Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1000

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2002
Datum publicatie
22-11-2002
Zaaknummer
AWB 01/42703
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Traumatabeleid / doorprocederen na verlening vtv bepaalde tijd / privé-sfeer.

Uit de parlementaire geschiedenis (TK 1999-2000, 26732, nrs. 3 en 7) blijkt dat met de (b en) c-grond(en) beoogd is alle gronden op te nemen die onder de Vw leidden tot een vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard, behalve diegenen die onder de Vw voor een verblijfsvergunning in aanmerking kwamen na drie jaar in het bezit te zijn geweest van een vvtv. Bevestigd is dat het vigerende traumatabeleid gehandhaafd zal worden en verweerder heeft aangegeven voornemens te zijn het traumatabeleid van werkinstructie 31 over te hevelen naar de Vc 2000. In hoofdstuk C1/4.2.4 Vc 2000 is vervolgens alleen het traumatabeleid opgenomen zoals dat -grotendeels- ook in de werkinstructie was opgenomen, met dien verstande dat bij de opsomming van traumatische gebeurtenissen is opgenomen dat deze opsomming limitatief is.

Omdat het evenwel blijkens de parlementaire geschiedenis niet de bedoeling was de gronden voor toelating te beperken is bij TBV 2001/29 van 20 september 2001 ook onder de werking van de c-grond gebracht de asielzoeker van wie wegens bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard, anders dan traumata, niet in redelijkheid kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst. In hoofdstuk C/4.2.4 Vc 2000 is inmiddels het onderdeel "Bijzondere individuele klemmende redenen van huma-niitaire aard" opgenomen. Hieruit volgt dat na 1 april 2001 traumata of andere bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard als bedoeld in hoofdstuk C1/4.2 Vc 2000 leiden tot verlening of weigering van een vergunning tot verblijf asiel en dat beoogd is het beleid zoals dat onder de Vw werd gevoerd voort te zetten onder de Vw 2000.

In de thans bestreden beschikking is slechts overwogen dat de verkrachting die plaatshad in de privé-sfeer, niet valt onder de limitatieve opsomming in hoofdstuk C1/4.2.2 Vc 2000 en dat er blijkens de nota van de Geneeskundige Inspectie geen medische noodzaak tot verblijf in Nederland is aangetoond. De beschikking geeft er aldus geen blijk van dat verweerder acht heeft geslagen op hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 15 juni 2001 heeft overwogen, waaronder de conclusie dat (en waarom) van eiseres niet kan worden verlangd dat zij terugkeert naar haar land van herkomst. Ook heeft verweerder niet onderkend dat geen sprake is van een beoogde beleidswijziging na 1 april 2001 en dat verweerder de aanvraag diende te toetsen aan hetzelfde traumatabeleid als het beleid waarover de rechtbank in de uitspraak van 15 juni 2001 had geoordeeld. Daar komt nog bij dat niet is bezien of er aanleiding was op grond van bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard tot vergunningverlening over te gaan. Dit laatste was ten tijde van de beschikking niet in het beleid opgenomen, maar had dat gezien de wetsgeschiedenis wel behoren te zijn en verweerder kan zich er derhalve niet op beroepen dat zulks destijds geen beleid was. Dit geldt temeer nu in hoofdstuk C1/4.2.4 Vc 2000 inmiddels het onderdeel 'Bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard' is opgenomen. Verweerder had derhalve, indien hij van oordeel was dat eiseres niet in aanmerking kwam voor een vergunning op grond van het traumatabeleid, moeten bezien of sprake was van bijzondere individuele omstandigheden die tot vergunningverlening hadden behoren te leiden. Beroep deels niet-ontvankelijk, deels gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 01/42703

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1959,

van Syrische nationaliteit,

IND dossiernummer 9509.21.8021,

gemachtigde: mr. N. Wittich-Schmidt, advocaat te Goor,

eiseres;

tegen:

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

gemachtigde: mr. A. van Blankenstein, advocaat te 's-Gravenhage,

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 21 september 1995 heeft eiseres aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Bij beschikking van 20 december 1995, uitgereikt op 25 januari 1996, heeft verweerder beslist de aanvragen niet in te willigen. Bij brief van 5 februari 1996 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij beschikking van 11 september 1998 ongegrond verklaard. Bij brief van 13 oktober 1998 is daartegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, d.d. 15 juni 2001, Awb 98/5319 is het beroep gegrond verklaard.

1.2 Bij brief van 18 juni 2001 heeft eiseres naar aanleiding van voornoemde uitspraak verzocht in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Voorts is eiseres van mening dat haar echtgenoot en kinderen in het bezit dienen te worden gesteld van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder f Vw 2000.

1.3 Bij beschikking van 2 augustus 2001 is het bezwaar andermaal ongegrond verklaard maar is eiseres wel in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking 'tijdsverloop in de asielprocedure', met ingang van 21 september 1998, geldig tot 21 september 2003. Bij brief van 29 augustus 2001 is daartegen beroep ingesteld.

1.4 Het beroep is ter zitting van woensdag 26 juni 2002 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vw 2000 in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. Nu het bestreden besluit dateert van na 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het thans geldende recht van toepassing.

3 Standpunten

3.1 Eiseres stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat zij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder c Vw 2000 (voorheen een vergunning tot verblijf op grond van redenen van humanitaire aard). Eiseres meent daarnaast dat zij reeds voor 1 april 2001 een vergunning tot verblijf zonder beperking had moeten verkrijgen nu zij op 21 september 1998 aan de voorwaarden voldeed voor een vergunning op grond van het driejarenbeleid, zoals neergelegd in paragraaf A/6.22.2. Vc 1994. Deze vergunning zou dan op grond van artikel 115, eerste lid aanhef juncto artikel 115, vierde lid Vw 2000 van rechtswege worden omgezet naar een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

3.2 In de bestreden beschikking heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw 2000 nu de verkrachting in de privé-sfeer heeft plaatsgevonden. Het traumatabeleid, zoals neergelegd in paragraaf C1 deel 4 onder 4 Vc 2000, is alleen van toepassing indien de traumatische ervaringen zijn veroorzaakt van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan of groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden.

In het verweerschrift stelt verweerder dat eiseres, gelet op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 15 juni 2001, Awb 98/5319 terecht niet in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw 2000. Derhalve zou eiseres uitsluitend nog in aanmerking kunnen komen voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, hetzij onder de beperking "medische behandeling", hetzij onder de beperking "klemmende redenen van humanitaire aard". Nu een dergelijke verblijfsvergunning, net als de verblijfsvergunning op grond van tijdsverloop, een verblijfsvergunning is in de zin van artikel 14 Vw 2000, kan eiseres derhalve geen sterkere titel verkrijgen dan zij al heeft. Nu eiseres ook overigens niet heeft aangegeven waarin haar belang om voort te procederen is gelegen, is verweerder van mening dat zij geen belang heeft bij de onderhavige beroepsprocedure. Het beroep op de eerbiedigende werking, op grond waarvan haar een vergunning tot verblijf zonder beperking (zoals deze voor 1 april 2001 bestond) had moeten worden gegeven, kan niet slagen. Hiervoor verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 5 maart 2002, JV 2002/127.

3.3 De rechtbank oordeelt als volgt.

In zoverre het beroep zich richt tegen de beslissing eiseres op grond van tijdsverloop een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in plaats van voor onbepaalde tijd te verlenen, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat het bestreden besluit in zoverre als een primair besluit dient te worden aangemerkt. Tegen een dergelijk besluit dient alvorens beroep kan worden ingesteld eerst bezwaar te worden gemaakt, en de rechtbank zal het beroepschrift in zoverre dan ook op de voet van artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan verweerder doorzenden.

3.4 In geschil is vervolgens of verweerders beslissing eiseres geen verblijfsvergunning asiel voor (on)bepaalde tijd te verlenen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

3.5 In de uitspraak van 15 juni 2001, waarbij is getoetst aan de Vw 1965, is overwogen dat eiseres niet aangemerkt kan worden als vluchteling aangezien er geen sprake is van gegronde vrees voor vervolging.

3.6 Tevens is overwogen dat op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw 1965 een vergunning tot verblijf verleend kon worden -onder meer- indien sprake was van klemmende redenen van humanitaire aard. In dat kader voerde verweerder een "traumatabeleid", dat was neergelegd in werkinstructie 31. De rechtbank heeft overwogen dat het door verweerder gevoerde traumatabeleid in werkinstructie 31 niet in de weg staat aan het in aanmerking nemen van een opgelopen trauma in het kader van de beoordeling van de vraag of sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die eiseres aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf. Ook is overwogen dat het niet zo kan zijn dat de in werkinstructie 31 opgenomen opsomming van traumatische ervaringen die aanleiding kunnen geven tot verlening van een vergunning tot verblijf op grond van het traumatabeleid een zodanige beperking oplevert dat een trauma ontstaan door verkrachting die niet binnen de opsomming valt nimmer kan leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning. De rechtbank is in genoemde uitspraak op grond van een aantal omstandigheden tot de conclusie gekomen dat van eiseres niet kan worden verlangd dat zij naar Syrië terugkeert.

3.7 Ingevolge artikel 14, tweede lid, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. De beperking klemmende redenen van humanitaire aard is niet één van de beperkingen als genoemd in artikel 3.4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), waarin vermeld wordt onder welke beperkingen de reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 14, tweede lid, van de Wet kan worden verleend.

3.8 In artikel 29, eerste lid, onder c, Vw 2000, is bepaald dat een verblijfsvergunning asiel kan worden verleend aan de vreemdeling van wie naar het oordeel van de Minister van Justitie op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst. Blijkens paragraaf C1/4.1 in de Vreemdelingen-circulaire 2000 (Vc 2000) is hierbij in de eerste plaats gedacht aan de vreemdeling die getraumatiseerd is.

Uit de parlementaire geschiedenis (TK 1999-2000, 26732, nrs. 3 en 7) blijkt dat met de (b en) c-grond(en) beoogd is alle gronden op te nemen die onder de Vw leidden tot een vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard, behalve diegenen die onder de Vw voor een verblijfsvergunning in aanmerking kwamen na drie jaar is het bezit te zijn geweest van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf. Bevestigd is dat het vigerende traumatabeleid gehandhaafd zal worden en verweerder heeft aangegeven voornemens te zijn het traumatabeleid van werkinstructie 31 over te hevelen naar de Vc 2000.

In paragraaf C1/4.2 Vc 2000 is vervolgens alleen het traumatabeleid opgenomen zoals dat -grotendeels- ook in de werkinstructie was opgenomen, met dien verstande dat bij de opsomming van traumatische gebeurtenissen is opgenomen dat deze opsomming limitatief is.

Omdat het evenwel blijkens de parlementaire geschiedenis niet de bedoeling was de gronden voor toelating te beperken is bij TBV 2001/29 van 20 september 2001 ook onder de werking van de c-grond gebracht de asielzoeker van wie wegens bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard, anders dan traumata, niet in redelijkheid kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst. In paragraaf C/4.2.4 Vc 2000 is inmiddels het onderdeel "Bijzondere individuele klemmende redenen van huma-niitaire aard" opgenomen.

3.9 Hieruit volgt dat na 1 april 2001 traumata of andere bijzondere individuele klemmende rede-nen van humanitaire aard als bedoeld in paragraaf C1/4.2 Vc 2000 leiden tot verlening of weigering van een vergunning tot verblijf asiel en dat beoogd is het beleid zoals dat onder de Vw werd gevoerd voort te zetten onder de Vw 2000.

Verweerders stelling dat in onderhavig geval gelet op de uitspraak van de rechtbank van 15 juni 2001 uitsluitend nog aan de orde is de vraag of eiseres in aanmerking kan komen voor een reguliere verblijfsvergunning, snijdt dan ook geen hout.

3.10 Aangezien eiseres thans alleen een reguliere vergunning voor bepaalde tijd (5 jaar) heeft, heeft zij, gelet op de betere materiële rechtspositie die aan de verblijfsvergunning asiel is verbonden, belang bij het doorprocederen voor de verblijfsvergunning asiel.

3.11 De rechtbank verstaat de onder rechtsoverwegingen 3.5 en 3.6 opgenomen overwegingen uit de uitspraak van 15 juni 2001 aldus dat een trauma als waarvan in het onderhavige geval sprake is kan leiden tot vergunningverlening, mits sprake is van bijkomende omstandigheden. De rechtbank laat daarbij in het midden of alsdan een ruimere toepassing aan het traumata-beleid gegeven zou moeten worden dan wel er op grond van de bijzondere omstandigheden van het individuele geval overgegaan zou moeten worden tot vergunningverlening.

3.12 In de thans bestreden beschikking is slechts overwogen dat de verkrachting die plaatshad in de privé-sfeer, niet valt onder de limitatieve opsomming van paragraaf C1/4.2.2 Vc 2000 en dat er blijkens de nota van de Geneeskundige Inspectie van 16 april 1997 geen medische noodzaak tot verblijf in Nederland is aangetoond.

De beschikking geeft er aldus geen blijk van dat verweerder acht heeft geslagen op hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 15 juni 2001 heeft overwogen, waaronder de conclusie dat (en waarom) van eiseres niet kan worden verlangd dat zij terugkeert naar haar land van herkomst. Ook heeft verweerder niet onderkend dat geen sprake is van een beoogde beleidswijziging na 1 april 2001 en dat verweerder de aanvraag diende te toetsen aan hetzelfde traumatabeleid als het beleid waarover de rechtbank in de uitspraak van 15 juni 2001 had geoordeeld. Daar komt nog bij dat niet is bezien of er aanleiding was op grond van bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard tot vergunningverlening over te gaan. Dit laatste was ten tijde van de beschikking niet in het beleid opgenomen, maar had dat gezien de wetsgeschiedenis wel behoren te zijn en verweerder kan zich er derhalve niet op beroepen dat zulks destijds geen beleid was. Dit geldt temeer nu in paragraaf C/4.2.4 Vc 2000 inmiddels het onderdeel "Bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard is opgenomen. Verweerder had derhalve, indien hij van oordeel was dat eiseres niet in aanmerking kwam voor een vergunning op grond van het traumatabeleid, moeten bezien of sprake was van bijzondere individuele omstandigheden die tot vergunningverlening hadden behoren te leiden.

3.13 De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit -wederom- een draagkrachtige motivering ontbeert en derhalve is genomen in strijd met artikel 7:12 Awb.

3.14 Het beroep is gegrond en verweerder zal opnieuw moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak en die van 15 juni 2001 is overwogen. In de omstandigheden van het geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder op te dragen binnen 6 weken een nieuwe beslissing te nemen.

3.15 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op 644,- euro in verband met kosten van verleende rechtsbijstand.

4 BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen de ingangsdatum van de verleende reguliere verblijfsvergunning;

- verklaart het beroep voor het overige gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na heden opnieuw op het bezwaarschrift dient te beslissen met inachtneming van deze uitspraak en die van 15 juni 2001;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van 644,- euro, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman in tegenwoordigheid van mr. Y. Adams als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2002

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 4 juli 2002