Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9751

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-09-2002
Datum publicatie
04-11-2002
Zaaknummer
AWB 01/13354
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / opheffing / artikel 8 EVRM.

Het bestreden besluit geeft er geen blijk van dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden conform de ‘guiding principles’ zoals geformuleerd door het EHRM in de zaak Boultif. Verweerders belang is gelegen in het niet, ook niet voor korte tijd, laten verblijven in Nederland van eiser op grond van de veroordeling tot achttien maanden gevangenisstraf. Daartegenover staat het belang van eiser bij gezinsleven. De rechtbank overweegt in dit verband dat eiser ruim elf jaar in Nederland verblijft; dat het strafbare feit is gepleegd in 1995; dat eiser sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie; dat, gelet op de kringen waarin eiser zich thans beweegt, aanleiding bestaat het recidivegevaar gering te achten; dat eiser (reeds zes jaar) een relatie heeft met een Nederlandse man, die een goede baan heeft en geen enkele band met Marokko; dat de homoseksuele relatie in het land van herkomst van eiser moeilijk kan worden uitgeoefend, nog los van het feit dat deze aldaar strafbaar is. Onder deze omstandigheden is de ongewenstverklaring van eiser disproportioneel. De inmenging in het gezinsleven door de ongewenstverklaring kan niet worden gerechtvaardigd op (een van) de gronden zoals genoemd in het tweede lid van artikel 8 EVRM. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/13354 ONGEWO

inzake: A, geboren op [...] 1956, van Marokkaanse nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. B. Hoepelman, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Voorn, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 17 april 1998, aan eiser uitgereikt op 2 juni 1998, heeft verweerder eisers aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel "verblijf bij partner" niet ingewilligd. Bij hetzelfde besluit is eiser ongewenst verklaard. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 11 oktober 1998 ongegrond verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit is op 8 november 1998 beroep ingesteld. Dit beroep is op 14 april 2000 door deze rechtbank en zittingsplaats gegrond verklaard voor zover het de ongewenstverklaring betrof. Nadat eiser ingevolge de rechterlijke uitspraak op 10 januari 2001 is gehoord door een ambtelijke commissie is het bezwaar bij besluit van 22 maart 2001 opnieuw ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 30 maart 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 1 mei 2001. Op 13 maart 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 10 april 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiser heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij brief van 14 augustus 2002.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig C, partner van eiser.

II. FEITEN

1. Eiser verblijft sedert 18 november 1990 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet in Nederland.

2. Eiser is bij onherroepelijk geworden vonnis van 12 januari 1996 door de Meervoudige Strafkamer van de Rechtbank Amsterdam veroordeeld tot 18 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens diefstal met geweld, gepleegd op 20 september 1995.

3. Eiser woont sedert januari 1996 samen met de Nederlander C. Laatstgenoemde is werkzaam bij D te Amsterdam.

III. OVERWEGINGEN

1. Het bestreden besluit dateert van 22 maart 2001. Het is derhalve genomen vóór de inwerkingtreding op 1 april 2001 van de Vw 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495) op basis van de Vw 1965 (Wet van 13 januari 1965, Stb. 40) en aanverwante regelingen. Het besluit zal derhalve worden getoetst aan de Vw 1965 (Vw) en aanverwante regelingen.

2. Verweerder heeft eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw waarin is bepaald dat tot ongewenstverklaring kan worden overgegaan indien de betrokken vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare rust, de openbare orde of de nationale veiligheid, en het hem niet krachtens een der bepalingen van de artikelen 9, 9a of 10 van de Vw is toegestaan in Nederland te verblijven. De bepalingen in artikel 21 van de Vw zijn nader uitgewerkt in hoofdstuk A5/6 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994.

Onder verwijzing naar hetgeen op dat punt is overwogen in de uitspraak van 14 april 2000 heeft verweerder zich voorts op het standpunt gesteld dat de ongewenstverklaring van eiser geen strijd oplevert met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hoewel er sprake is van ook door verweerder erkend 'family life' in de zin van genoemd artikel, leidt de ongewenstverklaring niet tot een ongerechtvaardigde inmenging in dit recht. Er is geen sprake van objectieve belemmeringen om het gezinsleven uit te oefenen in Marokko. Zoals verweerder ter zitting heeft verklaard, ziet verweerder in de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaak Boultif van 2 augustus 2001 (JV 2001/254) voorshands geen aanleiding om over te gaan tot een andere invulling van de belangenafweging.

3. Eiser heeft zich in bezwaar en beroep op het standpunt gesteld dat de ongewenstverklaring een te zwaar middel is in het licht van artikel 8 van het EVRM en dat de vereiste belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. In dit kader is het volgende naar voren gebracht. Van eisers partner kan niet worden verwacht dat hij eiser volgt naar Marokko om aldaar het gezinsleven uit te oefenen. Hij is in Nederland geboren en getogen, al zijn vrienden en familie wonen in Nederland en hij heeft hier een goede baan. Ook zal de homoseksuele relatie van eiser en zijn partner in Marokko niet worden geaccepteerd. Het voert voorts te ver om nu nog te zeggen dat eiser een gevaar voor de openbare orde oplevert. Ten tijde van het bestreden besluit was de strafbare gedraging reeds vijf en een half jaar geleden. Eiser is sindsdien niet meer in aanraking geweest met justitie en hij verkeert thans in een stabiele gezinsomgeving. Het gevaar van recidive is dan ook gering. Indien de openbare orde bovendien zozeer tegen eiser beschermd had dienen te worden, had het voor de hand gelegen dat verweerder de besluitvorming met meer voortvarendheid ter hand had genomen. Uit het feit dat dit niet is gebeurd, valt af te leiden dat verweerder het belang zelf ook niet zo zwaarwegend acht. Mede in het licht van de uitspraak van het EHRM inzake Boultif is de ongewenstverklaring niet proportioneel.

4. De rechtbank stelt vast dat ingevolge de eerdere uitspraak van 14 april 2000 thans nog slechts ter beoordeling staat of verweerder eiser in redelijkheid ongewenst heeft kunnen verklaren, alsmede of een dergelijke ongewenstverklaring in strijd komt met artikel 8 van het EVRM.

5. In genoemde uitspraak is reeds geoordeeld dat de ongewenstverklaring inmenging betekent in het familie- en gezinsleven van eiser, reeds omdat hem daarmee de mogelijkheid wordt ontzegd van ieder, ook kort, verblijf in Nederland, en dat voor de rechtvaardiging van deze -vergaande- inmenging, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, zwaarwegende argumenten moeten worden aangevoerd. In het kader van de te maken belangenafweging, in welk kader verweerder niet had mogen nalaten eiser te horen, heeft de rechtbank verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

6. Niet in geschil is dat de ongewenstverklaring van eiser overeenkomstig het door verweerder gevoerde beleid heeft plaatsgevonden. Ter beoordeling ligt thans de vraag voor of de daaruit voortvloeiende inmenging in het familie- en gezinsleven gerechtvaardigd is op grond van het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Hieromtrent wordt als volgt overwogen.

7. Het EHRM heeft in zijn uitspraak inzake Boultif een aantal 'guiding principles' geformuleerd die bij de belangenafweging in het kader van genoemd artikellid dienen te worden meegewogen. Deze guiding principles zijn in latere uitspraken herhaald en op enkele punten nader uitgekristalliseerd.

De betreffende 'principles' zien op de volgende aspecten: de duur van het verblijf in het land van (dreigende) uitzetting, de tijd die is verstreken sinds het misdrijf is begaan, het gedrag van de betrokken vreemdeling in die periode, de verschillende nationaliteiten van betrokkenen, de gezinssituatie en de ernst van de problemen die de echtgenoot in het land van herkomst van de vreemdeling zal ondervinden.

8. Het bestreden besluit geeft er geen blijk van dat een dergelijke belangenafweging in het onderhavige geval is toegepast. Reeds op deze grond komt het besluit voor vernietiging in aanmerking.

9. In het kader van een juiste belangenafweging overweegt de rechtbank het volgende. Verweerders belang is gelegen in het niet, ook niet voor korte tijd, laten verblijven in Nederland van eiser op grond van de veroordeling tot 18 maanden gevangenisstraf. Daartegenover staat het belang van eiser bij gezinsleven. De rechtbank overweegt in dit verband dat eiser ruim elf jaar in Nederland verblijft; dat het strafbare feit is gepleegd in 1995; dat eiser sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie; dat, gelet op de kringen waarin eiser zich thans beweegt, aanleiding bestaat het recidivegevaar gering te achten; dat eiser (reeds zes jaar) een relatie heeft met een Nederlandse man, die een goede baan heeft en geen enkele band met Marokko; dat de homoseksuele relatie in het land van herkomst van eiser moeilijk kan worden uitgeoefend, nog los van het feit dat deze aldaar strafbaar is.

10. Onder deze omstandigheden is de ongewenstverklaring van eiser naar het oordeel van de rechtbank disproportioneel te noemen. Het belang van verweerder bestaat nog slechts in bescherming van de samenleving tegen de enkele aanwezigheid, af en toe, van iemand die ten tijde van het bestreden besluit reeds meer dan vijf jaar jaar geen gevaar voor de openbare orde meer heeft opgeleverd. Het belang van eiser hiertegen afgewogen, brengt de rechtbank tot het oordeel dat de inmenging in het gezinsleven door de ongewenstverklaring niet kan worden gerechtvaardigd op (een van) de gronden zoals genoemd in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM.

11. Op grond van het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:4 van de Awb en artikel 8 van het EVRM. Aan verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

12. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op 644 ,- euro (2 punten à 322,- euro) als kosten van verleende rechtsbijstand.

13. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op 644,- euro (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht

ad 102,10,- euro (zegge: honderd en twee euro en tien eurocent).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 3 september 2002 , door mr. C.H. Rombouts, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Lammertink, griffier.

Afschrift verzonden op: 6 september 2002

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.