruk;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Quadekker, voorzitter,

Van Kempen en Van Harte, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Schuurmans, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 november 2002.