Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1330

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-06-2002
Datum publicatie
02-12-2002
Zaaknummer
AWB 00/71692 OVERIO V35 A5
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procesbelang / doorprocederen / reguliere verblijfsvergunning.

Eiser, een Sudanees, dient in 1998 een asielaanvraag in. Hij dient een bezwaar en vervolgens een beroep tegen het niet tijdig beslissen in. De rechtbank acht dit op 28 februari 2000 gegrond. Op 24 oktober 2000 stelt eiser wederom beroep in bij de rechtbank. Door verweerder wordt op 13 juli 2001 reëel beslist en eiser wordt een verblijfsvergunning bepaalde tijd ama verleend. De verblijfsvergunning wordt tegelijkertijd omgezet in een verblijfsvergunning bepaalde tijd voortgezet verblijf. De vraag is of eiser nog procesbelang bij het beroep heeft. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 28 maart 2002 (ABRS 200105914/1) dat dit niet het geval is omdat eiser een verblijfsvergunning is verleend. Dat deze verblijfsvergunning een regulier karakter heeft, levert geen belang bij doorprocederen op. Beroep niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:2, geldigheid: 2002-06-13
Algemene wet bestuursrecht 6:20, geldigheid: 2002-06-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE 'S-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummer : AWB 00/71692 OVERIO V35 A5

Datum uitspraak: 13 juni 2002

Uitspraak op het beroep in het geschil tussen:

A, geboren op [...] 1982 en van Soedanese nationaliteit, eiser,

gemachtigde mr. G.A.P. Avontuur, advocaat te Breda,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 5 oktober 1998 heeft eiser een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling.

Bij brief van 6 augustus 1999 heeft eiser bezwaar gemaakt bij verweerder tegen het uitblijven van een beslissing op deze aanvraag.

Tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaar van 6 augustus 1999 heeft eiser bij schrijven van 29 oktober 1999, ontvangen ter griffie op 1 november 1999, beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 28 februari 2000 (AWB 99/9267 VRWET) is dit beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van 6 augustus 1999 gegrond verklaard en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van 6 augustus 1999 vernietigd.

Tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaar van 6 augustus 1999 heeft eiser bij schrijven van 24 oktober 2000, ontvangen ter griffie op 27 oktober 2000, wederom beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij besluit van 13 juli 2001 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Wel heeft verweerder eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier, onder de beperking: "verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling", met ingang van 5 oktober 1998 en geldig tot 5 oktober 1999, onder gelijktijdige verlenging tot 5 oktober 2000, onder gelijktijdige verlenging tot 1 juni 2001. Ook heeft verweerder eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier, onder de beperking: "voortgezet verblijf", met ingang van 2 juni 2001, geldig tot 2 juni 2003. Dit besluit is op 13 juni 2001 aan de gemachtigde van eiser toegezonden.

Bij schrijven van 29 augustus 2001 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 2 mei 2002, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door mr. A. Bosch, advocaat te 's-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of het besluit van 13 juli 2001 in rechte stand kan houden.

De rechtbank stelt de volgende feiten vast.

Bij besluit van 13 juli 2001 heeft verweerder het bezwaar van eiser van 6 augustus 1999, gericht tegen de fictieve weigering te beslissen op de aanvraag om toelating als vluchteling, ongegrond verklaard. Verweerder heeft eiser wel bij dit besluit in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier, onder de beperking: "verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling", met ingang van 5 oktober 1998 en geldig tot 5 oktober 1999, onder gelijktijdige verlenging tot 5 oktober 2000, onder gelijktijdige verlenging tot 1 juni 2001. Tevens heeft verweerder bij dit besluit eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier, onder de beperking: "voortgezet verblijf", met ingang van 2 juni 2001, geldig tot 2 juni 2003.

Eiser heeft beroep ingesteld op de grond dat hij van mening is dat verweerder hem in aanmerking had moeten brengen voor toelating als vluchteling. Voorts heeft verweerder allerlei termijnen overschreden, hetgeen invloed heeft gehad op de rechtspositie van eiser.

Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat nu eiser in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning er geen rechtens te honoreren belang meer is om door te procederen voor een andere verblijfstitel. Eiser heeft onvoldoende geconcretiseerd waarin zijn belang bij doorprocederen is gelegen. Dat de verblijfsvergunning waarover eiser thans beschikt een regulier karakter heeft, betekent niet dat daaruit reeds voortvloeit dat er belang bij doorprocederen bestaat.

De rechtbank overweegt als volgt.

Een belanghebbende kan bij de ter zake bevoegde rechter slechts opkomen tegen een besluit, indien hij bij het instellen van dat rechtsmiddel belang heeft, in die zin dat hij daardoor in een gunstiger positie zou kunnen geraken.

In het bestreden besluit ligt het oordeel besloten dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning op grond van het eerste lid van artikel 29 van de Vw 2000. Gelet op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 maart 2002 (ABRS 200105914/1) bestaat hangende de geldigheidsduur van een aan de vreemdeling verleende vergunning tot verblijf geen belang bij het instellen van beroep tegen het daaraan ten grondslag liggend besluit. In het onderhavige geval beschikt eiser thans over een verblijfsvergunning. Dat de verblijfsvergunning waarover eiser thans beschikt een regulier karakter heeft, impliceert naar het oordeel van de rechtbank niet dat er op die grond belang bij doorprocederen bestaat.

Toegegeven kan worden aan de gemachtigde van eiser dat de handelwijze van verweerder niet de schoonheidsprijs verdient, maar zulks kan niet leiden tot het oordeel dat eiser op die grond in zijn beroep kan worden ontvangen.

Het beroep van eiser zal derhalve niet-ontvankelijk verklaard worden.

Hetgeen overigens door eiser is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. A.M.C. Kolkert als rechter in tegenwoordigheid van mr. B.J. Groothedde als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2002.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschriften verzonden: 17 juni 2002