Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9425

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-06-2002
Datum publicatie
29-10-2002
Zaaknummer
AWB 01/47412
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum vtv / schadebesluit / relativiteitsvereiste.

Eisers, met de Iraanse nationaliteit, hebben verzocht om schadevergoeding met als grondslag dat de toekenning van de verblijfstitels aan hen te laat heeft plaatsgevonden. Dit verzoek is door de staatssecretaris afgewezen. De rechtbank heeft de vraag of de staatssecretaris gehouden is de gestelde materiële (gederfde inkomsten uit arbeid en het mislopen van kinderbijslag dan wel studiefinanciering) en immateriële schade te vergoeden, beoordeeld aan de hand van de bepalingen van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW), met name artikel 6:162 BW, en de ter zake daarvan door de burgerlijke rechter gevormde jurisprudentie. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van schade c.q. dat de gestelde schade het noodzakelijke en onvermijdelijke gevolg is van het niet tijdig verlenen van de verblijfstitels. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het relativiteitsvereiste, nu de aanvragen van eisers om toelating als vluchteling en om een vtv niet tot doel hebben het verkrijgen van alle daaraan verbonden rechten (zoals vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt).

Voorafgaande aan de toetsing door de rechtbank of is voldaan aan alle voorwaarden uit artikel 6:162 BW, heeft de rechtbank vastgesteld dat ter zitting door de staatssecretaris is erkend dat, voorzover het de (reis)kosten van de studie van de dochter van eisers betreft, aan de vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan. De rechtbank sluit zich daarbij aan. In zoverre is het onderhavige beroep dan ook gegrond. Voor het overige is het beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73, geldigheid: 2002-06-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE 'S-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummer: AWB 01/47412 OVERIO A1

AWB 01/47418 OVERIO A1

AWB 01/47419 OVERIO A1

Datum uitspraak: 24 juni 2002

Uitspraak op het beroep in het geschil tussen:

A, hierna te noemen: eiser,

B, hierna te noemen: eiseres 1 en

C, hierna te noemen: eiseres 2,

allen wonende te D, hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde mr. M.A. Collet, advocaat te Waalwijk,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiseres 1, van Iraanse nationaliteit, heeft op 5 oktober 1994, mede ten behoeve van haar dochter, eiseres 2, aanvragen om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf ingediend. Eiser, eveneens van Iraanse nationaliteit, heeft op 7 januari 1996 soortgelijke aanvragen ingediend.

Nadat deze aanvragen in eerste aanleg en in bezwaar waren afgewezen, heeft deze rechtbank, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, bij uitspraak van 2 februari 1998 (AWB 97/4717 VRWET), de besluiten vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw op de bezwaren diende te beslissen.

Na ongegrondverklaring van de bezwaren door verweerder bij besluiten van 23 maart 1998, heeft de rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, bij uitspraak van 19 november 1998 (AWB 98/3130 VRWET), ook deze besluiten vernietigd en bepaald dat verweerder met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen opnieuw diende te beslissen.

Bij besluit van 1 juni 1999 is eiseres 1 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen, mede ten behoeve van haar dochter, eiseres 2, met ingang van 6 oktober 1997. Bij besluit van gelijke datum is ook eiser in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen, echter met ingang van 8 januari 1999.

Bij schrijven van 15 december 1999 hebben eisers verweerder verzocht om schadevergoeding.

Bij besluit van 1 maart 2000 heeft verweerder de aanvraag van eisers om toekenning van schadevergoeding niet ingewilligd.

Op 6 april 2000 hebben eisers tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij schrijven van 2 mei 2000 hebben eisers de gronden van het bezwaar aangevuld.

Op 28 september 2000 zijn eisers omtrent hun bezwaar gehoord door een ambtelijke commissie. Tijdens deze hoorzitting is de gemachtigde van eisers in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken nadere informatie aan te dragen. Bij schrijven van 16 oktober 2000 heeft de gemachtigde van eisers nadere informatie aangedragen.

Bij besluit van 26 oktober 2000 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij schrijven van 13 november 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank te Breda. Het beroepschrift is diezelfde dag ter griffie van die rechtbank ontvangen.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De rechtbank te Breda heeft zich bij uitspraak van 3 juli 2001 (01/488 WET) onbevoegd verklaard en het geding, in de stand waarin het zich bevond, naar deze rechtbank, zittende te 's-Hertogenbosch gezonden.

De behandeling van het beroep is vervolgens voortgezet ter zitting van 21 maart 2002, waar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. P. van Zijl, ambtenaar ten departemente.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 26 oktober 2000 in rechte stand kan houden. Bij dit besluit is het bezwaar van eisers, gericht tegen de niet-inwilliging van hun verzoek om schadevergoeding, ongegrond verklaard.

Alvorens deze vraag te beantwoorden zal de rechtbank zich buigen over de vraag of zij als vreemdelingenkamer van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige beroep.

Aan de orde is een zogeheten zuiver (ook wel: zelfstandig) schadebesluit op basis van een veronderstelde onrechtmatige overheidsdaad. Ten aanzien van de vraag welke bestuursrechter bevoegd is kennis te nemen van beroepen tegen dergelijke besluiten wordt aansluiting gezocht bij de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 december 1999 (AWB 98/534 VRWET, gepubliceerd in AB 2000/234). In deze uitspraak overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) alleen die administratieve rechter bevoegd is kennis te nemen van het (hoger) beroep tegen een zelfstandig schadebesluit, die ook bevoegd is te oordelen over (hoger) beroepen tegen het schadeveroorzakend handelen zelf (leer van de processuele connexiteit). In casu betreft het verzoek de, gezien de uitspraak van de rechtbank van 19 november 1998, te late verlening van verblijfstitels, in casu op grond van het driejarenbeleid, bij besluiten van 1 juni 1999.

Ten aanzien van beroepen tegen besluiten, gegeven op grond van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40), verder te noemen Vw (oud), is ingevolge artikel 33a, eerste lid van de Vw (oud) uitsluitend deze rechtbank bevoegd. Het hiervoor vermelde beginsel van processuele connexiteit brengt met zich dat deze rechtbank - en meer specifiek de vreemdelingenkamer - bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het in het geding zijnde zelfstandig schadebesluit. Een consequentie daarvan is, gelet op artikel 33e van de Vw (oud), dat tegen de uitspraak van deze rechtbank geen hoger beroep openstaat.

Gelet op het vorenstaande en dat uit het procesverloop blijkt dat het beroep tijdig is ingediend is deze rechtbank derhalve bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen.

De rechtbank gaat bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden uit van de in reeds in het procesverloop uiteengezette feiten.

Bij schrijven van 15 december 1999 heeft de gemachtigde van eisers verweerder verzocht om schadevergoeding met als grondslag dat de toekenning van de verblijfstitels aan eisers te laat heeft plaatsgevonden, waardoor schade is geleden.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat met de vernietiging van de bestreden besluiten van 23 maart 1998 door de rechterlijke uitspraak van 19 november 1998, in beginsel, de onrechtmatigheid van de bestreden besluiten is gegeven. Echter, nu de toekenning van de verblijfstitels bij besluit van 1 juni 1999 heeft plaatsgevonden, is hiermee geenszins gegeven dat deze toekenning bijna twee jaar te laat heeft plaatsgevonden.

Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat voor toekenning van schadevergoeding is vereist dat er een causaal verband bestaat tussen het onrechtmatige besluit en de opgetreden schade. In het onderhavige geval is er volgens verweerder geen sprake van dat de schade het directe en onmiddellijke gevolg is van het schadeveroorzakende besluit. Dat, indien de vergunning tot verblijf zonder beperkingen tijdig zou zijn verleend, eiser en eiseres 1 mogelijk reeds aan het werk zouden zijn geweest, leidt naar de mening van verweerder niet tot de conclusie dat als feit kan worden aangenomen dat zij door de (te) late toekenning van de verblijfstitels inkomensschade hebben geleden. Ten aanzien van de psychosociale problematiek die eisers stellen te hebben ondervonden voert verweerder aan dat in casu niet is gebleken van immateriële schade. Verder merkt verweerder op dat de aanspraak op kinderbijslag met terugwerkende kracht kan worden toegekend.

Tot slot stelt verweerder dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De geschonden norm moet ertoe strekken het belang waarin eisers stellen te zijn geschaad te beschermen. Aan deze norm wordt niet voldaan. Immers, het doel van het verlenen van de onderhavige verblijfstitels is het bieden van bescherming tegen gedwongen verwijdering van eisers naar het land van herkomst. Weliswaar is aan het verkrijgen van voornoemde verblijfstitels het neveneffect verbonden dat op enig moment recht op arbeid ontstaat, doch de norm ziet niet op het bewerkstelligen van dit neveneffect.

Eisers stellen zich daarentegen op het standpunt dat zij als gevolg van het onzorgvuldig genomen besluit van verweerder zowel materiële als immateriële schade hebben geleden. De toekenning van de verblijfstitels ten aan zien van eiseressen heeft circa twee jaar te laat en ten aanzien van eiser vijf maanden te laat plaatsgevonden, ten gevolge waarvan schade is ontstaan in de vorm van inkomstenderving door eiser en eiseres 1.

Eisers voeren aan dat het moment waarop uiteindelijk de Nederlandse arbeidsmarkt kan worden betreden, is vertraagd met een zelfde periode als die gedurende welke de verblijfstitels ten onrechte niet zijn afgegeven. Indien de verblijfstitels tijdig waren verleend, zouden eisers mogelijk reeds aan het werk zijn geweest. Het is niet het verstrekken van de verblijfstitels die leidt tot schade, maar het late tijdstip waarop de vtv is verleend. De schade wordt door eisers begroot op ƒ 37.362,13. Tevens wordt door eisers gesteld dat er schade is geleden doordat over de gestelde periode geen kinderbijslag dan wel studiefinanciering is ontvangen ten behoeve van eiseres 2. Ter onderbouwing hiervan hebben eisers op 16 oktober 2000 een schoolverklaring van 3 oktober 2000 overgelegd, waarin wordt verklaard dat eiseres 2 vanaf 1 augustus 1997 tot 31 juli 2000 de opleiding Tandartsassistente heeft gevolgd. Met betrekking tot die studie is een gespecificeerde onkostenrekening, ten bedrage van ƒ 1.971,45, in het geding gebracht. Tevens is ter onderbouwing van de kosten van het openbaar vervoer een maandtrajectkaart van de NS van de maand mei 1999 en een busabonnement van de maand mei 1999 overgelegd. Naar de mening van eisers kunnen studiefinanciering en kinderbijslag niet met terugwerkende kracht worden verleend.

Verder houdt verweerder naar de mening van eisers ten onrechte geen rekening met de psychosociale problematiek die is ontstaan door het lange uitblijven van een gunstige beslissing. Hierdoor is nog extra vertragingsschade ontstaan.

Tot slot wordt volgens eisers ten onrechte gesteld dat de onderhavige verblijfstitel niet tot doel heeft de financiële positie van eisers te beïnvloeden. Door het uitblijven van de verlening van de verblijfstitels is de financiële positie van eisers beïnvloedt en is er dus sprake van een causaal verband waarvoor verweerder aansprakelijk kan worden gesteld.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de Memorie van Toelichting op artikel 8:73 van de Awb is vermeld dat voor de beantwoording van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht moet worden aangesloten. Dit is in jurisprudentie van de CRvB (o.a. CRvB 30 maart 1995, AB 1995,34) bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit eveneens wanneer het gaat om de beoordeling van een zuiver schadebesluit.

De vraag of verweerder in casu gehouden is de schade die voortvloeit uit het primair genomen besluit aan eiser te vergoeden, beoordeelt de rechtbank derhalve aan de hand van de bepalingen van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW), met name artikel 6:162, en de ter zake daarvan door de burgerlijke rechter gevormde jurisprudentie.

Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR) dat, indien een overheidslichaam een besluit neemt en handhaaft dat naderhand door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met de wet, dat lichaam jegens de door dat besluit getroffene een onrechtmatige daad begaat. Daarmee is de schuld van het overheidslichaam in beginsel, in de terminologie van artikel 6:162 van het BW, gegeven. Zelfs wanneer het overheidslichaam geen enkel verwijt treft, moet worden aangenomen dat deze onrechtmatige daad in beginsel voor rekening van het overheidslichaam komt.

Deze jurisprudentie is weliswaar niet rechtstreeks van toepassing op de in dit geding aan de orde zijnde vraag, nu er in casu geen sprake is van een door de rechter vernietigd besluit, maar naar het oordeel van de rechtbank moet, gelet op de hiervoor genoemde grondgedachte, ook in de situatie waarin het overheidsorgaan in de bezwaarfase de zaak heroverweegt en in dat kader van een eerder ingenomen standpunt terugkomt, worden aangenomen dat, indien de onrechtmatigheid van het primaire besluit door de rechtbank wordt vastgesteld, ook dan in beginsel die daad aan het overheidsorgaan moet worden toegerekend. De rechtbank vindt hiervoor steun in het arrest van de HR van 30 januari 1987, r.o. 3.1 en 3.2 (NJ 1988,90 Nibourg BV/gem.Zuidwolde).

Voorafgaande aan de toetsing door de rechtbank of is voldaan aan alle voorwaarden uit artikel 6:162 van het BW, stelt de rechtbank vast dat ter zitting door verweerder is erkend dat, voor zover het de (reis)kosten van de studie van eiseres 2 betreft, aan de vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan. De rechtbank sluit zich daarbij aan. In zoverre is het onderhavige beroep dan ook gegrond.

Onrechtmatigheid

De rechtbank is van oordeel dat de besluiten van 23 maart 1998 als onrechtmatig moeten worden aangemerkt, nu deze besluiten bij rechterlijke uitspraak van 19 november 1998 zijn vernietigd en verweerder, dientengevolge, bij besluit van 1 juni 1999 het bezwaar van eisers alsnog gegrond heeft verklaard en eisers in het bezit heeft gesteld van vergunningen tot verblijf zonder beperkingen. Gelet op deze uitspraak valt deze onrechtmatige daad aan verweerder toe te rekenen, nu aan het besluit, voor zover eiseressen daarbij een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid werd onthouden, een onvoldoende draagkrachtige en kenbare motivering ten grondslag was gelegd. Hetzelfde geldt ten aanzien van het onrechtmatig handelen tegenover eiser, nu de rechtbank in die uitspraak in zoverre heeft overwogen dat, gelet op de vernietiging van het besluit van 23 maart 1998 betreffende eiseressen en het ontbreken van een op de individuele zaak van eiser toegesneden en kenbare belangenafweging c.q. motivering, gerelateerd aan het beroep van eisers op artikel 8 van het artikel 8 EVRM, het besluit ook ten aanzien van eiser diende te worden vernietigd.

Causaal verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de geleden schade

Volgens eisers bestaat de schade uit gederfde inkomsten uit arbeid ten aanzien van eiser en eiseres 1 en het mislopen van kinderbijslag dan wel studiefinanciering ten behoeve van eiseres 2. De schade als gevolg van inkomensderving is door eisers begroot op ƒ 37.362,13, gebaseerd op het minimumloon, gerekend vanaf het moment dat eiser en eiseres 1 hun verblijfstitels zouden kunnen hebben gehad.

De rechtbank stelt vast dat geen der eisers stukken heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij of zij van werk verzekerd zou zijn geweest, dan wel hem of haar een aanbod van werk was gedaan waarmee hij of zij het minimumloon zou hebben verdiend. De rechtbank merkt op dat de omstandigheid dat een vreemdeling beschikt over een verblijfstitel en een daaraan verbonden werkdocument, als zodanig geen garantie biedt op werk. Eisers hebben, in dat licht bezien, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij, als gevolg van de (te) late verlening van de vergunningen tot verblijf zonder beperkingen reeds aan het werk zouden zijn geweest en inkomsten uit arbeid hebben gederfd c.q. schade hebben geleden.

Ten aanzien van het mislopen van kinderbijslag en studiefinanciering ten behoeve van eiseres 2 stelt de rechtbank vast dat er geen negatieve beschikking is overgelegd door eisers van respectievelijk de Sociale Verzekeringsbank of de Informatie Beheer Groep dat eiseres 2 niet met terugwerkende kracht recht heeft op kinderbijslag dan wel studiefinanciering. De rechtbank is zelfs niet gebleken dat daartoe aanvragen bij de desbetreffende instanties zijn ingediend. Verweerder heeft zich dan ook terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat de gestelde materiële schade niet het noodzakelijke en onvermijdelijke gevolg is van het niet tijdig verlenen van een vergunning tot verblijf.

Met betrekking tot eisers' stelling betreffende de ondervonden immateriële schade heeft verweerder zich, naar het oordeel van de rechtbank, op goede gronden op het standpunt gesteld dat deze niet is onderbouwd.

Relativiteitsvereiste

Allereerst overweegt de rechtbank dat het relativiteitsvereiste, neergelegd in artikel 6:163 van het BW, inhoudt dat de geschonden norm ertoe moet strekken het belang waarin de betrokkene stelt te zijn geschaad te beschermen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat in het onderhavige geval niet aan dit vereiste is voldaan. De aanvraag van eisers om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf hebben niet tot doel het verkrijgen van alle daaraan verbonden rechten. Het doel van een asielaanvraag is het verkrijgen van bescherming tegen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en bescherming tegen refoulement bij terugkeer naar het land van herkomst. Het doel van aanvraag om een vergunning tot verblijf is gelegen in de aangevoerde humanitaire redenen. Daarnaast is toelating als vluchteling of bij de verlening van een vergunning tot verblijf sprake van zogenaamde neveneffecten. Een van deze neveneffecten is vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt. De rechtbank is van oordeel dat deze neveneffecten geen onderdeel uitmaken van het doel van de toelating als vluchteling of verlening van een vergunning tot verblijf en derhalve is niet aan het relativiteitsvereiste voldaan.

Nu niet aan alle voorwaarden voor schadevergoeding is voldaan heeft verweerder, voor zover het de schade anders dan die bestaande uit (reis)kosten van de studie van eiseres 2 betreft, op goede gronden het bezwaar van eisers tegen de niet-inwilliging van hun verzoek om schadevergoeding ongegrond verklaard.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep in zoverre ongegrond is.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder, onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb, te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, begroot op in totaal 644,- euro voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt 322,- euro ;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eisers het door hen gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep, voor zover het betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres 2 tegen het niet vergoeden van de (reis)kosten verband houdende met haar studie, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 26 oktober 2000 in zoverre;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- draagt verweerder op met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten, vastgesteld op 644,- euro, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier;

- draagt de Staat der Nederlanden op om, namens verweerder het door hen gestorte griffierecht te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Groothedde als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2002.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschriften verzonden: 25 juni 2002