Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF0077

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-09-2002
Datum publicatie
08-11-2002
Zaaknummer
AWB 01/2357 REA en 01/3812 REA
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AT4666
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van de aanvraag o.g.v. art. 7.2.a Regeling aanvraagtermijnen Wet REA ontbeert wettelijke grondslag in Wet REA (inmiddels gewijzigd).

Eiser is de HBO-opleiding logopedie in 1993 begonnen en hij heeft deze in 1999 voltooid. Bij brief van 15 mei 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend voor vergoeding van de kosten krachtens de Wet REA van de HBO-opleiding logopedie. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat deze is ingediend nadat de kosten reeds zijn gemaakt.

Rechtbank: Op zichzelf heeft verweerder terecht geoordeeld dat de aanvraag is ingediend nadat de kosten reeds waren gemaakt. Daarmee heeft eiser niet overeenkomstig art. 3.1 Regeling gehandeld.

De in art. 7.2.a van de Regeling daarop gestelde reparatoire sanctie, namelijk afwijzing van de aanvraag, ontbeerde echter ten tijde van het indienen van de aanvraag een wettelijke grondslag in de Wet REA. Deze bepaling moet daarom in dit geval wegens onverbindendheid buiten toepassing blijven.

Weliswaar is met ingang van 1 juli 2001 art. 39 van de Wet REA gewijzigd zodat art. 7.2.a Regeling wel een wettelijke basis heeft, maar deze bepaling kan naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op art. 4 van de Wet Algemene Bepalingen, eiser niet worden tegengeworpen nu zijn aanvraag van vóór de inwerkingtreding van deze wetswijziging dateert. Bovendien is gelijktijdig art. 3 Regeling in die zin aangepast dat een aanvraag voor de kosten van een opleiding niet meer voorafgaand aan het volgen van de opleiding hoeft te worden ingediend.

Uit deze laatste wijziging leidt de rechtbank af dat kennelijk geen onoverkomelijke bezwaren bestaan tegen het beoordelen van een voorziening als door eiser gevraagd nadat de opleiding reeds is aangevangen.

Verweerders motivering is dus in strijd met art. 39 Wet REA.

Beroep gegrond. Verweerder dient alsnog inhoudelijk op de aanvraag van 15 mei 2000 te beslissen.

Raad van bestuur van het UWV, verweerder.

mr. J.L. Verbeek

Uitspraak in hoger beroep vernietigd; LJN AT4666

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudig

Reg. nrs. AWB 01/2357 REA en 01/3812 REA

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, als rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 15 mei 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend voor vergoeding van de kosten krachtens de Wet (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) van de HBO-opleiding logopedie.

Bij besluit van 2 oktober 2000 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 10 april 2001 heeft verweerder deze aanvraag opnieuw afgewezen.

Bij brief van 26 juni 2001 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2000.

Bij besluit van 21 augustus 2001, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder de tegen de besluiten van 2 oktober 2000 en 10 april 2001 door eiser gemaakte bezwaren ongegrond respectievelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 26 september 2001, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 22 augustus 2002 ter zitting aan de orde gesteld.

Partijen zijn niet ter zitting verschenen.

Motivering

Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb is het beroep van 26 juni 2001 tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2000 van rechtswege gericht tegen de reële beslissing op dit bezwaar van 21 augustus 2001.

Aangezien gesteld noch gebleken is dat eiser nog enig rechtens relevant belang heeft bij beoordeling van zijn beroep voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar, dient ingevolge artikel 6:20, zesde lid, van de Awb, het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank ziet wel aanleiding verweerder terzake in de door eiser gemaakte proceskosten te veroordelen.

De beslissing van 10 april 2001 is een herhaling van het besluit van 2 oktober 2000 op de aanvraag van eiser van 15 mei 2000.

Waarom de beslissing van 10 april 2001 is genomen is ook verweerder zelf onbekend, zo blijkt uit de stukken.

De rechtbank onderschrijft de conclusie van verweerder dat de beslissing van 10 april 2001 nooit genomen had mogen worden. Daargelaten of het nemen van deze beslissing strijdig is met artikel 6:18, derde lid, van de Awb, is deze naar het oordeel van de rechtbank geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, aangezien deze beslissing geen enkele verandering teweeg brengt in enige rechtstoestand en dus geen rechtsgevolg heeft als bedoeld in deze bepaling.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder op zichzelf terecht het bezwaar van eiser tegen de beslissing van 10 april 2001 niet-ontvankelijk heeft verklaard, zij het op grond van een onjuiste motivering.

De rechtbank ziet hierin aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit in zoverre te vernietigen.

Aangezien verweerder rechtens geen ander nieuw besluit op het bezwaar van eiser meer zou kunnen nemen dan wederom niet-ontvankelijk verklaring ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand te laten.

De rechtbank ziet tevens aanleiding verweerder terzake in de door eiser gemaakte proceskosten te veroordelen.

Uit het vorenstaande volgt dat thans inhoudelijk nog in geschil is de afwijzing van de aanvraag van eiser van 15 mei 2000 bij besluit van 2 oktober 2000, gehandhaafd bij het bestreden besluit.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat deze is ingediend nadat de kosten reeds zijn gemaakt. Verweerder heeft zich daarbij beroepen op artikel 39, vijfde en zesde lid, aanhef en onder b, van de Wet REA, zoals deze bepalingen luidden tot 1 juli 2001, in verbinding met artikel 3, eerste lid, en artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling aanvraagtermijnen Wet (re)integratie arbeidsgehandicapten van 15 februari 2000, Stcrt. 2000, 38 (verder: de Regeling), zoals deze luidde tot 1 juli 2001.

De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder bedoelt een beroep te doen op artikel 7, tweede lid, onder a, van de Regeling, aangezien eiser heeft gevraagd om vergoeding van de kosten van de opleiding zelf (collegegeld, boeken en andere leermiddelen) en niet van kosten noodzakelijk voor het kunnen volgen van een opleiding.

Ingevolge dit samenstel van bepalingen dient een aanvraag voor een voorziening voor het volgen van een opleiding te worden gedaan voor aanvang van de opleiding. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten die meer dan een jaar voorafgaand aan de aanvraag zijn gemaakt wordt de aanvraag afgewezen.

Eiser is blijkens de stukken bij besluit van 27 augustus 1996 met ingang van 19 juni 1992 een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, thans een uitkering krachtens de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten (WAJONG).

De HBO-opleiding logopedie is eiser begonnen in 1993 en heeft hij voltooid in 1999.

In de stukken heeft de rechtbank geen eerdere aanvraag aan verweerder tot vergoeding van deze kosten kunnen vinden dan die van 15 mei 2000. De aanvraag van 23 juni 1993 voor een AAW-uitkering maakt weliswaar melding van het volgen door eiser van de opleiding, maar niet als aanvraag voor een voorziening krachtens artikel 57 van de AAW. Daarbij oordeelt de rechtbank van doorslaggevend belang dat eiser, nadat bij besluit van 27 augustus 1996 was beslist op deze aanvraag door toekenning van zijn uitkering, zich tot 15 mei 2000 nimmer tot verweerder heeft gewend met een verzoek tot vergoeding van de kosten van zijn opleiding. Hieruit leidt de rechtbank af dat ook naar eisers eigen beleving de aanvraag van 23 juni 1993 niet tevens was bedoeld als aanvraag om een voorziening krachtens artikel 57 van de AAW.

Hieruit volgt dat verweerder de aanvraag terecht als een aanvraag om voorziening krachtens de Wet REA heeft opgevat, aangezien gelet op artikel 75 van de Wet REA de AAW niet meer op deze aanvraag kan worden toegepast.

Op zichzelf heeft verweerder terecht geoordeeld dat de aanvraag is ingediend nadat de kosten reeds waren gemaakt. Daarmee heeft eiser niet overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de Regeling gehandeld.

De in artikel 7, tweede lid, onder a, van de Regeling daarop gestelde reparatoire sanctie, namelijk afwijzing van de aanvraag, ontbeerde echter ten tijde van het indienen van de aanvraag een wettelijke grondslag in de Wet REA. Deze bepaling moet daarom in dit geval wegens onverbindendheid buiten toepassing blijven.

Weliswaar is met ingang van 1 juli 2001 artikel 39 van de Wet REA gewijzigd zodat artikel 7, tweede lid, onder a, van de Regeling wel een wettelijke basis heeft, maar deze bepaling kan naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op artikel 4 van de Wet Algemene Bepalingen, eiser niet worden tegengeworpen nu zijn aanvraag van vóór de inwerkingtreding van deze wetswijziging dateert. Bovendien is gelijktijdig artikel 3 van de Regeling in die zin aangepast dat een aanvraag voor de kosten van een opleiding niet meer voorafgaand aan het volgen van de opleiding hoeft te worden ingediend.

Uit deze laatste wijziging leidt de rechtbank af dat kennelijk geen onoverkomelijke bezwaren bestaan tegen het beoordelen van een voorziening als door eiser gevraagd nadat de opleiding reeds is aangevangen.

De door verweerder gehanteerde motivering is dus in strijd met artikel 39 van de Wet REA.

Gezien het vorenstaande is het beroep ook gegrond voor zover dat is gericht tegen het handhaven van de afwijzing van de gevraagde voorziening. Ook in zoverre dient het bestreden besluit te worden vernietigd, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Verweerder dient bij een nieuw besluit op het bezwaar van eiser van 10 november 2000, alsnog inhoudelijk op de aanvraag van 15 mei 2000 te beslissen.

Verweerder wordt in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld voor zover het betreft het beroep tegen het ongegrond verklaren van het bezwaar van 10 november 2000 en tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van en op zeer licht voor zover het betreft het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van twee beroepschriften) worden 1,25 punten toegekend.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2000;

verklaart het beroep voor het overige gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover daarbij het bezwaar van 25 april 2001 tegen de beslissing van 10 april 2001 niet-ontvankelijk is verklaard;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen op het bezwaar van 10 november 2000 tegen het besluit van 2 oktober 2000;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 54,46, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 402,50, welk bedrag het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen aan eiser moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. J.L. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2002, in tegenwoordigheid van de griffier B.D. Slotboom-Muntz.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op:

Reg.nr. AWB 01/2357 REA