Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1343

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-09-2002
Datum publicatie
02-12-2002
Zaaknummer
AWB 02/66835 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / minderjarige.

Bewaring is ingrijpend en dient eerst te worden toegepast als dat strikt noodzakelijk is. Dit klemt te meer als het gaat om een meisje van dertien jaar. Uit het besluit tot inbewaringstelling moet duidelijk worden dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Er had bezien moeten worden of had kunnen worden volstaan met de aanzegging te verblijven op een bij de korpschef of hulpofficier van justitie bekend adres. Dat volgt ook rechtstreeks uit verweerders beleid zoals neergelegd in hoofdstuk A5/1.5 Vc 2000 en klemt te meer nu eiseres een opvangmogelijkheid in Nederland had. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 94
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

Artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg.nr: AWB 02/66835 VRONTN

inzake: A, geboren op [...] 1988, van Bulgaarse nationaliteit, voorheen verblijvende in het politiebureau te Amsterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: A.H. Kras, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Op 30 augustus 2002 is eiseres op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld.

2. Namens eiseres is door mr. L.M.A. Schwartz, advocaat te Amsterdam, bij beroepschrift van 30 augustus 2002, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen de vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

3. Op 5 september 2002 heeft verweerder de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.

4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 6 september 2002. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. Overwegingen

1. Eiseres heeft ter zitting -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd. Verweerder heeft onvoldoende voortvarend gehandeld. Eiseres had een paspoort en had derhalve eerder kunnen worden uitgezet. In een andere zaak van een vreemdeling met eveneens de Bulgaarse nationaliteit is veel eerder over gegaan tot uitzetting. Overigens had verweerder reeds ten tijde van de strafrechtelijke detentie activiteiten ter fine van uitzetting kunnen verrichten.

2. Verweerder heeft ter zitting -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd. Er is voldoende voortvarend gehandeld. Een minderjarige kan in bewaring worden gesteld mits degene op de vierde dag van de bewaring overgeplaatst wordt naar een jeugdinrichting. In dit geval heeft de overplaatsing niet plaatsgevonden in verband met een identiteitsgehoor dat nog diende plaats te vinden en de aanstaande uitzetting.

3. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde dat vordert, met het oog op de uitzetting, door Onze Minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn besluit van 30 augustus 2002, op grond waarvan eiseres in bewaring is gesteld, heeft aangegeven dat de openbare orde de bewaring van eiseres vordert. Zij heeft volgens het besluit geen rechtmatig verblijf hier te lande, heeft zich niet aangemeld bij de korpschef, beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats en is veroordeeld terzake van een misdrijf. Verweerder heeft hierdoor het vermoeden dat eiseres zich aan haar uitzetting zal onttrekken.

5. Gelet op hetgeen de rechtbank onder rechtsoverweging 4 heeft vastgesteld is zij van oordeel dat verweerder in zijn besluit van 30 augustus 2002 met een te summiere motivering heeft volstaan en dat het besluit derhalve een draagkrachtige motivering ontbeert. De maatregel van bewaring is een ingrijpende en dient eerst te worden toegepast als dat strikt noodzakelijk is. Dit geldt temeer als het gaat om een jeugdige van (in het onderhavige geval) thans 13 jaar. Uit het besluit zal ook duidelijk dienen te worden dat en waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel. Er had bezien moeten worden of had kunnen worden volstaan met de aanzegging te verblijven op een bij de korpschef of hulpofficier van justitie bekend adres (bijvoorbeeld bij familie, kennissen of andere particuliere personen). Dat volgt ook rechtstreeks uit verweerders beleid zoals neergelegd in hoofdstuk A5/1.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en klemt temeer nu eiseres blijkens het verhandelde ter zitting een opvangmogelijkheid hier te lande had. De bewaring is blijkens mededeling van verweerder immers opgeheven, omdat een oom van eiseres in Amsterdam woont en deze heeft aangegeven dat hij er voor zou zorgdragen dat eiseres naar haar ouders in Bulgarije zou worden teruggebracht.

6. Op grond van het voorgaande is het besluit van 30 augustus 2002 in strijd met artikel 3:46 Awb. Het beroep is dan ook gegrond. De tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel is met ingang van 30 augustus 2002 onrechtmatig.

7. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiseres ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 95,- per dag dat eiseres op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal een bedrag van (zes maal € 95,-) € 570,-.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is verwogen is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, welke zijn begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

III. Beslissing

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 570,- (zegge: vijfhonderdzeventig euro), te betalen door de griffier van de rechtbank aan eiseres;

3. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag groot € 644,- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2002 door mr. L. van Es, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Jacobsz als griffier.

Afschrift verzonden op: 23 september 2002

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.

Tegen de beslissing inzake de schadevergoeding staat geen rechtsmiddel open.

Conc: NJ

Bp: -

D: B