Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF0998

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-07-2002
Datum publicatie
22-11-2002
Zaaknummer
AWB 01/55158, e.v.
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AF9471
Rechtsgebieden
Strafrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

in verbinding met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000

en artikel 7.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000

Reg.nr : AWB 01/55158 BEPTDN, AWB 01/55161 BEPTDN,

AWB 01/55164 BEPTDN, AWB 01/55667 BEPTDN

Inzake : A, eiser sub 1, B, eiseres, mede namens hun vier minderjarige kinderen, C, D, E en F en eisers broer (eiser sub 2), G, gezamenlijk eisers.

Gemachtigde, mr. H.P.H.M. Teunissen, advocaat te Venlo.

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

Gemachtigde mr. C.C.H.T. Coert, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 22 juli 2002 treedt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats van de Staatssecretaris van Justitie als het bevoegde bestuursorgaan inzake vreemdelingenzaken. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de Staatssecretaris van Justitie.Eiser, geboren op [...] 1944, eiseres, geboren op [...] 1960, hun, ten tijde van de aanvraag, vier minderjarige kinderen en eisers broer, geboren op [...] 1947, bezitten de Joegoslavische nationaliteit. Zij verblijven sedert 31 mei 1998 als vreemdelingen in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2002-07-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

zittinghoudende te Maastricht

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

in verbinding met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000

en artikel 7.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000

Reg.nr : AWB 01/55158 BEPTDN, AWB 01/55161 BEPTDN,

AWB 01/55164 BEPTDN, AWB 01/55667 BEPTDN

Inzake : A, eiser sub 1, B, eiseres, mede namens hun vier minderjarige kinderen, C, D, E en F en eisers broer (eiser sub 2), G, gezamenlijk eisers.

Gemachtigde, mr. H.P.H.M. Teunissen, advocaat te Venlo.

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

Gemachtigde mr. C.C.H.T. Coert, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 22 juli 2002 treedt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats van de Staatssecretaris van Justitie als het bevoegde bestuursorgaan inzake vreemdelingenzaken. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de Staatssecretaris van Justitie.Eiser, geboren op [...] 1944, eiseres, geboren op [...] 1960, hun, ten tijde van de aanvraag, vier minderjarige kinderen en eisers broer, geboren op [...] 1947, bezitten de Joegoslavische nationaliteit. Zij verblijven sedert 31 mei 1998 als vreemdelingen in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland.

Op 2 juni 1998 hebben zij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling. Bij afzonderlijke beschikkingen van 17 juni 1999 is aan eisers een voorlopige vergunning tot verblijf (vvtv) verleend met ingang van 21 april 1999. Bij afzonderlijke beschikkingen van 6 april 2000 heeft verweerder de voorlopige vergunningen tot verblijf van eisers met onmiddellijke ingang ingetrokken.

Verweerder heeft eisers op 31 juli 2001 schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af te wijzen. Daarop hebben eisers hun zienswijze schriftelijk naar voren gebracht.

Bij afzonderlijke beschikkingen van 21 september 2001 (kenmerk IND 9806-01-2013, Crv-nummer 914.013.1208 t.a.v. eiser sub 1; kenmerk IND 9806-01-2013, Crv-nummers 914.013.1209/914.013.1210/914.013.1211/914.013.1212 t.a.v. eiseres en de kinderen Adeline, Hatixhe en Rexhep; kenmerk IND 9806-01-2014, Crv-nummer 914.013.1213 t.a.v. het kind Shadan; kenmerk IND 9806-01-2015, Crv-nummer 914.013.1214 t.a.v. eiser sub 2) heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Op 19 oktober 2001 hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 11 juni 2002. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen B. Bytyci als tolk.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 117, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) zijn de aanvragen van eisers om toelating als vluchteling aangemerkt als aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 van de Vw 2000.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking komen.

3. Eisers menen dat zij wel aanspraak kunnen maken op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daartoe hebben zij onder meer aangevoerd dat zij afkomstig zijn uit Kosovo. Eisers geestelijk gehandicapte broer leeft samen met het gezin van eiser. Eiser was lid van de Lidhja Demokratike e Kosvovës (hierna: LDK). Voorts was eiser als vrijwilliger werkzaam bij de humanitaire hulporganisatie Stichting Moeder Theresa. Hij distribueerde als chauffeur voedsel en medicijnen onder de bevolking van Kosovo. Eiser is tussen 20 en 22 maart 1998 aangehouden door de politie op verdenking van het vervoeren van wapens. De dag nadat eiser is aangehouden, is hij door de politie in zijn woning opgehaald voor verhoor. Bij dit verhoor is eiser geslagen en geschopt. Eiser heeft na twee à drie dagen zijn werkzaamheden weer hervat. Op 4 of 5 mei 1998 is eiser wederom onderweg door de politie aangehouden. Ook nu werd eiser de dag na aanhouding door de politie opgehaald voor verhoor. Bij dit verhoor is eiser eveneens geslagen en is hij bedreigd met de dood indien hij zijn werkzaamheden zou voortzetten. Op 20 of 22 mei is de politie voor een derde maal op eisers adres verschenen. Eiser was niet thuis en heeft van zijn vrouw vernomen dat de politie naar hem op zoek was. Hij is daarop naar een vriend in een nabijgelegen dorp gevlucht. Op 24 mei 1998 is eiser met zijn vrouw, drie van zijn vier kinderen en zijn geestelijk gehandicapte broer naar Nederland gevlucht. Zijn dochter H verbleef op het moment van hun plotselinge vertrek bij haar grootouders. Zij is op een later tijdstip naar Nederland gekomen. H is bij beschikking van 31 juli 2001 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, lid 1, onder c, van de Vw 2000. De asielrelazen van eiseres en eisers broer zijn afhankelijk van eisers relaas.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1. Op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel, als bedoeld in artikel 28 van de wet, worden verleend aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is. Ingevolge artikel 1A, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Vooropgesteld moet worden dat de situatie in de Federale Republiek Joegoslavië (hierna: FRJ) in het algemeen en in de provincie Kosovo in het bijzonder niet zodanig is dat vreemdelingen afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Eisers zullen dus aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hen persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die hun vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

De rechtbank is van oordeel dat eisers daarin niet zijn geslaagd.

4.2. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat met het vredesakkoord van 3 juni 1999 een nieuwe situatie is ontstaan in Kosovo. Blijkens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 25 januari 2001 is de veiligheidssituatie in Kosovo sinds de komst van de United Nations Interim Mission (hierna: UNMIK) en de "Kosovo Force" (hierna: KFOR) in juni 1999 verbeterd. De Serviërs zijn niet langer een machtsfactor in Kosovo; Kosovo Albanezen hebben niet langer te vrezen voor discriminatie of geweld door de Servische staat. In voorkomende gevallen kunnen eisers de bescherming inroepen van de KFOR dan wel van de UNMIK. Niet is gebleken dat de UNMIK dan wel de KFOR aan eisers geen bescherming kunnen of willen bieden.

Voor wat betreft eisers vrees voor vervolging op grond van zijn LDK lidmaatschap overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is dat eiser op grond daarvan te vrezen heeft voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser heeft weliswaar verklaard lid te zijn geweest van de LDK, doch geen politieke activiteiten te hebben verricht. Niet is aannemelijk dat eiser op grond van zijn politieke voorkeur in de bijzondere, negatieve aandacht van de autoriteiten is komen te staan. Te meer daar blijkens voornoemd ambtsbericht van 25 januari 2001 de LDK tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 2000 de grootste partij is gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers terecht niet heeft aangemerkt als verdragsvluchtelingen.

4.3. Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder b van de Vw 2000 dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkene gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt te worden onderworpen aan folteringen, dan wel aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen is zulks ten aanzien van eisers niet aannemelijk geworden.

4.4. Ten aanzien van de vraag of eisers met succes een beroep kunnen doen op het door verweerder ter uitvoering van artikel 29, eerste lid onder c van de Vw 2000 gevoerde traumatabeleid, stelt de rechtbank voorop dat, gelet op hetgeen hiervoor onder punt 1 is overwogen, verweerder de vraag of eiser op grond van laatstgenoemde wettelijke bepaling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, terecht heeft getoetst aan onderdeel C1 4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van eiser niet is gebleken van een der in onderdeel 4.2.2 van de Vc 2000 limitatief opgesomde gebeurtenissen. Met verweerder overweegt de rechtbank dat eiser weliswaar heeft gesteld te zijn mishandeld door de Servische politie, maar dat niet is gebleken van ernstige mishandeling in de zin van voornoemd beleid. Evenals verweerder acht de rechtbank daarbij van belang dat niet is gebleken dat eiser zich na de gestelde mishandeling onder doktersbehandeling heeft moeten stellen, terwijl evenmin is gebleken dat eiser zich in Nederland onder specialistische hulp heeft moeten stellen. Ten aanzien van de overige eisers is de rechtbank evenmin gebleken van omstandigheden die aanleiding zouden kunnen zijn voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, van de Vw 2000.

4.5. Ten aanzien van eisers aanspraak op een verblijfsvergunning op grond van categoriaal beschermingsbeleid overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de vreemdeling voor wie terugkeer naar het oordeel van de Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Met deze bepaling is artikel 12b, eerste lid, van de Vw met betrekking tot de voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv), in de huidige wet verwerkt. In hoofdstuk C1/4.5 van de Vc 2000 en artikel 3.106 van het Vb 2000 zijn de indicatoren genoemd die worden betrokken in de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000. De indicatoren zijn: de aard van het geweld in het land van herkomst, de activiteiten van internationale organisaties ten aanzien van het land van herkomst en het beleid in andere landen van de Europese Unie. Op grond van de wet heeft de minister een beleids- en beoordelingsvrijheid terzake van de beoordeling van de vraag of verlening van categoriale bescherming opportuun is.

In de zogenaamde "indicatorenbrief" van verweerder aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 18 december 1997 (TK 1997-1998, 19 537, nr. 308) en de daarbij behorende bijlage heeft verweerder aangegeven welke uitgangspunten hij hanteert bij de besluitvorming inzake de invoering, voortzetting en beëindiging van het vvtv-beleid. Zoals de toenmalige Rechtseenheidkamer van deze rechtbank reeds overwoog in haar uitspraak van 17 november 1998 (JV 1998/217) is er geen aanleiding de wijze waarop verweerder aldus invulling heeft gegeven aan zijn beoordelings- en beleidsvrijheid, onredelijk te achten. De vraag of eiser aanspraak had op verlening van een verblijfsvergunning op grond van categoriaal beschermingsbeleid zal dan ook moeten worden bezien tegen de achtergrond van deze indicatoren.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot de conclusie, gebaseerd op eerdergenoemd ambtsbericht van 25 januari 2001, dat de algemene situatie in Kosovo niet zodanig is dat gedwongen verwijdering van afgewezen asielzoekers naar Kosovo van onevenredige hardheid zou zijn.

4.6. Voor zover eiser sub1 en eiseres zich beroepen op aanspraak op een afgeleide verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e en f, van de Vw 2000 overweegt de rechtbank als volgt.

Een verblijfsvergunning asiel kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, van de Vw 2000 worden verleend aan de echtgenoot, de echtgenote of het minderjarige kind van de vreemdeling die een verblijfstitel heeft gekregen op basis van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Op grond van artikel 29, eerste lid, onder f, van de Vw 2000, kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van een vreemdeling met een verblijfstitel op basis van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, dat hij om die reden behoort tot het gezin van deze vreemdeling. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet gesteld kan worden dat eiser sub 1 en eiseres onder de reikwijdte vallen van artikel 29, eerste lid, onder e en f, van de Vw 2000. De vreemdelingenwet heeft niet voorzien in een situatie als in de onderhavige zaak. Dat, zoals in het beroepschrift is betoogd, in de (hypothetische) situatie waarin aan eiser sub 1 en eiseres een traumata-vtv zou zijn verleend, het gehele zin wel recht zou hebben gehad op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd maakt dat, althans naar de maatstaven van het nationale recht gemeten, niet anders.

4.7. In dit verband verdient tenslotte nog bespreking dat namens eisers in beroep is aangevoerd dat een en ander tot gevolg heeft dat de dochter van eisers, Albine, alleen in Nederland achter zal blijven en dat het gezinsleven van haar ouders, broers, zussen en oom met Albine niet langer in Nederland zou kunnen plaatsvinden. Eisers stellen zich op het standpunt dat dit een schending inhoudt van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Daarentegen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het EVRM buiten de beoordeling van de huidige asielaanvraag valt en dat toetsing aan deze bepaling pas aan de orde komt bij een eventueel nog in te dienen reguliere aanvraag. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder dit standpunt aldus verwoord dat aan artikel 8 van het EVRM niet meer in de asielprocedure wordt getoetst, maar enkel in een reguliere procedure.

4.7.1. Dienaangaande stelt de rechtbank voorop dat het standpunt, als zou artikel 8 van het EVRM geen rol kunnen spelen in de asielprocedure, gelet op vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), evident onjuist is. Zulks blijkt ook impliciet uit de wettelijke regeling zelf, nu de in artikel 29, eerste lid, onder e en f, van de Vw 2000 opgenomen bepalingen, die onderdeel uitmaken van de wettelijke regeling van de asielprocedure, in wezen een uiting vormen van het in artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op respect voor het familie- en gezinsleven.

De rechtbank overweegt voorts dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat voor de beantwoording van de vraag of de Staat een op hem krachtens artikel 8 van het EVRM rustende verplichting heeft geschonden, aan de kwalificatie van deze verplichting als negatief of positief in die zin geen betekenis meer toekomt dat, ongeacht deze kwalificatie, voor de beantwoording van de vraag of artikel 8 van het EVRM is geschonden bepalend is of een juiste afweging heeft plaatsgevonden tussen het door betrokkene ingeroepen recht op bescherming van zijn familie- en gezinsleven en het algemeen belang waarop de Staat zich beroept. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het woord "inmenging" uit het eerste lid van artikel 8 van het EVRM dan ook niet louter betrekking op negatieve verplichtingen.

4.7.2. Op grond van vaste jurisprudentie van het EHRM verplicht artikel 8 van het EVRM verdragsstaten weliswaar niet de vrije keuze van de plaats van de uitoefening van het gezinsleven te accepteren, maar kan dit anders zijn als er obstakels zijn die aan uitoefening van familie- en gezinsleven in het land van herkomst in de weg staan of als er speciale redenen zijn waarom dat niet kan worden gevergd (zie recentelijk EHRM 21 december 2001, Sen. t. Nederland, JV 2002, 30 m.nt. Van Walsum en NJCM-Bulletin, jrg. 27 (2002), nr. 5, p. 625 e.v. m.nt. Boules).

4.7.3. De rechtbank stelt vast dat de in geding zijnde afwijzingen van verblijfsvergunningen asiel en het hieraan voor eiser sub 1 en eiseres op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 verbonden gevolg dat zij niet langer rechtmatig in Nederland verblijven en, na ommekomst van de in artikel 62 van de Vw 2000 gestelde termijn, uit Nederland kunnen worden verwijderd, een inmenging vormt met hun recht op respect voor hun familie- en gezinsleven met hun dochter Albine, nu zij als rechtstreeks gevolg van de bestreden besluiten van Albine dreigen te worden gescheiden. Met deze inmenging is het aan eiser sub 1 en eiseres op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM toekomende recht op respect van hun familie- en gezinsleven geschonden, tenzij deze inmenging op grond van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM kan worden gerechtvaardigd. Hiertoe is vereist dat de inmenging (1) bij wettelijke regeling is voorzien (is in accordance with the law), (2) dat deze wettelijke regeling strekt tot een of meer van de in de bepaling opgesomde legitieme doelstellingen en (3) in een democratische samenleving noodzakelijk (necessary in a democratic society) kan worden geacht. Bij dit laatste criterium gaat het om de vraag of de inbreukmakende maatregel gerechtvaardigd is door een dringend maatschappelijke noodzaak (justified by a pressing social need), en vooral (zie EHRM 2 augustus 2001, Boultif t. Zwitserland, NJCM-Bulletin, jrg. 27 (2002), nr. 5, p. 616 e.v. m.nt. Boules) of de maatregel evenredig is aan het met de maatregel nagestreefde doel.

4.7.4. Aan het eerste vereiste is, gelet op hetgeen in de voorgaande paragrafen is overwogen, voldaan. Voor wat het tweede vereiste betreft overweegt de rechtbank dat de bestreden besluiten geacht moeten worden te strekken tot het economisch welzijn van Nederland. De rechtbank tekent hierbij aan dat noch in het bestreden besluit, noch in de overige gedingstukken aanknopingspunten te vinden zijn voor de stelling dat de bestreden besluiten tevens zouden strekken tot een of meer andere in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM genoemde doelstellingen.

4.7.5. Bij de in het kader van het derde vereiste te verrichten afweging tussen, enerzijds, het recht van eiser sub 1 en eiseres op eerbiediging van hun familie- en gezinsleven en, anderzijds, het belang gelegen in het economisch welzijn van het land, komt het met name aan op de vraag of er overwegende belemmeringen (serious impediment) voor eiser sub 1 en eiseres zijn om naar hun land van herkomst terug te keren (zie 's Hofs uitspraak in de zaak Boultif, r.o. 55 en de uitspraak in de zaak Sen, waar het Hof in r.o. 40 spreekt van een obstacle majeur) Daarbij moeten alle relevante belangen, inclusief die van Albine, worden meegewogen. De rechtspraak van het EHRM verzet zich er immers niet tegen dat bij de beantwoording van de vraag of jegens de eisende partij een schending van artikel 8 van het EVRM heeft plaatsgevonden, tevens de belangen van gezinsleden worden meegewogen, ook al zijn deze geen partij bij het geding (zie voornoemde uitspraak van het EHRM in de zaak Boultif, waarin de conclusie van het Hof dat jegens klager, Boultif, een schending van artikel 8 van het EVRM had plaatsvonden voor een belangrijk deel werd ingegeven door de overweging dat van zijn echtgenote, die geen partij was bij de procedure, niet gevergd kon worden dat zij zich in het land van herkomst van Boultif zou vestigen).

4.7.6. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat deze belangenafweging in het voordeel van eiser sub 1 en eiseres dient uit te vallen. De rechtbank kent hierbij in het bijzonder gewicht toe aan het feit dat, ook blijkens de besluitvorming van verweerder, van Albine niet kan worden gevergd dat zij naar de FRJ terugkeert. Voorts is namens eisers gesteld en door verweerder niet bestreden dat Albine in verband met haar psychische situatie in sterke mate van haar familie afhankelijk is. Verder acht de rechtbank van belang dat ten aanzien van eiser sub 1 en eiseres op geen enkele wijze is gebleken van bezwaren uit een oogpunt van openbare orde tegen voortduring van hun verblijf in Nederland. Nu bovendien uit recente jurisprudentie van het EHRM volgt dat het Hof in gezinsherenigingszaken tevens belang hecht aan zijn in niet-immigratiezaken ontwikkelde jurisprudentie waarin het heeft geoordeeld dat ouders en kinderen in beginsel het recht hebben om bij elkaar te zijn (zie r.o. 40 van voornoemd arrest Sen en de daarin opgenomen verwijzing naar de arresten in de zaken Johansen t. Noorwegen (EHRM 28 oktober 1998, Reports of Judgments and Decisions 1998 - VII, no. 94, p. 3086) en X, Y en Z t. Verenigd Koninkrijk (EHRM 22 april 1997, NJ 1998, 235 m.nt. De Boer; NJCM-Bulletin 1998, pp. 316-321, m.nt. C. Forder)), is de rechtbank van oordeel dat de meest aangewezen weg (le moyen le plus adéquat, zie Sen, par. 41) voor eiser sub 1 en eiseres om het gezinsleven met hun dochter Albine voort te zetten is gelegen in een voortzetting van hun verblijf in Nederland.

4.7.7. Gelet op hetgeen in par. 4.7.6 ten aanzien van eiser sub 1 en eiseres is overwogen, overweegt de rechtbank ten aanzien van eiser sub 2 als volgt.

Blijkens de uitspraak van het EHRM in de Ezzouhdi t. Frankrijk (EHRM 13 februari 2001, applicationnumber 00047160/99, te vinden op de website van het Hof onder Hudoc reference REF 00002251) kan onder familie- en gezinsleven tevens de relatie tussen broers worden verstaan, tenzij aan de relatie aantoonbaar geen inhoud wordt gegeven (Ezzouhdi, par. 26) en wel ook nadat de meerderjarige leeftijd is bereikt. Volgens de jurisprudentie van het Hof komt aan volwassenen de bescherming van artikel 8 van het EVRM slechts toe als de relatie wordt gekenmerkt door een mate van afhankelijkheid die uitstijgt boven de gebruikelijke affectieve bindingen (l' éxistence d'élements supplémentaires de dépendance, autres que les liens affectifs normaux; Ezzouhdi, par. 34).

Nu niet in geding is en uit de gedingstukken ook genoegzaam naar voren komt, dat eiser sub 2 geestelijk gehandicapt is en volstrekt is aangewezen op de ondersteuning van zijn broer, is de rechtbank, gelet op de genoemde jurisprudentie van het EHRM, van oordeel dat ook het beroep van eiser sub 2 op artikel 8 van het EVRM slaagt.

4.7.8. Krachtens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie o.m. de uitspraak van 2 april 2002, JV 2002/169) dient de rechter de afwijzing van een verblijfsvergunning asiel te toetsen in het licht van het mede daaraan verbonden rechtsgevolg. Dit brengt mee dat de bestreden besluiten getoetst moeten worden in het licht van het op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 verbonden gevolg dat eisers uitzetbaar zijn. Nu dit gevolg naar het oordeel van de rechtbank niet verenigbaar is met artikel 8 van het EVRM, komen de bestreden besluiten wegens strijd met deze bepaling voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op 966,- euro (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van 322,- euro en wegingsfactor 1,5).

Gelet op de artikelen 8:70, 8:72 en 8:75 van de Awb beslist de rechtbank als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

1. verklaart de beroepen gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. draagt verweerder op een nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van 966,- euro, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan eisers dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van

mr. M.H.L.E. Habets als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2002

door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. mr. M. Habets ; w.g. mr. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 7 oktober 2002

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC 's-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 Vw bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.