Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9377

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-08-2002
Datum publicatie
25-10-2002
Zaaknummer
AWB 02/55960
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / uit macht van verweerder.

Nog daargelaten of de mededeling van verweerder omtrent de opheffing van de maatregel kan worden geïnterpreteerd als een "voorwaardelijke opheffing", namelijk onder de impliciete voorwaarde dat de vreemdeling dient te worden toegelaten tot Nigeria, kan het feit dat de vreemdeling Nederland niet daadwerkelijk heeft verlaten en hij niet in de rechtsmacht van andere autoriteiten is geweest, er in dit geval niet toe leiden dat de vrijheidsontnemende maatregel desalniettemin moet worden geacht voort te duren. Vrijheidsontneming impliceert immers dat door verweerder als vrijheidsontnemende autoriteit enige macht ten opzichte van de vreemdeling wordt uitgeoefend - eventueel met tussenkomst van derden, waarbij kan worden gedacht aan het personeel van een luchtvaartmaatschappij - en dat verweerder dat ook bewust doet. Dat is mede noodzakelijk in verband met de door verweerder steeds weer te maken afweging of voortzetting van de vrijheidsontneming gerechtvaardigd is.

Met dit uitgangspunt is niet in overeenstemming om onder uitoefening van toezicht met vrijheidsontneming te begrijpen de situatie dat de vreemdeling - die zich niet onrechtmatig aan dat toezicht heeft onttrokken, doch zijdens verweerder op het vliegtuig is gezet - zonder medeweten van verweerder naar Nederlands grondgebied is teruggekeerd en ook zonder medeweten van verweerder twee dagen in de Lounge heeft verbleven. De vreemdeling beschikte aldaar - daargelaten in hoeverre hij daarvoor feitelijk de financiële middelen had - ook over de mogelijkheid om Nederland te verlaten naar een andere bestemming, zonder dat verweerder daar enige controle over had. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 3
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 96 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 02 / 55960 VRONTN F

inzake: A, geboren op [...] 1972, van Nigeriaanse nationaliteit, verblijvende in het Grenslogies Oostereiland te Hoorn: de vreemdeling,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, thans de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Zitting: 5 augustus 2002.

De vreemdeling is ter zitting vertegenwoordigd door mr. F.H. Bruggink, advocaat te 's-Gravenhage.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. M. Bouma.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 31 maart 2002 is de vreemdeling ex artikel 3 Vw op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van de vreemdeling is op diezelfde dag de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw toegepast.

1.2 Laatstelijk bij uitspraak van 24 juni 2002 met kenmerk AWB 02/41952 VRONTN D heeft deze rechtbank en nevenvestigingsplaats Haarlem een eerder beroep tegen de maatregel ex artikel 6 Vw ongegrond verklaard.

1.3 Bij uitspraak van 1 juli 2002 met kenmerk 200202183/1 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van de vreemdeling kennelijk ongegrond verklaard.

1.4 Bij kennisgeving ex artikel 96, vijfde lid, Vw van 22 juli 2002, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld van het voortduren van de vrijheidsontneming zonder dat de vreemdeling beroep tegen de maatregel heeft ingesteld.

1.5 De rechtbank heeft op 23 juli 2002 van verweerder voortgangsgegevens ontvangen met betrekking tot de uitzetting van de vreemdeling.

1.6 Bij brief van 30 juli 2002 heeft verweerder de rechtbank en de gemachtigde van de vreemdeling medegedeeld dat de vreemdeling op 29 juli 2002 Nederland is uitgereisd, en dat met ingang van die datum de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw is opgeheven.

1.7 Op 31 juli 2002 heeft verweerder ten aanzien van de vreemdeling de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw toegepast.

1.8 Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen. Na schriftelijke informatie van verweerder en een reactie daarop van de gemachtigde van de vreemdeling, waarbij deze het beroep heeft aangevuld met een verzoek om toekenning van schadevergoeding, heeft de rechtbank het onderzoek met instemming van de partijen zonder nadere zitting gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of de voortduring van de ten aanzien van de vreemdeling toegepaste vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is.

2.2 Namens de vreemdeling is aangevoerd dat de maatregel die heden ter beoordeling van de rechtbank ligt expliciet op 29 juli 2002 is opgeheven. Aan de vreemdeling is een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, waarvan echter niet tijdig is kennisgegeven. De gemachtigde van de vreemdeling heeft op 5 augustus 2002 beroep ingesteld tegen deze maatregel.

2.3 Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in het onderhavige geval sprake is van rechtmatige voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel, opgelegd op 31 maart 2002, nu de vreemdeling niet uit de Nederlandse rechtsmacht is geweest. De vreemdeling zat in een vliegtuig dat onder Nederlandse vlag geregistreerd staat en waar derhalve de Nederlandse wet van toepassing is. De vreemdeling is niet op buitenlands grondgebied geweest, noch overgedragen aan de rechtsmacht van een buitenlandse autoriteit. De omstandigheid dat de vreemdeling twee dagen in de Lounge heeft verbleven zonder medeweten van de Nederlandse autoriteiten komt voor rekening en risico van de vreemdeling. Aan de vreemdeling is op 31 juli 2002 een nieuwe beschikking gegeven voor plaatsing in het passantenverblijf Triport.

2.4 De ambtenaar belast met grensbewaking is op grond van artikel 6, eerste lid, Vw bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, te verplichten zich op te houden in een door die ambtenaar aangewezen ruimte of plaats. Krachtens het tweede lid van voormeld artikel kan een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste lid worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

2.5 Het beleid dat verweerder voert ten aanzien van de opheffing van de vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste, dan wel 6, eerste en tweede lid, Vw is neergelegd in hoofdstuk A5 onder 2.2.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Hierin is onder meer bepaald: "De vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel eindigt wanneer de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten, dan wel de maatregel opgeheven wordt. Indien de poging tot terugkeer door omstandigheden (bijvoorbeeld door verzet van de vreemdeling) niet slaagt, blijft de oorspronkelijk opgelegde maatregel van kracht. Er wordt geen nieuwe plaatsingsbeschikking genomen."

2.6 Bij de beoordeling van onderhavige zaak gaat de rechtbank uit van de volgende feiten zoals die uit de schriftelijke stukken en het verhandelde ter zitting zijn gebleken.

Op 18 juli 2002 heeft de vreemdeling verklaard dat hij wenste terug te keren naar Nigeria. Hierop is voor hem een vlucht geboekt en op 29 juli 2002 heeft een ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee de vreemdeling begeleid naar de gate en zijn ticket en paspoort overhandigd aan de purser van vlucht KL 587 naar Lagos. Dit vliegtuig is vertrokken, doch in verband met een technische storing na ruim 2 uur weer teruggekeerd naar Nederland. Alle passagiers, waaronder de vreemdeling, zijn door de bemanning van het vliegtuig verzocht plaats te nemen in de Lounge, totdat het vliegtuig gerepareerd, dan wel vervangen zou zijn. Na een vertraging van meer dan 10 uur is vlucht KL 587 op 29 juli 2002 alsnog vertrokken, echter zonder de vreemdeling. De vreemdeling heeft zich op 31 juli 2002 zonder paspoort of ticket bij de Nederlandse autoriteiten op Schiphol gemeld. Verweerder was er voordien niet van op de hoogte dat de vreemdeling zich weer op Nederlands grondgebied bevond. Uit de brief die verweerder de rechtbank heeft toegezonden op 30 juli 2002 blijkt dat verweerder in de veronderstelling verkeerde dat de vreemdeling op 29 juli 2002 was uitgereisd naar Nigeria. De maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw, opgelegd op 31 maart 2002, is volgens dit schrijven per 29 juli 2002 opgeheven. Op 31 juli 2002 is de vreemdeling middels een plaatsingsbeschikking in Passantenverblijf Triport geplaatst. Op 1 augustus 2002 is de vreemdeling gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. De consul heeft medegedeeld dat ten aanzien van de vreemdeling een laissez-passer zal worden afgegeven. Vervolgens is de vreemdeling overgeplaatst naar het grenslogies Oostereiland te Hoorn. Voor deze plaatsing blijkt er geen plaatsingsbeschikking te zijn. De vrijheidsontnemende maatregel is op 6 augustus 2002 opgeheven en aan de vreemdeling is een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 6, eerste lid, Vw opgelegd. Hij is in de Lounge geplaatst. Voor de vreemdeling staat op 14 augustus 2002 een vlucht onder begeleiding van escorts geboekt.

2.7 Nog daargelaten of de mededeling van verweerder in het schrijven aan de rechtbank d.d. 30 juli 2002 omtrent de opheffing van de maatregel kan worden geïnterpreteerd als een 'voorwaardelijke opheffing', namelijk onder de impliciete voorwaarde dat de vreemdeling dient te worden toegelaten tot Nigeria, kan het feit dat de vreemdeling Nederland niet daadwerkelijk heeft verlaten en hij niet in de rechtsmacht van andere autoriteiten is geweest, er in dit geval niet toe leiden dat de vrijheidsontne-mende maatregel desalniettemin moet worden geacht voort te duren. Vrijheidsontneming impliceert immers dat door verweerder als vrijheidsontnemende autoriteit enige macht ten opzichte van de vreemdeling wordt uitgeoefend - eventueel met tussenkomst van derden, waarbij kan worden gedacht aan het personeel van een luchtvaartmaatschappij - en dat verweerder dat ook bewust doet. Dat is mede noodzakelijk in verband met de door verweerder steeds weer te maken afweging of voortzetting van de vrijheidsontneming gerechtvaardigd is.

Met dit uitgangspunt is niet in overeenstemming om onder uitoefening van toezicht met vrijheidsontneming te begrijpen de situatie dat de vreemdeling - die zich niet onrechtmatig aan dat toezicht heeft onttrokken, doch zijdens verweerder op het vliegtuig is gezet - zonder medeweten van verweerder naar Nederlands grondgebied is teruggekeerd en ook zonder medeweten van verweerder twee dagen in de Lounge heeft verbleven. De vreemdeling beschikte aldaar - daargelaten in hoeverre hij daarvoor feitelijk de financiële middelen had - ook over de mogelijkheid om Nederland te verlaten naar een andere bestemming, zonder dat verweerder daar enige controle over had.

Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de vrijheidsontnemende maatregel na 29 juli 2002 is blijven voortduren. De grieven van de vreemdeling die betrekking hebben op de vrijheidsontneming vanaf 31 juli 2002 zullen derhalve niet in dit geding kunnen worden beoordeeld.

2.8 Nu de vrijheidsontnemende maatregel op 29 juli 2002 is geëindigd, heeft de vreemdeling bij handhaving van de als beroep te beschouwen kennisgeving slechts belang in verband met zijn verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder voorafgaand aan de opheffing van de maatregel onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Door de vreemdeling is dat ook niet gesteld. De rechtbank is ook verder van oordeel dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, de voortduring van de maatregel tot het moment van opheffing op 29 juli 2002 niet in strijd is geweest met de Vreemdelingenwet 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

2.9 Het beroep van de vreemdeling gericht tegen de voortduring van de maatregel van 31 maart 2002 is derhalve ongegrond en het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.T. van Rens, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2002, in tegenwoordigheid van drs. M.A.J. Arts als griffier.

Afschrift verzonden op: 8 augustus 2002

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.