Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9491

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-09-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
AWB 02/65723, 02/65724
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / Sierra Leone / traumatabeleid.

Verweerder heeft het asielverzoek van verzoekster afgewezen. Verweerder acht het niet aannemelijk dat verzoekster de Sierra Leoonse nationaliteit bezit. Ter zitting heeft verzoekster een originele geboorteakte en een kopie van een verklaring van de Sierra Leoonse vertegenwoordiging in Guinea getoond, waaruit haar Sierra Leoonse nationaliteit zou blijken. Ook heeft zij littekens getoond. Nu verzoekster heeft verklaard deze documenten reeds bij haar inreis in haar bezit te hebben gehad, is er - in het kader van de eventuele toepassing van artikel 83 Vw 2000 - in beginsel geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Uit het verslag van eerste gehoor en het nader gehoor kan echter worden afgeleid dat er in redelijkheid moet worden getwijfeld aan de psychische gesteldheid van verzoekster. In het dossier bevindt zich voorts een meldingsformulier waarop is aangegeven dat verzoekster last lijkt te hebben van een ernstige psychische stoornis, dan wel ernstig is getraumatiseerd. Met het in beroep overleggen van een voor haar aanvraag zo essentieel document als een Sierra Leoons geboortecertificaat, terwijl zij daarover bij binnenkomst al beschikte, wordt die twijfel aan haar psychische gesteldheid verder verstrekt. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de aanvraag van verzoekster in redelijkheid in AC kon worden afgedaan. Voorts kan het standpunt van verweerder dat verzoekster de documenten eerder had moeten overleggen en de littekens eerder had moeten tonen, niet zonder nadere motivering worden gevolgd en heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd waarom de door verzoekster overgelegde documenten en getoonde littekens in redelijkheid niet dienen te leiden tot wijziging of intrekking van de beslissing tot afwijzing van het asielverzoek van verzoekster. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vreemdelingenwet 2000 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 02 / 65723 BEPTDN H (voorlopige voorziening)

AWB 02 / 65724 BEPTDN H (beroepszaak)

IND nr.: 0208.23.4058

inzake: A, geboren op [...] 1970, van gestelde Sierraleoonse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoekster,

gemachtigde: mr. O.C. Bondam, advocaat te Wassenaar,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. D.J. de Jong, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 26 augustus 2002 is de door verzoekster op 24 augustus 2002 ingediende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen. Tegen deze beschikking heeft verzoekster op 27 augustus 2002 beroep ingesteld.

1.2 Bij verzoekschrift van 27 augustus 2002 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht haar uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

1.3 De openbare behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 3 september 2002. Daarbij hebben verzoekster en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoekster ter zitting gehoord.

1.4 De voorzieningenrechter heeft het onderzoek heropend teneinde verweerder en de gemachtigde van de vreemdelinge aanvullend te laten reageren op de door de vreemdelinge ter zitting ingebrachte stukken. Bij schrijven van 4 september 2002 heeft verweerder gereageerd. Hierop heeft de gemachtigde van de vreemdelinge bij schrijven van 9 september 2002 gereageerd, waarna het onderzoek zonder nadere zitting op 9 september 2002 is gesloten.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (verder te noemen ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

2.4 Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar aanvraag het volgende aangevoerd. Zij stelt afkomstig te zijn uit Freetown, Sierra Leone. Zij kan weinig over deze stad en dit land vertellen, omdat zij niet kan lezen en ook niet in contact kwam met andere mensen. Zij werkte slechts op het land. Op 30 juli 2002 is haar ouderlijk huis in brand gestoken door moslims. Daarbij zijn haar moeder en haar broer om het leven gekomen. Zij is vervolgens met haar vader naar het huis van haar oom B gegaan. Aldaar aangekomen, troffen zij hem huilend op de grond aan. Ook zijn huis was in brand gestoken. Daarbij was zijn gezin om het leven gekomen. Haar vader heeft er toen voor gezorgd dat zij kon vluchten. Hij heeft haar toevertrouwd aan een vrouw, waarmee verzoekster op 22 augustus 2002 haar land van herkomst heeft verlaten.

2.5 Verweerder heeft de bestreden beschikking doen steunen op de overweging dat verzoekster niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij de Sierraleoonse nationaliteit bezit. De verklaring voor haar gebrek aan kennis kan niet worden aangemerkt als een gegronde reden voor dit tekort. Gelet hierop, wordt voorbijgegaan aan de problemen die zij aldaar zou hebben ondervonden of in de toekomst vreest te ondervinden. Verzoekster komt derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, Vw.

2.6 In de gronden van beroep is namens de verzoekster aangevoerd dat zij een sterk getraumatiseerde indruk maakt en - mogelijk ook vanwege trauma's - een zwak begaafde en psychisch gestoorde indruk. Zij is volgens haar gemachtigde in de war en begrijpt niet waar ze is en wat de asielprocedure inhoudt. Zij denkt nog steeds in Sierra Leone te zijn en wil naar haar vader toe. Nu niet valt uit te sluiten dat verzoekster na een behandeling door een arts of een psychiater wel in staat zal zijn vragen op een goede wijze te beantwoorden en evenmin valt uit te sluiten dat uit nader onderzoek zal blijken dat betrokkene ernstig is getraumatiseerd, had deze aanvraag volgens de gemachtigde van verzoekster niet binnen het ac-model kunnen worden afgedaan. De door verweerder in acht te nemen zorgvuldigheid brengt met zich dat verzoekster in de gelegenheid wordt gesteld om tot rust te komen en dat er over haar psychische gesteldheid wordt gerapporteerd door een psychiater.

2.7 Ter zitting heeft verzoekster een origineel birth certificate en een verklaring van de Sierraleoonse vertegenwoordiging in Guinea getoond, waaruit haar Sierraleoonse nationaliteit zou moeten blijken. Ook heeft zij ter zitting littekens getoond, die het gevolg zouden zijn van op haar gepleegd geweld. Verzoekster heeft deze documenten blijkens haar verklaring ter zitting bij haar aankomst in Nederland in haar handtas zitten. Eerst recent heeft zij zich dit herinnerd. Zij heeft deze documenten, alsmede de littekens mede niet eerder getoond, omdat haar vader had gezegd dat ze deze alleen aan een "goed persoon" mocht laten zien.

2.8 De voorzieningenrechter heeft het onderzoek na de zitting heropend, waarbij verweerder verzocht is zich uit te laten over de volgende vragen:

1. Wat is uw standpunt ten aanzien van de vraag of ten aanzien van het ter zitting door de vreemdelinge getoonde birth certificate en de verklaring over haar Sierraleoonse nationaliteit, alsmede de ter zitting getoonde littekens artikel 83 Vw kan worden toegepast ?

2. Voor zover de voorzieningenrechter van oordeel zou zijn dat artikel 83 Vw van toepassing is op (een van) deze documenten en/of de getoonde littekens, is dit voor verweerder aanleiding voor handhaving, intrekking of wijziging van het besluit van 26 augustus 2002.

2.9 Verweerder heeft zich bij schrijven van 4 september 2002 onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van State afdeling Bestuursrechtspraak van 3 augustus 2002 (200103175/1) op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 83 Vw 2000 jo. artikel 4:6 Awb. Verzoekster volgend in haar stelling dat zij met deze documenten is ingereisd, had zij deze documenten bij haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel dienen te overleggen. Deze documenten kunnen gelet op genoemde wetsbepalingen niet alsnog bij de beoordeling van het besluit van 26 augustus 2002 worden betrokken. Ook de littekens zijn niet aan te merken als nieuwe feiten of omstandigheden, zodat deze niet bij de beoordeling kunnen worden betrokken. Verweerder ziet geen aanleiding tot wijziging van het besluit van 26 augustus 2002.

2.10 Namens verzoekster is aangevoerd dat de sfeer in het ac kennelijk dermate intimiderend is voor iemand met een achtergrond als betrokkene, dat zij eerst ter zitting haar gruwelijke littekens alsmede de documenten durfde te laten zien. Een meer zorgvuldige behandeling in het ac had dit kunnen voorkomen. Verweerder kan zich daarom redelijkerwijs niet op het standpunt stellen dat artikel 83 Vw niet kan worden toegepast.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.11 De vraag is of de beslissing van verweerder om de asielaanvraag van verzoekster binnen de ac-procedure af te wijzen en verzoekster geen vergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef, onder b,c of d, Vw en de beslissing om deze afwijzing van de aanvraag van verzoekster te handhaven, nu zij de door haar ter zitting getoonde en nadien overgelegde documenten en de ter zitting getoonde littekens eerder had kunnen overleggen c.q. eerder had kunnen tonen, in rechte stand kan houden.

2.12 Allereerst is daarbij van belang dat bij asielzoekers afkomstig uit Sierra Leone blijkens het beleid van verweerder zoals weergegeven in TBV 2001/20 rekening moet worden gehouden 'met de mogelijkheid dat zij traumatische ervaringen hebben ondervonden, met name als zij voor hun vertrek naar Nederland rechtstreeks afkomstig waren uit gebieden waar de RUF de controle heeft of uit gebieden waar onlangs strijd is geleverd tussen het regeringsleger en de RUF. Hetzelfde kan ook opgaan voor personen afkomstig uit gebieden onder controle van de het CDF.' Voorts wordt in de TBV verwezen naar de brief van de Staatsecretaris van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 1 juni 2001, waaruit blijkt dat afgewezen asielzoekers afkomstig uit Sierra Leone - behoudens contra-indicaties - in aanmerking komen voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

2.13 Ingevolge artikel 83, eerste lid, Vw houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden, die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

Blijkens jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 3 augustus 2001 inzake 200103069/1, JV 2001/ 258) dient de vraag of bij de beoordeling van het beroep met nader ingebrachte stukken rekening dient te worden gehouden, aan de hand van dezelfde criteria te worden beantwoord, als die welke gelden bij de toepassing van artikel 4:6 Awb. Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb is sprake, indien de nieuwe feiten en omstandigheden bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en destijds ook niet als grond naar voren hadden kunnen worden gebracht.

2.14 Nu verzoekster heeft verklaard de betreffende documenten reeds bij haar inreis in haar bezit te hebben gehad, is er in beginsel geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Verzoekster had deze documenten immers in beginsel bij het eerste of het nader gehoor, althans in ieder geval vóór het nemen van de beslissing op haar aanvraag kunnen overleggen. Ook de littekens had zij in beginsel eerder kunnen tonen.

De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat verweerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom de psychische gesteldheid van verzoekster er in redelijkheid niet toe dient te leiden dat het niet eerder overleggen van deze documenten en het niet eerder tonen van deze littekens haar niet kan worden tegengeworpen en daarbij ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn beslissing tot afwijzing van de asielaanvraag kon worden gehandhaafd.

Daartoe is het volgende redengevend.

2.15 Uit het verslag van eerste gehoor en het nader gehoor kan worden afgeleid dat er in redelijkheid moet worden getwijfeld aan de psychische gesteldheid van verzoekster.

Verzoekster verklaart immers direct bij aanvang van het eerste gehoor uit zichzelf dat zij gisteren een advocaat heeft gesproken en dat deze haar heeft verteld dat zij hier niets moest vertellen, totdat zij weer met een advocaat zou spreken. Door de gehoorambtenaar wordt daarop niet gereageerd en desondanks geeft verzoekster verder haar medewerking aan het gehoor. Ook uit het vervolg van het eerste gehoor blijkt dat verzoekster - in ieder geval deels - weinig coherent verklaart. Op de vraag of zij in het bezit geweest is van een Sierraleoons paspoort verklaart zij dat haar vader een paspoort voor haar heeft geregeld, dat haar huis is afgebrand en dat haar moeder hierbij is omgekomen. Als de vraag vervolgens wordt herhaald antwoordt zij negatief. Ook op de vraag of het klopt dat zij nooit in het bezit is geweest van - naar de voorzieningenrechter aanneemt - een paspoort afgegeven door de Sierraleoonse autoriteiten antwoordt zij dat dat klopt. Op de volgende vraag - namelijk of zij de Sierraleoonse nationaliteit bezit - antwoordt zij echter dat het niet zo is dat zij nooit een paspoort heeft gehad. Haar vader heeft paspoorten geregeld, maar omdat deze tijdens de brand zijn vernietigd, heeft ze geen documenten. Later in het gehoor verklaart zij vervolgens dat zij nooit een paspoort heeft gehad. Ook verklaart zij dat zij nooit een authentiek, op haar naam gesteld overig document ter ondersteuning van haar identiteit of nationaliteit heeft gehad en dat ze niet weet of ze een geboorteakte heeft gehad. Dit laatste is in strijd met haar - door verweerder niet betwiste - verklaring dat zij het ter zitting getoonde en nadien overgelegde geboortecertificaat bij zich had toen zij Nederland inreisde, zoals ook de verklaring van de Sierraleoonse autoriteiten in Guinea moet worden beschouwd als een document waarmee zij haar identiteit en nationaliteit kan ondersteunen, zodat ook de eerdere vraag door haar onjuist is beantwoord.

Even later in het eerste gehoor begint verzoekster te huilen en verklaart zij dat haar moeder en broer dood zijn en dat zij niet weet waar haar vader is. Op het moment dat wordt gesproken over het dorp van haar oom, begint verzoekster opnieuw te huilen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat ze op de vraag hoe het met haar gaat, verklaart dat ze haar vader niet kan vinden, dat ze niet weet waar ze is en het hier helemaal niet kent. Op de vraag of zij nog wat aan haar eerdere verklaring wil toevoegen, verklaart zij dat de vrouw die haar heeft meegenomen haar had moeten meenemen naar Sierra Leone, maar dat ze er nu achter komt dat dit Sierra Leone niet is. Vervolgens raakt ze geëmotioneerd. Ze verklaart nog twee keer dat de vrouw haar naar Sierra Leone had moeten terugbrengen en vraagt vervolgens of de gehoorambtenaar haar kan helpen haar vader terug te vinden. Ook bij haar vrije asielrelaas verklaart zij dat haar moeder en haar broer zijn overleden en vraagt zij om hulp, nu zij haar vader is kwijtgeraakt.

In het dossier bevindt zich verder een meldingsformulier medische klachten asielzoeker, gedateerd 26 augustus 2002 21.00 uur. Dit formulier is vóór de uitreiking van de bestreden beschikking door de gemachtigde van verzoekster aan verweerder overgelegd. Op dit formulier is aangegeven dat verzoekster last lijkt te hebben van een ernstige psychische stoornis, dan wel ernstig is getraumatiseerd. Dit is blijkens het formulier geconstateerd door zowel de rechtshulpverlener als de medewerker van Vluchtelingenwerk. Blijkens het overlegformulier wat zich in het dossier bevindt, had mevr. Roosen ook al aan verweerder aangegeven dat verzoekster emotioneel was.

Het gedrag van verzoekster ter zitting roept eveneens de nodige vragen op omtrent haar psychische gesteldheid.

Daarbij is voorts van belang dat de handelwijze van verzoekster om pas ter zitting de betreffende documenten te overleggen, terwijl ze daarover al bij inreis in Nederland beschikte, geen redelijk doel kan dienen, gezien het feit dat haar asielverzoek is afgewezen nu verweerder niet geloofwaardig acht dat zij uit Sierra Leone afkomstig is en de vragen zowel bij het eerste en het nader gehoor ook met name waren gericht op haar identiteitspapieren en haar kennis over Sierra Leone. Dat geldt temeer gezien de aard van de documenten, waaronder een origineel geboortecertificaat van Sierra Leone op haar naam.

Tenslotte is van belang dat uit het beleid van verweerder is af te leiden dat bij asielzoekers afkomstig uit Sierra Leone rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat zij traumatische ervaringen hebben gehad. Verzoekster meldt in het eerste en het nader gehoor diverse malen dat haar moeder en haar broer zijn omgekomen toen haar huis in brand is gestoken - een gebeurtenis die volgens het beleid van verweerder kan leiden tot een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw - en meldt voorts dat het huis van haar oom eveneens in brand is gestoken, waarbij zijn gezin is omgekomen. Traumatische ervaringen kunnen ertoe leiden dat het afleggen van een coherente verklaring wordt bemoeilijkt. In C1/4.4.2.3 Vreemdelingencirculaire 2000 is in dit verband ook opgenomen dat voor de vraag of het asielrelaas consistent is, als er sprake is van traumatische ervaringen, rekening dient te worden gehouden met de geestelijke gesteldheid van betrokkene.

2.16 In het licht van voormelde omstandigheden en overwegingen heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de aanvraag van verzoekster in redelijkheid - ondanks de aanwijzingen dat aan haar psychische gesteldheid kan worden getwijfeld - in ac kon worden afgedaan. Met het in beroep overleggen van een voor haar aanvraag zo essentieel document als een Sierraleoons geboorte-certificaat, terwijl zij daarover bij binnenkomst al beschikte, wordt die twijfel aan haar psychische gesteldheid verder verstrekt.

Voorts kan het standpunt van verweerder dat verzoekster de documenten eerder had moeten overleggen en de littekens eerder had moeten tonen, in redelijkheid niet zonder nadere motivering worden gevolgd en heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd waarom de door verzoekster overgelegde - deels originele - identiteitsdocumenten in redelijkheid niet dienen te leiden tot wijziging of intrekking van de beslissing tot afwijzing van het asielverzoek van verzoekster en het niet toekennen van een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder b, c of d Vw. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte in het kader van de ac-procedure afgewezen. Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 3:46 Awb jo. 29 Vw jo. 3.117 Vb, alsmede 83 Vw jo. 3:46 Awb jo. 29 Vw jo. 3.117 Vb. Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoekster zal dan ook gegrond worden verklaard. Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

1.17 In dit geval is aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op EUR 966,-- (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoekster een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 26 augustus 2002;

3.2 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 24 augustus 2002;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad 966,- euro onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.T. van Rens, voorzieningenrechter en uitgesproken in het openbaar op 12 september 2002, in tegenwoordigheid van mr. M. Geschiere als griffier.

Afschrift verzonden op: 12 september 2002

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voorzover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voorzover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.