Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1217

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-08-2002
Datum publicatie
28-11-2002
Zaaknummer
AWB 49/12500, 49/12499
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging vtv minderjarigen / verschoonbare termijnoverschrijding / mvv.

Eiseressen zijn als minderjarigen in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseressen vanaf hun komst naar Nederland tot hun twaalfde verjaardag beschikten over een vtv. Zij hadden geen eigen verblijfsdocumenten maar in het verblijfsdocument van de vader was vermeld „Tevens geldig voor de inwonende kinderen die jonger zijn dan 12 jaar“. Toen eiseressen respectievelijk 12,5 en ruim 14,5 jaar oud waren, zijn namens hen zelfstandige aanvragen ingediend. Verweerder heeft deze aanvragen als aanvragen om eerste toelating aangemerkt en deze buiten behandeling gesteld omdat eiseressen niet in het bezit waren van een mvv. Eiseressen stellen zich op het standpunt dat ten gevolge van omstandigheden die hun niet zijn toe te rekenen, zij niet tijdig de aanvragen hebben kunnen indienen. De vader heeft zijn vergunning tot tweemaal toe verlengd in de veronderstelling dat deze verlenging ook gold voor zijn kinderen. De vreemdelingendienst heeft hem niet geïnformeerd over de noodzaak om voor eiseressen zelfstandige vergunningen aan te vragen. Verweerder zegt dat de vreemdelingendienst een dergelijke meldplicht niet heeft en dat het voor verantwoordelijkheid van de vreemdelingen komt om tijdig te verlengen. De rechtbank concludeert dat in hoofdstuk A4/6.13.2 Vc 1994 blijkt dat verweerder de vreemdeling erop moet wijzen dat het van belang is om de vergunning tijdig te verlengen. Derhalve draagt verweerder verantwoordelijkheid dienaangaande. Dit blijkt ook uit de kamerstukken die betrekking hebben op de consequentie van het niet tijdig verlengen van de verblijfsvergunning (TK 1998-1999, 19 637, nr. 381, p. 8). In deze kamerstukken staat dat van de overheid ook inspanningen mogen worden verwacht en dat de overheid bij afgifte van vergunningen en drie maanden voor afloop van de geldigheidsduur op het belang van een tijdige verlenging moet wijzen. Hoewel de toezegging niet expliciet ziet op de situatie dat vreemdelingen zelfstandig hun vergunning dienen te verlengen in verband met het bereiken van de twaalfjarige leeftijd, kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van genoemde passage uit de parlementaire geschiedenis een verantwoordelijkheid aan de zijde van het bestuursorgaan worden aangenomen voor althans enige vorm van informatievoorziening. Het besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel genomen.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

UITSPRAAK

Reg.nr. : AWB 49/12500 en AWB 49/12499.

Inzake: A en B, eiseressen, voor zover minderjarig vertegenwoordigd door hun vader C,

gemachtigde mr. D.M. de Boer, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.C.G.G. van Hoek, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseressen, geboren op respectievelijk [...] 1984 en [...] 1986, bezitten de Marokkaanse nationaliteit. Zij verblijven sedert 15 november 1994 als vreemdelingen in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland.

Op 16 maart 1999 zijn namens eiseressen aanvragen ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel "verblijf bij ouders". Bij afzonderlijke beschikkingen van 4 mei 1999 zijn de aanvragen buiten behandeling gesteld. Namens eiseressen zijn tegen deze besluiten bezwaarschriften ingediend. Bij beschikking van 8 november 1999 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij brief van 30 november 1999 is namens eiseressen tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 4 juli 2002. Ter zitting zijn eiseressen in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig de heer C, vader van eiseressen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb 2000, 495 (Vreemdelingenwet 2000). De Vreemdelingenwet Stb 1965, 40 (hierna: Vw) is per deze datum ingetrokken. Het toepasselijke overgangsrecht brengt in hoofdlijnen met zich mee dat, nu het bestreden besluit bekend is gemaakt voor 1 april 2001, op de beoordeling en behandeling daarvan het voor die datum geldende recht van toepassing is.

Artikel 16a, eerste lid, van de Vw bepaalt dat een aanvraag om toelating slechts in behandeling wordt genomen, indien de vreemdeling beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv), welke hij heeft aangevraagd bij en welke hem verstrekt is door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van zijn herkomst of het land van zijn bestendig verblijf. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat een aantal categorieën vreemdelingen van het bezit van een mvv is vrijgesteld. In het vierde lid is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur andere dan de in het derde lid bedoelde categorieën vreemdelingen kunnen worden vrijgesteld van het bezit van een mvv. Ingevolge het zesde lid kan verweerder in zeer bijzondere, individuele gevallen voor het in behandeling nemen van de aanvraag om toelating afzien van het eisen van het bezit van een geldige mvv. Dit betreft de zogenaamde hardheidsclausule.

In uitwerking van het bepaalde in artikel 16a, vierde lid, van de Vw is in artikel 52a van het Vreemdelingenbesluit (oud, hierna: Vb) - voor zover hier van belang - bepaalt dat de navolgende categorieën vreemdelingen worden vrijgesteld van het bezit van een geldige mvv:

a) vreemdelingen die tijdig een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van hun vergunning tot verblijf hebben ingediend;

b) ...

c) ...

d) ...

e) vreemdelingen die niet tijdig een aanvraag hebben ingediend als bedoeld onder a tot en met d, wegens omstandigheden die hun niet zijn toe te rekenen.

In het Tussentijds bericht vreemdelingencirculaire 1998/28 is een aantal categoriale vrijstellingen van het mvv-vereiste vastgelegd welke van gelijke strekking zijn als de genoemde vrijstellingen van artikel 16a van de Vw en artikel 52a van het Vb.

2. Eiseressen stellen dat hun aanvragen van 16 maart 1999 ten onrechte buitenbehandeling zijn gesteld. Eiseressen zijn van mening dat de aanvragen niet tijdig zijn ingediend ten gevolge van omstandigheden welke hun niet zijn toe te rekenen. Eiseressen zijn in 1994 in het kader van gezinshereniging met hun moeder naar Nederland zijn gekomen en in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf. Aan eiseressen is niet een eigen verblijfsdocument verstrekt, het verblijfsdocument van hun vader was tot hun twaalfde jaar tevens geldig voor eiseressen. A is op [...] 1996 twaalf jaar geworden, B op [...] 1998. Op 3 maart 1999 heeft de vader van eiseressen ten behoeve van eiseressen aanvragen ingediend om verlening van eigen vergunningen tot verblijf. Zijdens de vreemdelingendienst is er nooit op gewezen dat met het bereiken van de twaalfjarige leeftijd eigen vergunningen voor eiseressen dienden te worden aangevraagd. De vader van eiseressen was er niet van op de hoogte dat dit diende te gebeuren. Het is niet juist dat eiseressen, zoals verweerder stelt, tot hun twaalfde jaar uitdrukkelijk waren vermeld op het verblijfsdocument van hun vader. Op het verblijfsdocument van de vader staat enkel vermeld "Tevens geldig voor de inwonende kinderen van de houder die jonger zijn dan 12 jaar". Toen de vader zijn vergunning tot verblijf heeft verlengd in januari 1997 en januari 1999, is er door de vreemdelingendienst niet op gewezen dat zijn dochter(s) een eigen vergunning diende(n) aan te vragen in verband met het bereiken van de leeftijd van 12 jaar. Evenmin is de vader op enig ander tijdstip hieromtrent om op de hoogte gesteld. Volgens eiseressen is dit kennelijk in strijd met de bedoeling van de Staatssecreataris van Justitie (hierna: SvJ), die, in het kader van de parlementaire behandeling van de mvv-wetgeving, in antwoord op vragen vanuit de Tweede Kamer heeft aangegeven dat het tijdig aanvragen van verlenging van een vergunning weliswaar de verantwoordelijkheid van de vreemdeling is, maar dat ook van de zijde van de overheid inspanningen verwacht mogen worden, welke inspanningen er in bestaan dat de vreemdeling drie maanden voor afloop van de geldigheidsduur van de vergunning op het belang van tijdige verlenging zal worden gewezen. In dit verband is namens eiseressen gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 14 oktober 1999 (AWB 99/2137), waarin naar deze passage uit de Parlementaire Geschiedenis wordt verwezen en geoordeeld dat verweerder, voor zover hij zich niet aan zijn eigen toezegging heeft gehouden, nalatig is geweest. Ter zitting heeft de gemachtigde nog opgemerkt dat het voor verweerder niet ingewikkeld was geweest om drie maanden voordat zij de twaalfjarige leeftijd bereikten aan eiseressen (geautomatiseerd) een bericht te sturen, nu alle daartoe benodigde gegevens bij verweerder, althans bij de Vreemdelingenpolitie, aanwezig zijn. Subsidiair stellen eiseressen dat aan hen met toepassing van de hardheidsclausule een vrijstelling van het mvv-vereiste had dienen te worden verleend. Volgens eiseressen heeft verweerder er ten onrechte van afgezien om in bezwaar een hoorzitting te houden.

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanvragen van eiseressen terecht zijn aangemerkt als aanvragen om eerste toelating. Niet is gebleken van een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding voor het indienen van de aanvragen. Naar mening van verweerder kan de stelling dat er zijdens de Dienst Vreemdelingenpolitie niet op is gewezen dat ten behoeve van eiseressen met het bereiken van de twaalfjarige leeftijd een (zelfstandige) vergunning tot verblijf diende te worden aangevraagd, eiseressen niet baten. Het terzake gevoerde beleid kan in beginsel immers als kenbaar worden beschouwd. Eiseressen wisten of behoorden te weten dat zij een (zelfstandige) vergunning tot verblijf dienden aan te vragen bij het bereiken van de twaalfjarige leeftijd. Voordat zij twaalf jaar werden, werden eiseressen uitdrukkelijk vermeld op het verblijfsdocument van hun vader. Het had op de weg van eiseressen of hun vader gelegen om na de ontvangst van de vergunning tot verblijf van de vader te bemerken dat zij niet meer op deze vergunning vermeld stonden en een deskundige op vreemdelingrechtelijk gebied te informeren naar de mogelijkheid om een aanvraag tot verlenging in te dienen. Ter zitting heeft verweerder nog benadrukt dat op hem niet de plicht rust om een ouder met een verblijfsvergunning, die kinderen jonger dan twaalf jaar heeft, er bij het bereiken van de twaalfjarige leeftijd van deze kinderen op te wijzen dat zij een eigen verblijfsvergunning moeten aanvragen. Verweerder hoeft niet bij te houden hoe oud de kinderen van de houder van een verblijfsvergunning zijn. Anders dan in de onderhavige zaak ging het in de uitspraak van de rechtbank waarnaar eiseressen verwijzen om de verplichtingen van verweerder ten opzichte van de vergunninghouder zelf, die zijn vergunning diende te verlengen. Bovendien gaat het in het geval van eiseressen niet om verlenging van een vergunning tot verblijf, maar om een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf. Uit het feit dat het gemakkelijk zou zijn om de noodzaak tot aanvraag van een vergunning aan de vreemdeling te melden kan niet worden afgeleid dat er ook een meldplicht bestaat, dat zou omdraaiing van het probleem zijn. Aangezien er ook niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 16a, zesde lid, van de Vw aan eiseressen vrijstelling van het mvv-vereiste had dienen te worden verleend, zijn de aanvragen terecht buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van geldige mvv's. Eiseressen zijn niet gehoord omdat daartoe, gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb geen verplichting bestond en dit evenmin door de zorgvuldigheid werd gevorderd.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

In artikel 9 van de Vw is bepaald dat het de houder van een vergunning tot verblijf is toegestaan is in Nederland te verblijven tot het tijdstip waarop de vergunning haar geldigheid verliest.

In paragraaf A4/6.13.2 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (hierna: Vc 1994) is aangegeven dat het bepaalde in artikel 9 van de Vw meebrengt dat een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf ingediend dient te worden vóór het tijdstip waarop de vergunning haar geldigheid verliest. Tevens wordt aangegeven dat de vreemdeling er op moet worden gewezen, dat het in zijn belang is de aanvraag ten minste vier weken tevoren in te dienen, aangezien in dat geval niet wordt uitgezet zo lang op de aanvraag nog niet is beslist. In dat geval wordt hij ook niet uitgesloten van eventuele voorzieningen. Indien de vreemdeling na het verstrijken van de geldigheidsduur een verzoek om verlenging doet, is hij te laat en dient hij op grond van artikel 16a van de Vw een mvv in zijn land van herkomst aan te vragen. Dit, tenzij een van de vrijstellingen genoemd in artikel 16a van de Vw en artikel 52a Vb van toepassing is.

Artikel 28, derde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen (oud, hierna: VV) bepaalt dat een door een vreemdeling ingediende aanvraag om het verlengen van de geldigheidsduur van een vergunning tot verblijf mede betrekking kan hebben op diens kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar die bij hem inwonen.

Uit artikel 19, eerste lid, van de Vw vloeit voort dat de vreemdeling dient te beschikken over de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen documenten ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

In artikel 54, eerste lid onder a, van het Vb, is bepaald dat voor houders van een vergunning tot verblijf als documenten in de zin van artikel 19, eerste lid, van de Vw worden aangewezen een geldig paspoort, waarin door de bevoegde autoriteiten de vergunning is aangetekend, dan wel een document waaruit het bestaan van de vergunning blijkt.

In artikel 31, eerste lid, van het VV is bepaald dat houders van een vergunning tot verblijf in het bezit worden gesteld van een document, waaruit het bestaan van de vergunning blijkt. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat dit niet geldt voor kinderen beneden de twaalf jaar, die bij een hunner ouders inwonen, indien in het aan deze ouder verstrekte verblijfsdocument is aangetekend dat de hem verleende vergunning tot verblijf mede voor deze kinderen geldt.

In paragraaf A4/10.1.2 van de Vc 1994 is aangegeven dat wanneer een beschikking wordt gegeven, waarbij aan de vreemdeling (voortgezet) verblijf wordt toegestaan, volledig in overeenstemming met een door hem ingediende aanvraag, dan wordt de vreemdeling door de korpschef - nadat deze de beschikking in afschrift heeft ontvangen - opgeroepen voor het stellen van aantekening in het reisdocument dan wel het uitreiken van een verblijfsdocument. Op deze wijze wordt de vreemdeling in het bezit gesteld van een identiteitsbewijs dat hij verplicht is desgevraagd te tonen aan een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen.

In paragraaf A5/4.3 van de Vc 1994 is aangegeven - kennelijk in toelichting op het bepaalde in artikel 54, eerste lid, van het Vb en artikel 31, eerste lid, van het VV - dat vreemdelingen die houders zijn van een vergunning tot verblijf als identiteitsdocument een afzonderlijk verblijfsdocument verkrijgen. Tevens is aangegeven dat de identificatieplicht voor kinderen beneden de twaalf jaar rust op de ouder(s) bij wie zij inwonen. In het verblijfsdocument van de ouder wordt de aantekening geplaatst: 'geldt tevens voor de inwonende kinderen beneden de leeftijd van 12 jaar'.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit voornoemde bepalingen onder meer worden opgemaakt dat de vergunning tot verblijf van een bij de ouder(s) inwonend kind tot twaalf jaar wordt verlengd doordat de ouder die verlenging aanvraagt van zijn eigen vergunning tot verblijf deze aanvraag tevens van toepassing verklaard op de vergunning van het kind. Nadat het inwonend kind de twaalfjarige leeftijd heeft bereikt dient ten behoeve van de verlenging van diens vergunning tot verblijf een afzonderlijke aanvraag te worden ingediend. Aangezien het tijdstip waarop dit dient te geschieden niet nader is gepreciseerd gaat de rechtbank ervan uit dat verlenging dient te worden aangevraagd op het 'normale' tijdstip, dat wil zeggen ten minste vier weken voordat de geldigheidsduur van de vergunning verstrijkt. Uit genoemde bepalingen kan in elk geval niet worden opgemaakt dat verlenging zou dienen te worden aangevraagd ter gelegenheid van het bereiken van de twaalfjarige leeftijd, ook indien de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf op dat moment nog niet is verstreken. Wat betreft het verblijfsdocument kan uit genoemde bepalingen worden opgemaakt dat indien de (afzonderlijke) aanvraag tot verlenging van de vergunning wordt ingewilligd aan het kind een eigen verblijfsdocument wordt verstrekt. Verder is weliswaar bepaald dat het kind vanaf het bereiken van de twaalfjarige leeftijd in het bezit dient te zijn van een eigen identiteitsdocument, maar niet is geregeld hoe dit document (tijdig) verkregen kan worden.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseressen vanaf hun komst naar Nederland in 1994 tot hun twaalfde verjaardag (in resp. 1996 en 1998) beschikten over een vergunning tot verblijf. Naar het oordeel van de rechtbank had de vader van eiseressen, gelet op het bovenstaande, toen hij in respectievelijk januari 1997 en januari 1999 verzocht om verlenging van zijn eigen vergunning tot verblijf, tevens afzonderlijk voor eiseressen verlenging van hun vergunning tot verblijf dienen aan te vragen. Ten behoeve van eiseressen zijn echter pas op 4 mei 1999 daartoe strekkende aanvragen ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 28, derde lid, van het VV, de aanvragen ten onrechte aangemerkt als (eerste) aanvragen om verlening van vergunningen tot verblijf. De aanvragen hadden dienen te worden aangemerkt als (niet-tijdige) aanvragen om verlenging van de reeds aan eiseressen verleende vergunningen tot verblijf. Dit is van belang aangezien in het geval van een (niet tijdige) verlenging van een vergunning tot verblijf vrijstelling van het mvv-vereiste mogelijk is op grond van het bepaalde in artikel 52a, aanhef en onder a (juncto onder e) van het Vb. In geval van een eerste aanvraag is vrijstelling van het mvv-vereiste alleen mogelijk zijn op grond van de hardheidsclausule. Dat de vrijstellingsgrond van artikel 52a, aanhef en onder a juncto onder e van toepassing zou kunnen zijn op de aanvragen van eiseressen is door verweerder niet betwist, maar strookt niet met zijn standpunt dat de aanvragen van eiseressen dienen te worden aangemerkt als aanvragen om verlening van vergunningen tot verblijf.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvragen van 4 mei 1999 (welke gelet op bovenstaande dienen te worden aangemerkt als aanvragen om verlenging van de vergunningen tot verblijf van eiseressen), niet tijdig, althans niet vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van deze vergunningen, zijn ingediend. Met betrekking tot de vraag of de termijnoverschrijding voor het indienen van de aanvragen verschoonbaar kan worden geacht - in welk geval aan eiseressen, gelet op het bepaalde in artikel 52a, onder e, van het Vb, vrijstelling zou dienen worden verleend van het mvv-vereiste - overweegt de rechtbank het volgende.

Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat verweerder bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In het onderhavige geval heeft naar het oordeel van de rechtbank een dergelijke zorgvuldige voorbereiding van het besluit niet plaatsgevonden. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder, gelet op het bovenstaande, bij het nemen van het besluit kennelijk een onjuist wettelijk kader voor ogen heeft gehad. Weliswaar heeft verweerder in dit (onjuiste) kader terecht de vraag beantwoord of de termijnoverschrijding bij het indienen van de aanvragen verschoonbaar kan worden geacht, maar zijn negatieve antwoord op deze vraag is naar het oordeel van de rechtbank gebaseerd op een onjuiste feitelijke grondslag.

Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder er in zijn besluit vanuit is gegaan dat eiseressen persoonlijk op de vergunning tot verblijf van hun vader stonden vermeld en daarop vanaf hun twaalfde niet meer stonden vermeld, zodat het eiseressen en hun vader toen duidelijk moet zijn geweest dat zij een eigen vergunning tot verblijf dienden aan te vragen. Eiseressen hebben echter een kopie van het verblijfsdocument van de vader overgelegd waaruit blijkt dat hierop alleen staat vermeld "Tevens geldig voor de inwonende kinderen van de houder die jonger zijn dan 12 jaar". Dit strookt met het bepaalde in paragraaf A5/4.3 van de Vc 1994. Nu tegen deze stelling door verweerder niets is ingebracht gaat de rechtbank ervan uit dat eiseressen niet persoonlijk op het verblijfsdocument van hun vader stonden vermeld. Tevens heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzocht in hoeverre er aan eiseressen dan wel aan hun vader feitelijk enige informatie is verstrekt omtrent de noodzaak tot het aanvragen van een eigen vergunning tot verblijf voor kinderen die de twaalfjarige leeftijd bereiken. Daartoe overweegt de rechtbank dat het standpunt van verweerder dat de regel dat vreemdelingen vanaf hun twaalfde jaar zelfstandig een vergunning dienen aan te vragen dan wel te verlengen als kenbaar kan worden beschouwd, niet kan worden gevolgd, althans niet voorzover hiermee bedoeld wordt dat verweerder naast publicatie van de regelgeving en het betreffende beleid niet gehouden zou zijn tot enige vorm van informatievoorziening. Daartoe overweegt de rechtbank dat in paragraaf A4/6.13.2 van de Vreemdelingencirculaire 1994 is aangegeven dat de vreemdeling moet worden gewezen op het belang om tijdig verlenging van de vergunning tot verblijf aan te vragen. Hieruit maakt de rechtbank op dat verweerder erkent ook zelf enige verantwoordelijkheid te hebben om de vreemdeling te wijzen op het belang van tijdige verlening van de vergunning tot verblijf. Dat verweerder deze verantwoordelijkheid erkent maakt de rechtbank ook op uit verweerders antwoord op vragen (van 26 oktober 1998) van de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer. Meegedeeld werd:

"Het tijdig vragen van verlenging behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling. Ik ben ervan overtuigd dat de vreemdeling het belang van een tijdige verlenging inziet en daar naar zal handelen. De belangen van de vreemdeling bij voortgezet verblijf, bijvoorbeeld voor de opbouw van rechten door onafgebroken verblijf op grond van een verblijfstitel, zijn immers groot. Van de zijde van de overheid mogen ook inspanningen worden verwacht. De overheid zal bij afgifte van de vergunning en drie maanden voor afloop van de geldigheidsduur op het belang van een tijdige verlenging worden gewezen" (Kamerstukken II 1998/99, 19637, nr. 381, p. 8).

Uit deze passage maakt de rechtbank op dat verweerder enerzijds uitgaat van de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om te zorgen voor een tijdige verlenging van zijn verblijfsvergunning, maar dat hij anderzijds erkent ook zelf een verantwoordelijkheid te hebben om de vreemdeling te wijzen op het belang van een tijdige verlenging van zijn verblijfsvergunning. Hoewel de geciteerde passage niet expliciet ziet op de situatie dat vreemdelingen zelfstandig hun vergunning dienen te verlenging in verband met het bereiken van de twaalfjarige leeftijd, acht de rechtbank deze in het onderhavige geval toch relevant. In ieder geval kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van deze passage uit de parlementaire geschiedenis een verantwoordelijkheid aan de zijde van het bestuursorgaan te worden aangenomen voor althans enige vorm van informatievoorziening (naast publicatie van de regelgeving). Nu in het onderhavige geval door de vader van eiseressen is aangegeven dat hij niet wist dat zijn dochters zelfstandig een vergunning dienden aan te vragen dan wel te verlengen en niet is gebleken dat enige vorm van informatievoorziening heeft plaatsgevonden, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nader onderzoek, waarvan het horen van (de vader van) eiseressen een voor de hand liggend onderdeel was geweest, dan wel zonder nadere motivering kunnen concluderen dat de termijnoverschrijding voor het aanvragen van de vergunning tot verblijf niet verschoonbaar was.

5. Uit het voortgaande vloeit voort dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede wegens strijd met het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7:15 van de Awb. De verdere gronden van het beroep worden, gelet op deze uitkomst, onbesproken gelaten.

6. Het beroep is derhalve gegrond.

7. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op

644,00 euro (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van 322,00 euro en wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten van 644,00 euro, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht van 102,10 euro (fl.225,00) vergoedt.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. B.J. Duinhof en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2002, in tegenwoordigheid van drs. M. Wiersma, griffier.

afschrift verzonden op: 10 september 2002