Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9494

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-07-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
AWB 01/19857
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag / mob.

Verzoeker heeft een aanvraag gedaan om toelating als vluchteling. De aanvraag is afgewezen en hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Verweerder heeft beslist dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is niet achterwege zal worden gelaten. Vervolgens heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Blijkens een model M100 gedateerd na indiening van de voorlopige voorziening is verzoeker met onbekende bestemming vertrokken. Ook de gemachtigde van verzoeker heeft aangegeven geen contact meer met zijn cliënt te hebben. Uit deze gang van zaken moet het volgende worden afgeleid. Zo verzoeker al prijst stelt op toelating, dan toch in elk geval niet op grond van honorering van zijn aanvraag om toelating als vluchteling wegens de gestelde dienstweigering. Aangenomen moet immers worden dat hij in dat geval zich beschikbaar en bereikbaar had gehouden om zijn gestelde vluchtelingenschap kracht bij te zetten. Bij gebreke daarvan moet buiten twijfel worden geacht dat van vluchtelingenschap sprake is. Bezwaar gegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33b

Vreemdelingenwet 1965

Reg.nr: AWB 01/19857 VRWET

Inzake: A, verzoeker, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. J.M.Walls, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. C.E.J. van Buren-Buijs,

advocaat te Den Haag.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoeker heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1973 en de Turkse nationaliteit te bezitten. Hij verblijft sedert 3 juni 2000 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet in Nederland. Op 4 juni 2000 heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Hierop is door verweerder op 14 maart 2001 afwijzend beslist. Verzoeker heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft op grond van artikel 32 Vreemdelingenwet 1965 (Vw1965) bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten.

2. Op 1 mei 2001 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op zijn bezwaarschrift is beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid althans tot afwijzing van het verzoek.

3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 juni 2002. Verzoeker en verweerder zijn ter zitting vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw 2000), Stb. 2000, 495. Gelet op het bepaalde bij artikel 118, tweede lid, Vw 2000 is artikel 32, eerste lid, Vw1965 op de behandeling van het onderhavige bezwaarschrift van toepassing. Met betrekking tot de uitzetting moet derhalve aan deze bepaling worden getoetst.

2. Gezien het bepaalde in artikel 7:11 Awb, artikel 118 Vw 2000 en de Memorie van Toelichting hierop zal op het bezwaar moeten worden beslist met toepassing van het materiële recht zoals neergelegd in de bepalingen bij of krachtens de

Vw 2000. In samenhang hiermee moet worden vastgesteld dat artikel 33b Vw1965 van toepassing is gebleven. Ingevolge dit artikel kan de voorzieningenrechter hangende de afdoening van het bezwaar na de behandeling van een tegen de uitzetting gerichte voorlopige voorziening tevens uitspraak doen over de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating.

3. Ingevolge het op 1 januari 2002 inwerking getreden artikel 2 van hoofdstuk 7 van de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie (Staatsblad 2001 584) wordt bij verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening de president aangeduid als de voorzieningenrechter.

Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4. Niet is gebleken dat nader onderzoek redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak derhalve bestaat in dit geval aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid die is neergelegd in artikel 33b Vw.

5. Uitgegaan wordt van de volgende feiten.

Verzoeker heeft het volgende aangevoerd. Verzoeker behoort tot de Turks-Koerdische bevolkingsgroep. Verzoeker heeft geweigerd om in het Turkse leger te gaan. Er loopt een proces tegen verzoeker vanwege zijn hulp aan PKK-strijders. Verzoeker vreest om voormelde redenen dat hij bij terugkeer naar Turkije gemarteld en gedetineerd wordt.

Blijkens een zogenaamd model M100, gedateerd 15 november 2001 en afgegeven door de Korpschef van Regionaal politiekorps Regio Flevoland, district AZC Almere, is verzoeker op 7 november 2001 met onbekende bestemming vertrokken. Ook de gemachtigde van verzoeker heeft aangegeven geen contact meer met zijn cliënt te hebben.

6.Uit deze gang van zaken moet het volgende worden afgeleid. Zo verzoeker al prijs stelt op toelating, dan toch in elk geval niet op grond van honorering van zijn aanvraag om toelating als vluchteling wegens de gestelde dienstweigering. Aangenomen moet immers worden dat hij in dat geval zich beschikbaar en bereikbaar had gehouden om zijn gestelde

vluchtelingenschap kracht bij te zetten. Bij gebreke daarvan moet buiten twijfel worden geacht dat van vluchtelingenschap geen sprake is.

7. Het bezwaar gericht tegen de niet-inwilliging van de aanvraag dient te worden verworpen.

8. Op grond van het vorenstaande dient de voorlopige voorziening te worden afgewezen.

9. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het bezwaar ongegrond;

2. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr.M.C.J.A. Huijgens en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2002, in tegenwoordigheid van mr.A.J.H.M. Hopmans, griffier.

afschrift verzonden op: