Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9431

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
29-10-2002
Zaaknummer
AWB 00/2951
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging vtv / schadebesluit / relativiteitsvereiste.

Eiseres, met de Turkse nationaliteit, heeft verzocht om schadevergoeding met als grondslag dat schade is geleden door het lang uitblijven van een nieuw (inwilligend) besluit na de uitspraak van de president, waarbij het beroep van eiseres gegrond was verklaard en de staatssecretaris was opgedragen een nieuw besluit te nemen. Dit verzoek is door de staatssecretaris afgewezen. De rechtbank heeft de vraag of de staatssecretaris gehouden is de gestelde schade (het niet kunnen verwerven van inkomen, omdat de vreemdeling geen toestemming had om arbeid te verrichten) te vergoeden, beoordeeld aan de hand van de bepalingen van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW), met name artikel 6:162 BW, en de ter zake daarvan door de burgerlijk rechter gevormde jurisprudentie. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat het niet hebben kunnen verwerven van inkomsten uit arbeid het directe en onmiddellijke gevolg is van het niet eerder nemen van het (inwilligend) besluit door de staatssecretaris omtrent de verlenging van de geldigheidsduur van de vtv. Eiseres heeft voorts onvoldoende aangetoond dat daadwerkelijk schade is geleden. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het relativiteitsvereiste, nu vrije toegang tot de arbeidsmarkt geen onderdeel uitmaakt van het doel van de verlen(g)ing (van de geldigheidsduur) van een vtv. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE 'S-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummer: AWB 00/2951 VRWET V35 CC

Datum uitspraak: 19 juni 2002

Uitspraak op het beroep in het geschil tussen:

A, geboren op [...] 1974 en van Turkse nationaliteit, eiseres,

gemachtigde mr. I.K. Kolev, advocaat te Eindhoven,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 8 mei 1996 heeft eiseres een aanvraag ingediend om verlenging van de aan haar verleende vergunning tot verblijf alsmede een aanvraag om wijziging van de beperking waaronder de vergunning tot verblijf is verleend.

Bij besluit van 18 juli 1996 zijn deze aanvragen niet ingewilligd. Dit besluit is op 30 augustus 1996 aan eiseres uitgereikt.

Bij brief van 5 september 1996 heeft eiseres tegen dit besluit een administratief beroepschrift ingediend.

Bij schrijven van 27 september 1996 heeft verweerder laten weten dat eiseres de behandeling van het administratieve beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Bij verzoekschrift van 9 oktober 1996 heeft eiseres de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting van eiseres achterwege wordt gelaten totdat op het administratief beroep zal zijn beslist. Op 10 oktober 1996 heeft eiseres de gronden van het administratief beroepschrift aangevuld.

Bij besluit van 28 november 1996 heeft verweerder het administratief beroep ongegrond verklaard. Dit besluit is op dezelfde datum aan de gemachtigde van eiseres toegezonden. Daarbij is medegedeeld dat eiseres de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 19 december 1996 beroep ingesteld. Bij brief van dezelfde datum heeft eiseres haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gewijzigd in die zin dat gevraagd wordt verweerder te verbieden eiseres uit Nederland te verwijderen alvorens op haar beroepschrift is beslist.

Bij uitspraak van 27 mei 1997 (AWB 96/9484 VV en AWB 97/540 V1) heeft de president van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 november 1996 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Bij besluit van 2 april 1999 heeft verweerder het administratief beroep van 5 september 1996 gegrond verklaard en de geldigheidsduur van de aan eiseres verleende vergunning tot verblijf verlengd tot 8 mei 1999.

Bij schrijven van 12 mei 1999 heeft de gemachtigde van eiseres verweerder verzocht om schadevergoeding.

Bij besluit van 11 juni 1999 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om toekenning van schadevergoeding niet ingewilligd.

Op 14 juni 1999 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij schrijven van 8 september 1999 heeft eiseres de gronden van het bezwaar aangevuld.

Op 20 januari 2000 is eiseres omtrent haar bezwaar gehoord door een ambtelijke commissie. Bij schrijven van 1 maart 2000 heeft eiseres nogmaals de gronden van het bezwaar aangevuld.

Bij besluit van 7 maart 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Op dezelfde datum is dit besluit aan de gemachtigde van eiseres toegezonden.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij schrijven van 12 april 2000 beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 14 april 2000 ter griffie van de rechtbank ontvangen. Bij schrijven van 17 mei 2000 heeft eiseres de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 28 mei 2002, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door mr. P. van Zijl, ambtenaar ten departemente.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 7 maart 2000 in rechte stand kan houden. Bij dit besluit is het bezwaar van eiseres, gericht tegen de niet-inwilliging van haar verzoek om schadevergoeding, ongegrond verklaard.

Alvorens deze vraag te beantwoorden zal de rechtbank zich buigen over de vraag of zij als vreemdelingenkamer van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige beroep.

Aan de orde is een zogeheten zuiver (ook wel: zelfstandig) schadebesluit op basis van een veronderstelde onrechtmatige overheidsdaad. Ten aanzien van de vraag welke bestuursrechter bevoegd is kennis te nemen van beroepen tegen dergelijke besluiten wordt aansluiting gezocht bij een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 december 1999 (AWB 98/534 VRWET, gepubliceerd in AB 2000/234). In deze uitspraak overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) alleen die administratieve rechter bevoegd is kennis te nemen van het (hoger) beroep tegen een zelfstandig schadebesluit, die ook bevoegd is te oordelen over (hoger) beroepen tegen het schadeveroorzakend handelen zelf (leer van de processuele connexiteit). In het onderhavige geval is het besluit waaruit de gestelde schade voortvloeit, dat van 18 juli 1996 c.q. dat van 28 november 1996.

Ten aanzien van beroepen tegen besluiten, gegeven op grond van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40), verder te noemen Vw (oud), is ingevolge artikel 33a, eerste lid van de Vw (oud) uitsluitend deze rechtbank bevoegd. Het hiervoor vermelde beginsel van processuele connexiteit brengt met zich dat deze rechtbank - en meer specifiek de vreemdelingenkamer - bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het in het geding zijnde zelfstandig schadebesluit. Een consequentie daarvan is, gelet op artikel 33e van de Vw (oud), dat tegen de uitspraak van deze rechtbank geen hoger beroep openstaat.

Gelet op het vorenstaande is deze rechtbank derhalve bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen.

De rechtbank gaat bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden uit van de volgende feiten.

Eiseres heeft op 6 augustus 1989 een aanvraag om een vergunning tot verblijf ingediend, met als doel: "verblijf bij echtgenoot B", waarna zij in het bezit is gesteld van de gevraagde vergunning tot verblijf. Uit het huwelijk tussen eiseres en haar echtgenoot is op 9 oktober 1993 een kind geboren, C genaamd. Op 1 november 1994 is het huwelijk van eiseres, op grond waarvan haar verblijf hier te lande was toegestaan, feitelijk ontwricht. Ingevolge het beleid werd eiseres in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf onder de beperking arbeid in loondienst, met een geldigheidsduur tot 8 mei 1996. Eiseres heeft op 8 mei 1996 een aanvraag ingediend om verlenging van de aan haar verleende vergunning tot verblijf, alsmede een aanvraag om wijziging van de beperking waaronder de vergunning tot verblijf is verleend.

Nadat deze aanvragen in eerste aanleg en in administratief beroep waren afgewezen, heeft de president van de rechtbank 's-Gravenhage, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, bij uitspraak van 27 mei 1997, het besluit van 28 november 1996 vernietigd. Bij besluit van 2 april 1999 heeft verweerder de geldigheidsduur van de aan eiseres verleende vergunning tot verblijf verlengd tot 8 mei 1999. Bij schrijven van 12 mei 1999 heeft de gemachtigde van eiseres verweerder verzocht om schadevergoeding met als grondslag dat schade is geleden door het lang uitblijven van een nieuw besluit van verweerder na de uitspraak van de president, waarbij het beroep van eiseres gegrond was verklaard en verweerder was opgedragen een nieuw besluit te nemen.

De schade die eiseres stelt te hebben geleden bestaat uit het niet kunnen verwerven van inkomen, omdat zij geen toestemming had om arbeid te verrichten. Op 2 maart 2000 zijn namens eiseres inkomstengegevens overgelegd, waaruit blijkt dat zij over de maand januari 1999 een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) heeft ontvangen en dat eiseres op 2 augustus 1999 bij Tempo Team uitzendbureau in dienst is getreden en over 1999 een bruto loon heeft ontvangen van ƒ 12.752,-.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen recht op schadevergoeding toekomt. Ter zitting heeft de gemachtigde verweerder aangegeven dat de onrechtmatigheid van het besluit tot niet-inwilliging van de aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning niet wordt betwist. Ten aanzien van de door eiseres gestelde schade vanwege inkomstenderving uit arbeid, wijst verweerder op de verklaring van eiseres in het zogenoemde model D16, inhoudende dat zij geen inkomsten uit arbeid heeft kunnen verwerven in verband met de verzorging van haar kind. Verweerder kan eiseres derhalve niet volgen in haar stelling dat zij ten gevolge van het uitblijven van de vergunning tot verblijf schade heeft geleden vanwege inkomensderving. Bovendien heeft eiseres naar de mening van verweerder verzuimd aan te tonen dat er daadwerkelijk schade is geleden. Verweerder ziet niet in op welke wijze de door eiseres overgelegde inkomstengegevens grond kunnen vormen voor het standpunt dat eiseres bij eerdere toekenning van de verblijfstitel eerder inkomsten uit arbeid had kunnen verkrijgen. In het onderhavige geval is er volgens verweerder voorts geen sprake van dat de schade het directe en onmiddellijke gevolg is van het schadeveroorzakende besluit, aangezien eiseres niet heeft aangetoond dat het niet hebben kunnen verwerven van inkomsten uit arbeid direct en onmiddellijk voortvloeit uit het niet tijdig beschikken over de verblijfstitel. Tot slot stelt verweerder dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De aan de orde zijnde norm ziet op het verkrijgen van een vergunning tot verblijf en heeft niet als doel de aanvrager in de gelegenheid te stellen in Nederland arbeid te verrichten. De toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt is slechts een neveneffect van de toekenning van de vergunning tot verblijf. Het belang waarin eiseres stelt te zijn geschaad wordt niet door de geschonden norm beschermd.

Eiseres stelt zich daarentegen op het standpunt dat zij als gevolg van het langdurige uitblijven van een nieuw besluit van de zijde van verweerder schade heeft geleden. Naar de mening van eiseres was de inhoud van de uitspraak van 27 mei 1997 zodanig dat verweerder er niet meer omheen kon om aan eiseres een vergunning tot verblijf te verstrekken. Eiseres ziet dan ook niet in waarom verweerder bijna twee jaar nodig heeft gehad om bij besluit van 2 april 1999 het administratief beroep alsnog gegrond te verklaren. Verder heeft eiseres aangegeven dat zij zolang zij niet beschikte over een vergunning tot verblijf geen arbeid in loondienst kon verrichten. Vanaf het moment dat haar kind naar school is gegaan zou zij inkomsten uit arbeid hebben kunnen genieten tegen een salaris van ƒ 612,48 per week, terwijl zij nu over de periode mei 1996 - februari 1999 een ABW-uitkering heeft genoten. Het verschil tussen de inkomsten die eiseres uit arbeid had kunnen verkrijgen en de inkomsten die zij krachtens de ABW heeft ontvangen wordt door eiseres gesteld op ƒ 900,- per maand. Over de periode augustus 1996 tot februari 1999 wordt de totale schade door eiseres begroot op ƒ 27.000,-. Tot slot is eiseres van mening dat de aan haar verstrekte vergunning tot verblijf met zich meebrengt dat zij hier te lande arbeid kan verrichten. Eiseres bestrijdt dan ook dat de toegang tot de arbeidsmarkt slechts een neveneffect is van de toekenning van de vergunning.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de Memorie van Toelichting op artikel 8:73 van de Awb blijkt dat bij de beantwoording van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht moet worden aangesloten. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit eveneens, wanneer het gaat om de beoordeling van een zuiver schadebesluit. De vraag of verweerder in casu gehouden is de schade die voortvloeit uit het primair genomen besluit aan eiser te vergoeden, beoordeelt de rechtbank derhalve aan de hand van de bepalingen van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW), met name artikel 6:162, en de terzake daarvan door de burgerlijke rechter gevormde jurisprudentie.

Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR) dat, indien een overheidslichaam een besluit neemt en handhaaft dat naderhand door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met de wet, dat lichaam jegens de door dat besluit getroffene een onrechtmatige daad begaat. Daarmee is de schuld van het overheidslichaam in beginsel, in de terminologie van artikel 6:162 van het BW, gegeven. Zelfs wanneer het overheidslichaam geen enkel verwijt treft, moet worden aangenomen dat deze onrechtmatige daad in beginsel voor rekening van het overheidslichaam komt.

Naar het oordeel van de rechtbank moet, gelet op de hiervoor genoemde grondgedachte, ook in de situatie waarin het overheidsorgaan in administratief beroep - na vernietiging van het eerder genomen besluit van een eerder ingenomen standpunt terugkomt, worden aangenomen dat, indien de onrechtmatigheid van het primaire besluit door de rechtbank wordt vastgesteld, ook dan in beginsel die daad aan het overheidsorgaan moet worden toegerekend. De rechtbank vindt hiervoor steun in het arrest van de HR van 30 januari 1987, r.o. 3.1 en 3.2 (NJ 1988,90 [Nibourg BV/gem.Zuidwolde]).

De rechtbank zal hierna overgaan tot toetsing of is voldaan aan alle voorwaarden, voortvloeiend uit artikel 6:162 van het BW.

Onrechtmatigheid

Niet in geschil is tussen partijen dat in de onderhavige zaak het besluit van 18 juli 1996 als onrechtmatig genomen besluit dient te worden aangemerkt, nu verweerder in het besluit van 2 april 1999 - na de daaraan voorafgaande vernietiging- het

administratief beroep van eiseres alsnog gegrond verklaard en de geldigheidsduur van de aan eiseres verleende vergunning tot verblijf heeft verlengd. Deze onrechtmatige daad kan aan verweerder worden toegerekend.

Causaal verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de geleden schade

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij, als gevolg van het feit dat eerst bij besluit van 2 april 1999 het administratief beroep van eiseres alsnog gegrond is verklaard en de geldigheidsduur van de aan haar verleende vergunning tot verblijf is verlengd, schade als gesteld heeft geleden. De stelling van eiseres dat, indien verweerder eerder dit besluit had genomen, zij ook reeds eerder betaalde arbeid zou hebben kunnen verrichten, maakt de schade uit inkomensderving nog niet aannemelijk. Immers, bij schrijven van 12 februari 1997 heeft de gemachtigde van eiseres onder meer aangevoerd dat "het verwijt dat aan eiseres gemaakt wordt dat zij geen opleiding of enige werkzaamheden heeft verricht ten onrechte wordt gemaakt. Eiseres heeft de verzorging en opvoeding van haar kind moeten doen. Eiseres was tot voor kort, het moment dat haar kind naar school ging, niet in staat om enige werkzaamheden te verrichten". Daarnaast blijkt uit het door verweerder overgelegde zogenoemde model D16 van de Vreemdelingendienst dat eiseres op 8 mei 1996 voor verlenging van haar vergunning tot verblijf kwam en toen geen arbeid verrichtte. Eiseres had ook geen arbeid verricht en kon volgens haar zeggen ook niet gaan werken omdat zij de zorg had voor haar kind. Volgens haar verklaring had eiseres geen familie of bekenden die voor opvang voor haar kind zouden kunnen zorgen zodat zij kan gaan werken. Bovendien was zij bang dat als zij zou gaan werken zij tijdens de echtscheiding minder sterk in de schoenen staat inzake de voogdij over het kind. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat zij schade heeft geleden vanaf het moment dat haar kind naar school is gegaan en dat haar kind in september 1997 naar school is gegaan. Dit is niet in overeenstemming met hetgeen namens eiseres bij brief van 12 mei 1999 is gesteld, namelijk dat indien zijn in juli 1996 een verlenging van haar verblijfsvergunning had verkregen, zij vanaf augustus 1996 arbeid had kunnen verrichten. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat tegen deze achtergrond eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling dat zij, ten gevolge van het niet eerder nemen door verweerder van het besluit tot verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf, schade heeft geleden wegens inkomensderving. Niet is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt door eiseres dat het niet hebben kunnen verwerven van inkomsten uit arbeid het directe en onmiddellijke gevolg is van het niet eerder nemen van het besluit door verweerder omtrent de verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf.

Eiseres heeft voorts onvoldoende aangetoond dat er daadwerkelijk schade is geleden. Niet valt in te zien hoe de namens eiseres op 2 maart 2000 overgelegde inkomstengegevens kunnen leiden tot het oordeel dat eiseres bij een eerder door verweerder genomen besluit eerder inkomsten uit arbeid had kunnen verkrijgen.

Relativiteitsvereiste

Allereerst overweegt de rechtbank dat het relativiteitsvereiste, neergelegd in artikel 6:163 van het BW, inhoudt dat de geschonden norm ertoe moet strekken het belang waarin de betrokkene stelt te zijn geschaad te beschermen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat in het onderhavige geval niet aan dit vereiste is voldaan. De aanvraag van eiseres tot verlenging van de geldigheidsduur van de aan haar verleende

verblijfsvergunning heeft niet tot doel het verkrijgen dan wel verlengen van alle daaraan verbonden rechten, maar enkel het verkrijgen dan wel verlengen van de verblijfstitel. Daarnaast is er bij de inwilliging van deze aanvraag sprake van zogenaamde neveneffecten, zoals vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Echter, deze neveneffecten maken geen onderdeel uit van het doel van de verlen(g)ing (van de geldigheidsduur) van een vergunning tot verblijf.

Met verweerder is de rechtbank is van oordeel dat deze neveneffecten geen onderdeel uitmaken van het doel van de verlening van een vergunning tot verblijf en dat derhalve niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan.

Nu niet aan alle voorwaarden voor schadevergoeding is voldaan heeft verweerder op goede gronden het bezwaar van eiseres gericht tegen de niet-inwilliging van hun verzoek om schadevergoeding ongegrond verklaard.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep ongegrond is.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. N.M. Spelt als rechter in tegenwoordigheid van mr. B.J. Groothedde als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2002.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschriften verzonden: 20 juni 2002