Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1292

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
29-11-2002
Zaaknummer
AWB 01/59645
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Irak / vertrekmoratorium.

Bij besluit van 21 mei 2002 heeft de minister van Justitie op basis van artikel 45, vierde lid,

Vw 2000 besloten tot een vertrekmoratorium voor asielzoekers die zijn geboren in

Centraal-Irak. Aangezien verzoeker volgens zijn, door verweerder niet bestreden,

verklaring is geboren in Centraal-Irak, en uit het dossier niet is gebleken van aanwijzingen

voor toepasselijkheid van de in artikel 5 van het besluit genoemde contra-indicaties, mag er

in redelijkheid van uitgegaan worden dat het vertrekmoratorium op hem van toepassing is.

Verzoeker is dus thans niet uitzetbaar. Daarom heeft verzoeker niet langer belang bij het

verzoek. Verzoek niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 45, geldigheid: 2002-06-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 01/59645

Datum uitspraak: 14 juni 2002

Uitspraak

ingevolge artikel 8:84 in samenhang met artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1971,

van Iraakse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde mr. T. Pondaag,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerder.

De gronden van de beslissing

1. Bij verzoekschrift van 12 november 2001 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep van diezelfde datum is beslist.

2. Bij besluit van 21 mei 2002 (Stcrt. 22 mei 2002, nr. 94, p. 11) heeft de Minister van Justitie op basis van artikel 45, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 besloten tot een vertrekmoratorium voor asielzoekers die zijn geboren in Centraal-Irak, waaronder wordt verstaan: het deel van de Republiek Irak dat onder controle staat van het regime in Bagdad. Dit besluit is in werking getreden met ingang van 24 mei 2002. Ingevolge artikel 5 van het besluit is het vertrekmoratorium niet van toepassing op vreemdelingen afkomstig uit Centraal-Irak op wie artikel 30, dan wel artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, i en k van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is, of ten aanzien van wie een gevaar voor de openbare orde bestaat als bedoeld in artikel 3.77 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

3. Aangezien verzoeker volgens zijn, door verweerder niet bestreden, verklaring is geboren in Centraal-Irak, en uit het dossier niet is gebleken van aanwijzingen voor toepasselijkheid van de in artikel 5 van het besluit genoemde contra-indicaties, mag er in redelijkheid van uit gegaan worden, dat het vertrekmoratorium op hem van toepassing is. Ingevolge artikel 45, vierde lid, van de Vw 2000 worden de verstrekkingen niet beëindigd. Ingevolge artikel 45, vijfde lid, van de Vw 2000 wordt verzoeker geacht rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000 te hebben. Verzoeker is dus thans niet uitzetbaar. Daarom heeft verzoeker niet langer belang bij het verzoek. Het verzoek is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk.

4. Een eventueel na het einde van rechtmatig verblijf in te dienen verzoek om een voorlopige voorziening te treffen dient aangemerkt te worden als een (eerste) verzoek waarvan de uitspraak in Nederland mag worden afgewacht. Door het besluit is het rechtmatig verblijf immers herleefd.

5. In dit geval bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met het doen van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.

6. Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb zal het onderzoek worden gesloten en onmiddellijk uitspraak worden gedaan.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

a) verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;

b) veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 322,—, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

de griffier de voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden 17 juni 2002