Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9581

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
31-10-2002
Zaaknummer
AWB 02/62276, 02/62275
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Somalië / Darod / vestigingsalternatief.

Eiser behoort tot de Darod, subclan Ortable. In het ambtsbericht van juli 2002 wordt ten aanzien van de Darod/Ogaden meegedeeld dat Ogaden zich in het algemeen veilig kunnen vestigen in Puntland zolang het niet om duizenden gaat. Ter zake wordt verwezen naar een brief van de minister van Buitenlandse Zaken aan de staatssecretaris van Justitie van 12 november 1999. In een brief van deze staatssecretaris van 24 september 2001 wordt onder andere gesteld dat ontheemden, ongeacht tot welke clan(familie) of minderheidsgroep zij behoren, zich in grote getale in het relatief veilige deel van Somalië hebben gevestigd. De meesten vestigen zich in Somaliland en Puntland, zo wordt gesteld. Ter zitting kon door verweerder de vraag hoeveel Ogaden zich in Puntland hebben gevestigd niet worden beantwoord. Meegedeeld werd dat men niet de indruk had dat het om zo grote getallen ging dat vestiging in het noorden van Somalië problemen oproept alsmede dat de ontwikkelingen goed worden gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat hiermee onvoldoende is komen vast te staan dat Ogaden zich in het noorden en met name in Puntland kunnen vestigen. Aangezien eiser onbetwist tot de Darodclan behoort is aldus evenmin komen vast te staan dat eiser een vestigingsalternatief heeft. Het ambtsbericht van juli 2002 geeft daarover gelet op het feit dat wordt verwezen naar een brief van 1999 geen actuele informatie. Voorts kan niet worden volstaan met de mededeling dat de ontwikkelingen goed worden gevolgd en dat daaruit de indruk bestaat dat de vestiging geen problemen oproept. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vreemdelingenwet 2000 28
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/S459
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 02/62276 BEPTDN (beroep), AWB 02/62275 BEPTDN (voorlopige voorziening)

IND-nr.: 0207.03.4086

inzake: A, geboren op [...] 1985 dan wel op [...] 1981 (toegekend na leeftijdsonderzoek), van Somalische nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, eiser,

gemachtigde: mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

gemachtigde: mr. M. Bouma, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van justitie

I. PROCESVERLOOP

1. Op 4 juli 2002 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 13 augustus 2002 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Uit het besluit blijkt dat eiser de behandeling van een in te dienen beroep niet in Nederland mag afwachten en dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiser bij beroepschrift van 13 augustus 2002, aangevuld met gronden op 26 augustus 2002, beroep ingesteld.

2. Bij verzoekschrift van 13 augustus 2002, aangevuld met gronden op 26 augustus 2002, heeft eiser de voorzieningenrechter (hierna ook: de rechtbank) verzocht verweerder te verbieden om eiser uit Nederland te verwijderen zolang er nog geen beslissing is genomen op het door eiser ingediende beroepschrift.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Eiser legt aan het beroep ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000. Eiser heeft -kort samengevat- het volgende asielrelaas naar voren gebracht. Eiser behoort tot de Darodclan, subclan Ortable. Eiser is Somalië ontvlucht omdat zijn neef iemand heeft gedood van de Habar Gedir, substam Sa'ad, en de mensen van deze stam wraak wilden nemen. Eiser is vanaf eind mei 2002 tijdelijk beschermd door leden van de Abgalstam. Nadat deze mensen te kennen hadden gegeven dat zij eiser niet langer bescherming konden bieden, is het leven voor eiser in Mogadishu onhoudbaar geworden.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Niet is komen vast te staan dat eiser is aan te merken als een verdragsvluchteling zodat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Hiertoe is allereerst redengevend dat wordt getwijfeld aan de aannemelijkheid van de door eiser afgelegde verklaringen. Eiser heeft immers onvoldoende meegewerkt aan de vaststelling van zijn reisroute en voorts heeft eiser zich voorgedaan als minderjarig, terwijl uit het leeftijdsonderzoek van 9 juli 2002 is gebleken dat eiser als meerderjarig moet worden beschouwd. Voorts heeft eiser (onverminderd het voorgaande) niet aannemelijk gemaakt dat hij in zijn land van herkomst gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een specifieke op zijn persoon gerichte negatieve aandacht van de kant van de Sa'adstam heeft te vrezen omdat zijn neef iemand van deze stam zou hebben gedood.

Ook overigens kan eiser zich, gelet op het lokale karakter van zijn problemen, aan de door hem gestelde problemen met de Sa'adstam onttrekken door zich elders in zijn land op te houden. Een dergelijke optie -die gelet op de inhoud van het meest recente ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken onder meer geldt voor de relatief veilige gebieden in het noordelijke en centrale gedeelte van Somalië-, wordt voor eiser relevant geacht omdat uit zijn relaas blijkt dat hij geen redenen heeft te vrezen voor vervolging van enige andere zijde dan van de Sa'adstam.

Voort is niet gebleken dat eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, c, d, e en f, van de Vw 2000.

3. In beroep heeft eiser ten aanzien van het verslag van het leeftijdsonderzoek aangevoerd dat in dit verslag is vastgesteld dat het mediale uiteinde van eisers sleutelbeenderen volledig uitgerijpt is, dan wel zo goed als volledig uitgerijpt is. Eiser concludeert op grond van het laatste deel van de vorige zin dat er sprake is van een (deels) partiële uitrijping van het sleutelbeen of de sleutelbeenderen. Gelet hierop is er een gerede kans dat eiser jonger dan negentien jaar en wellicht minderjarig is. Er moet derhalve van uit worden gegaan dat eiser minderjarig is zodat het beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers op hem moet worden toegepast.

Voorts stelt eiser dat verweerder, mede op grond van het voorgaande, ten onrechte uitgaat van de ongeloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Ook echter indien moet worden vastgesteld dat eiser objectief gezien meerderjarig is, heeft dat geen weerslag op de geloofwaardigheid van zijn relaas, nu eiser al in het eerste gehoor uitdrukkelijk heeft weergegeven dat hij de stelling omtrent zijn leeftijd baseert op de opgave van zijn vader. Voorts heeft verweerder ten onrechte op inhoudelijke gronden geoordeeld dat eiser geen verblijf toekomt. Eiser heeft gesteld dat hij in Mogadishu geen bescherming kan vinden omdat Mogadishu wordt gedomineerd door de Hawiye. Eiser behoort tot de Darod, subclan Ortable, een zwakke clan. De Darod-Ortable kunnen zich niet beschermen tegen grote clans als de Hawiye en vinden geen bescherming bij de grotere Darodclan. Ortable vinden bescherming bij de Darod-Ogadeni.

Verweerder heeft ten onrechte aan eiser een vestigingsalternatief tegengeworpen. Hiertoe heeft eiser (samengevat) onder meer aangevoerd dat het meest recente ambtsbericht ten aanzien van een vestigingsalternatief voor de Ogadeni verwijst naar een brief van de Staatssecretaris van 12 november 1999. Het ambtsbericht beschrijft niet hoe het thans gesteld is met het vestigingsalternatief voor de Ogadeni.

4. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, nu artsen in het verslag van het leeftijdsonderzoek eenduidig concluderen dat eiser ouder dan 21 jaar is, verweerder geen reden ziet van een andersluidende conclusie uit te gaan. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd geantwoord dat niet bekend is hoeveel Ogadeni zich in Puntland hebben gevestigd, maar dat geen enkel signaal is ontvangen dat zich in Puntland dermate veel Ogadeni hebben gevestigd dat de situatie zich heeft gewijzigd.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is.

4. Ingevolge artikel 1, onder l, van de Vw 2000 wordt onder verdragsvluchteling verstaan: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag). Ingevolge artikel 1(A)-2 van het Vluchtelingenverdrag worden als vluchteling aangemerkt vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging.

5. De rechtbank stelt voorop dat de algemene en mensenrechtensituatie in Somalië niet zonder meer leidt tot het oordeel dat eiser vluchteling is. Beslissend is de individuele situatie van eiser, bezien in het licht van de algemene situatie in het land van herkomst. In dat licht zal aannemelijk moeten worden dat er feiten en omstandigheden zijn met betrekking tot eiser persoonlijk, die zijn vrees voor vervolging rechtvaardigen.

6. Allereerst is aan de orde de vraag of verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat het asielrelaas van eiser niet aannemelijk kan worden geacht. Verweerder heeft hierbij mede betrokken dat uit het verslag van het leeftijdsonderzoek de conclusie kan worden getrokken dat eiser meerderjarig is. Door eiser wordt gesteld dat verweerder ten onrechte aan de hand van het verslag van een onderzoek naar de leeftijd van eiser heeft geconcludeerd dat hij meerderjarig is. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

7. Op pagina 7/12 van het verslag van het leeftijdsonderzoek wordt uiteengezet dat nog nooit bij iemand beneden de twintig jaar een uitgerijpt sleutelbeen is gevonden. Gesteld wordt dat het onverantwoord is om bij een volledig uitgerijpt sleutelbeen uit te gaan van een mogelijke leeftijd beneden de 20 jaar. Op pagina 5/2 wordt onder de noemer radiologische beoordelingen ter zake van het onderzoek van eiser overwogen: "Sleutelbeen: Het mediale uiteinde van de sleutelbeenderen is volledig uitgerijpt, respectievelijk zo goed als volledig uitgerijpt." Deze omschrijving is bij beide beoordelaars gelijkluidend. Aan de hand van dit verslag komt verweerder tot de conclusie dat eiser meerderjarig is.

8. Naar het oordeel van de rechtbank is het trekken van deze conclusie echter slechts gerechtvaardigd als het gaat om volledig uitgerijpte sleutelbenen. Nu in het verslag wordt vastgesteld dat het mediale uiteinde van de sleutelbeenderen van eiser volledig is uitgerijpt respectievelijk zo goed als volledig is uitgerijpt is deze conclusie niet, althans niet zonder nadere motivering, te verantwoorden.

9. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van het asielrelaas ten onrechte de leeftijd van eiser heeft betrokken. Zulks kan op de navolgende gronden echter niet leiden tot het oordeel dat het besluit deswege dient te worden vernietigd.

10. Verweerder heeft het asielrelaas ook inhoudelijk beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder terecht en op goede gronden tot de conclusie gekomen dat dit relaas geen aanleiding geeft te concluderen dat sprake is van negatieve aandacht van de Sa'adstam die specifiek gericht is op de persoon van eiser. Dit wordt door eiser ook niet weersproken. Zoals ter zitting is bevestigd hebben de beroepsgronden geen betrekking op dit deel van het bestreden besluit. Het beroep dient dan ook, voor zover het afwijzen van de aanvraag op de a-grond op dit punt betrekking heeft, te worden verworpen.

11. Verweerder heeft in het bestreden besluit echter ook geconcludeerd dat eiser geen geslaagd beroep op de a-grond toekomt omdat hij zich aan in de toekomst voorkomende problemen kan onttrekken door in relatief veilige gebieden te verblijven. Door eiser is gesteld dat hem geen vestigingalternatief in Somalië kan worden tegengeworpen.

12. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. In het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van juli 2002 wordt ten aanzien van de Darod/Ogadeni meegedeeld dat Ogadeni zich in het algemeen veilig kunnen vestigen in Puntland zolang het niet om duizenden gaat. Ter zake wordt verwezen naar een brief van de Minister van Buitenlandse Zaken aan de (toenmalige) Staatssecretaris van Justitie van 12 november 1999. In een brief van deze Staatssecretaris van 24 september 2001 wordt onder andere gesteld dat ontheemden, ongeacht tot welke clan(familie) of minderheidsgroep zij behoren, zich in grote getale in het relatief veilige deel van Somalië hebben gevestigd. De meesten vestigen zich in Somaliland en Puntland, zo wordt gesteld.

13. Ter zitting kon door verweerder de vraag hoeveel Ogadeni zich in Puntland hebben gevestigd niet worden beantwoord. Meegedeeld werd dat men niet de indruk had dat het om zo grote getallen ging dat vestiging in het noorden van Somalië problemen oproept alsmede dat de ontwikkelingen goed worden gevolgd.

14. De rechtbank is van oordeel dat hiermee onvoldoende is komen vast te staan dat Ogadeni zich in het Noorden en met name in Puntland kunnen vestigen. Aangezien eiser onbetwist tot de Darodclan behoort is aldus evenmin komen vast te staan dat eiser een vestigingsalternatief heeft. Het ambtsbericht van juli 2002 geeft daarover gelet op het feit dat wordt verwezen naar een brief van 1999 geen actuele informatie. Voorts kan niet worden volstaan met de mededeling dat de ontwikkelingen goed worden gevolgd en dat daaruit de indruk bestaat dat de vestiging geen problemen oproept. Verweerder had zulks in de ogen van de rechtbank nader moeten onderzoeken. Nu dit niet het geval is dient het besluit als onvoldoende zorgvuldig voorbereid te worden beschouwd hetgeen strijd oplevert met artikel 3:2 van de Awb.

15. Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van eiser zal dan ook gegrond worden verklaard. De overige klachten behoeven geen bespreking.

16. Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

17. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en de voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op

966,- euro als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

IV. BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 02/62276 BEPTDN:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 4 juli 2002;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 02/62275 BEPTDN:

4. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

in beide zaken:

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op 966 ,- euro (zegge: negenhonderd zes en zestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002 door mr. F. Salomon, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van, mr. S.J. Giling, griffier.

Afschrift verzonden op: 4 september 2002

Tegen deze uitspraak staat, voor zover het beroep betreft, hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.