Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9492

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-09-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
AWB 01/27307
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Russische Federatie / gehandicapte vrouw.

Eiseres heeft mede ten behoeve van haar dochter een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. De partner van eiseres is eerder naar Nederland gereisd en heeft asiel gevraagd. Eiseres is gehandicapt en heeft haar partner nodig om voor haar en haar dochter te zorgen. Eiseres stelt in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning bepaalde tijd op grond van haar asielrelaas. Eiseres stelt dat haar asielrelaas niet goed naar voren is gekomen nu haar partner is opgetreden als tolk. Haar partner is niet als zodanig gekwalificeerd en niet is gebleken dat verweerder gerechtigd was om het nader gehoor aldus af te nemen.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat verweerder de beschikking niet zorgvuldig heeft voorbereid noch dat er overigens van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel sprake kan zijn. Voorts is blijkens de vraagstelling in het nader gehoor aandacht besteed aan de positie van eiseres als gehandicapte vrouw met een klein kind. De beslissing op de asielaanvraag van eiseres is geen maatregel die kinderen betreft in de zin van artikel 3, eerste lid, Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Derhalve is reeds om die reden geen sprake van schending van dit artikel. Daaraan doet niet af dat de aanvraag van eiseres mede ten behoeve van haar minderjarige kind is gedaan. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de rechten van het kind 3
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg.nr: AWB 01/27307 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1974, van Russische nationaliteit, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. G. Ris, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel (SRA) te Leiden,

tegen:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. C.F.D. Kagenaar, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. Procesverloop

1. Op 18 april 2000 heeft eiseres mede ten behoeve van haar dochter C, geboren op [...] 1999, een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. De aanvraag wordt op grond van artikel 117 Vw 2000 aangemerkt als aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Op 4 april 2001 heeft verweerder aan eiseres schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 23 april 2001 heeft mr. G. Kor, werkzaam bij de SRA te Leiden, namens eiseres haar zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 28 mei 2001 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 25 juni 2001, aangevuld bij brief van 14 augustus 2001, heeft mr. Kor voornoemd namens eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 17 januari 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 6 mei 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2002. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E. Arslan, die waarnam voor voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig de partner van eiseres en haar dochter, alsmede J.F. Janmaat als tolk in de Russische taal.

II. Feiten

1. Eiseres is gehandicapt: ze is doofstom. Het eerste gehoor is schriftelijk afgenomen. Het nader gehoor is buiten aanwezigheid van haar raadsman afgenomen met behulp van een tolk in de Franse taal en de partner van eiseres als doventolk.

III. Asielrelaas

1. Eiseres heeft persoonlijk geen reden om hiernaartoe toe te komen. Omdat haar partner in februari 2000 naar Nederland is gereisd en alhier asiel had aangevraagd is eiseres hem met haar dochter op 7 april 2000 achterna gereisd. Vanwege haar handicap heeft eiseres haar partner nodig om voor haar en haar dochter te zorgen.

IV. Standpunten partijen

1. Eiseres heeft aan het beroep ten grondslag gelegd dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000.

In het voornemen en het besluit is op onvoldoende wijze ingegaan op het persoonlijke relaas van eiseres, alsmede op dat van haar partner.

Mede in het licht van artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) rust er op Nederland een positieve verplichting om aan eiseres en haar partner hier te lande een verblijfsstatus te verlenen. De handicap van eiseres en de relevantie van artikel 8 EVRM mede in relatie met artikel 3 EVRM, maken de handicap wel relevant voor haar asielaanvraag.

Verweerder heeft het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid. Ondanks het feit dat een afschrift van het nader gehoor niet aan de gemachtigde van eiseres is toegezonden heeft verweerder toch een besluit genomen. Bovendien trad tijdens het nader gehoor de partner van eiseres op als tolk, terwijl hij hiervoor niet gekwalificeerd was.

De gemachtigde van eiseres was hiervan niet op de hoogte en tot op heden is er geen document geproduceerd waarmee verweerder aantoont gerechtigd te zijn om het nader gehoor op een zodanige wijze af te nemen.

Ter zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat zij het beroep op vluchtelingenschap beperkt tot haar eigen vluchtmotieven. De omstandigheden van eiseres waren voor verweerder schrijnend genoeg om op grond van artikel 9 van het verdrag (de rechtbank begrijpt : de Overeenkomst) van Dublin de procedure van Spanje over te nemen. Evenmin heeft verweerder aandacht besteed aan de kwetsbare positie van eiseres als gehandicapte vrouw met een klein kind, terwijl blijkens IND-werkinstructie 148 een asielaanvraag dient te worden beoordeeld met bijzondere aandacht voor de positie van vrouwen in het land van herkomst.

Ingevolge artikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) rust op verweerder een zwaardere motiveringsplicht wanneer de belangen van een kind op het spel staan. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder de belangen van het kind van eiseres in de besluitvorming heeft betrokken.

Als er gebruik gemaakt was van een gebarentaaltolk had eiseres beter kunnen aangeven wat zij zelf heeft ondervonden.

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Het is niet aannemelijk dat eiseres gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ze heeft verklaard dat ze de Russische Federatie niet heeft verlaten vanwege persoonlijke problemen die kunnen worden gerelateerd aan vluchtelingrechtelijke gronden. De persoonlijke omstandigheden waarin eiseres vanwege haar handicap verkeert en de hieruit voortvloeiende afhankelijkheid van haar partner zijn evenmin gerelateerd aan vluchtelingrechtelijke gronden.

Nu de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van de partner van eiseres reeds is afgewezen kan dit niet tot ander oordeel leiden.

Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een reëel risico bestaat dat zij bij terugkeer in het land van herkomst zal worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Niet gebleken is van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel ex artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000.

De toetsing van artikel 8 EVRM valt buiten de reikwijdte van onderhavige aanvraag. Voorzover eiseres verblijf wil bij haar partner kan zij hiervoor een reguliere aanvraag indienen.

Eerst in beroep heeft eiseres aangegeven dat de werkwijze ten aanzien van het nader gehoor onzorgvuldig is geweest. Eiseres had dit in een eerder stadium naar voren kunnen brengen. In het nader gehoor verklaart eiseres dat zij haar tolken goed heeft kunnen verstaan en begrijpen. . Verweerder ziet niet in hoe het feit dat de partner van eiseres is ingeschakeld als tolk in het nadeel van eiseres heeft kunnen uitpakken en eiseres geeft op geen enkele wijze aan waarom deze werkwijze onzorgvuldig is geweest. Het nader gehoor is naar eiseres en desgevraagd naar de gemachtigde van eiseres verzonden. Nadat binnen twintig dagen geen reactie op het nader gehoor was ontvangen is beslist op de aanvraag.

V. Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 13 Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien internationale verplichtingen daartoe nopen, met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar;

e. (...)

f. (...).

4. Artikel 31, eerste lid, Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

5. Ingevolge artikel 1, onder l, Vw 2000 wordt onder verdragsvluchteling verstaan: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag). Ingevolge artikel 1(A)-2 Vluchtelingenverdrag worden als vluchteling aangemerkt vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

6. Eiseres heeft gesteld dat zij op grond van haar zelfstandige asielrelaas in aanmerking dient te komen voor verblijfsvergunning bepaalde tijd.

In het nader gehoor heeft eiseres onder 10. Samenvatting vluchtmotieven het volgende verklaard:

"Ik ben met mijn dochtertje op 7 april 2000 vanuit de Russische Federatie naar Nederland gereisd omdat mijn man in februari 20000 naar Nederland gegaan was. Persoonlijk heb ik nooit problemen gehad in mijn land, maar ik wilde graag bij mijn man blijven. Daarom ben ik hem achterna gereisd. Omdat ik gehandicapt ben heb ik mijn man nodig om voor mij en mijn kind te zorgen." Onder 10.1 Te verwachten problemen bij terugkeer in land van herkomst heeft eiseres vervolgens nog het volgende verklaard:

"Wat voor problemen bij terugkeer in land van herkomst? Wat voor problemen ik zou verwachten als ik nu zou terugkeren in mijn land? Ik heb geen problemen in mijn land, maar toch ga ik vanwege mijn kind liever niet terug. Mijn dochtertje wordt in Rusland verworpen door de maatschappij. Dat komt door haar ouders. Haar moeder is doofstom en haar vader is vanwege zijn Afrikaanse afkomst niet welkom in Rusland. Er is nog een probleem. Mijn moeder leeft in armoede. Zij heeft geen werk. Zij kan niet voor ons zorgen. Zij moet financieel ondersteund worden door anderen."

Nu het relaas van eiseres tot het bovenstaande beperkt is gebleven is de rechtbank -gelet op bovenstaande- van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze een gegronde vrees voor vervolging heeft.

Voorts heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder in het bestreden besluit niet voldoende is ingegaan op het persoonlijke relaas van eiseres, terwijl verweerder de omstandigheden van eiseres kennelijk wél schrijnend genoeg vond om de zaak van Spanje over te nemen op basis van artikel 9 van de Overeenkomst van Dublin. Dit klemt naar het oordeel van eiseres temeer nu verweerder alleen in zeer beperkte gevallen behandeling van een asielaanvraag op basis van dit artikel overneemt. De rechtbank oordeelt dat voorzover deze stelling moet worden gezien in het licht van het beroep op vluchtelingenschap niet wordt ingezien op welke wijze een en ander is terug te voeren op één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.

7. Indien de vreemdeling concrete redenen, gelegen in zijn persoonlijke feiten of omstandigheden, heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat hij bij gedwongen terugkeer naar het land van herkomst het reële risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling bedoeld in artikel 3 EVRM te weten foltering, dan wel een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, dient verweerder hiertegen ingevolge vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens bescherming te bieden. Van schending van dit artikel is niet gebleken.

8. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat haar relaas niet goed naar voren is gekomen nu de partner van eiseres is opgetreden als tolk, terwijl hij niet als zodanig gekwalificeerd is en niet gebleken is dat verweerder gerechtigd was om het nader gehoor aldus af te nemen. De rechtbank volgt het standpunt van eiseres niet en overweegt daartoe het volgende. Het eerste gehoor heeft plaatsgevonden op 19 april 2000. In een telefoonnotitie van verweerder van 8 november 2000 is aangegeven dat de partner van eiseres heeft aangeboden dat hij voor zijn partner wil tolken in gebarentaal als zij opnieuw gehoord gaat worden. Vervolgens is eiseres in het nader gehoor aldus gehoord. Eiseres heeft in het rapport hiervan aangegeven dat zij de aanwezige tolken heel goed en duidelijk kon begrijpen en verstaan. Eveneens is aan eiseres bij het nader gehoor medegedeeld dat zij indien zij ontevreden was over het optreden van de Franstalige tolk binnen een jaar een klacht kon indienen. Niet gebleken is dat eiseres over het optreden van de tolk een klacht heeft ingediend. Gelet op het voorgaande kan niet worden aangenomen dat verweerder de beschikking niet zorgvuldig heeft voorbereid, noch dat er overigens een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel zou zijn.

9. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat in het bestreden besluit ten onrechte geen aandacht is besteed aan haar kwetsbare positie als gehandicapte vrouw met een klein kind, terwijl blijkens werkinstructie 148 een asielaanvraag dient te worden beoordeeld met bijzondere aandacht voor de positie van vrouwen in het land van herkomst, overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens werkinstructie 244a van 17 april 2001 is werkinstructie 148 per 1 april 2001 vervallen en is deze verwerkt in hoofdstuk C1/4.2.11 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Ingevolge dit hoofdstuk van de Vc 2000 dient -indien een vrouwelijke asielzoeker een beroep doet op vrees voor vervolging vanwege de activiteiten van haar partner of familie- tijdens het nader gehoor ook aandacht te worden geschonken aan haar eigen ervaringen. Nu gelet op de vraagstelling in het nader gehoor verweerder eiseres hiertoe in de gelegenheid heeft gesteld kan naar het oordeel van de rechtbank de stelling van eiseres geen doel treffen.

10. Met betrekking tot het beroep van eiseres op artikel 8 EVRM, overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres hiervoor een aanvraag om verlening van een (reguliere) vergunning tot verblijf moet indienen bij de bevoegde korpschef. Sinds de wijziging van de Vreemdelingenwet per 1 juli 1998, waarbij de zogenoemde enkelvoudige aanvraag is geïntroduceerd,

worden niet-asielgerelateerde aspecten van een asielaanvraag, waartoe gezinsvorming behoort, niet meer beoordeeld in de asielprocedure.

11. Ingevolge artikel 3, eerste lid, IVRK vormen de belangen van het kind de eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. De beslissing op de asielaanvraag van eiseres is geen maatregel die kinderen betreft. Derhalve is reeds om die reden geen sprake van schending van artikel 3 IVRK. Daaraan doet niet af dat de aanvraag van eiseres mede ten behoeve van haar minderjarige kind is gedaan.

12. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning.

13. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

14. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

V. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 26 september 2002, door mr. J.S. Reid, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Jacobsz, griffier.

Afschrift verzonden op: 26 september 2002

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag). Ingevolge artikel 69, eerste lid, Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.