Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9128

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
22-10-2002
Zaaknummer
AWB 01/54217
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vtv medische behandeling / scheiding toelating en uitzetting.

Eisers, van Russische afkomst, hebben op 6 december 1999 een aanvraag ingediend om een vtv klemmende redenen van humanitaire aard. Verweerder heeft deze verblijfsaanvragen opgevat als aanvragen om een vtv onder de beperking ‘het ondergaan van medische behandeling’, zoals neergelegd in artikel 3.46, eerste lid, Vb 2000. Niet is duidelijk geworden waarom de verblijfsaanvragen van eisers niet gekwalificeerd hadden kunnen worden als verzoeken om verlening van een vtv als bedoeld in artikel 3.6 onder a Vb 2000. Het is aan verweerder om de onder de Vw geldende maatstaven op gepaste wijze te vertalen naar die onder de Vw 2000. Met name waar het gaat om aanvragen die zijn gedaan onder de beperking overige klemmende redenen van humanitaire aard kan die vertaling moeilijk zijn. In dit verband is van belang het advies van het BMA. Verweerder heeft in afwijking van het advies nagelaten contact op te nemen met zorginstellingen in het land van herkomst ten behoeve van de overname van de behandelingen van eiser en zich eerst ter zitting op het standpunt gesteld dat dit pas bij de uitzetting deze vraag aan de orde behoeft te komen. De rechtbank is van oordeel dat, voorzover het onderscheid tussen niet-toelating en de uitzetting al gemaakt kan worden, deze scheiding niet zonder meer doorslaggevend is te achten, gelet op de zeer substantiële medische problematiek van eiser, gevoegd bij het feit dat in het besluit in eerste aanleg is aangegeven dat sprake is van technische onverwijderbaarheid van eisers. Het bepaalde in artikel 13, aanhef en sub c Vw 2000 mag door die scheiding niet uit beeld verdwijnen.

Het enkele feit dat de Vw 2000 voor de totstandkoming van de bob in werking is getreden en voor wat het materiële recht betreft een ex-nunctoets met zich brengt, maakt niet dat niet ex tunc bekeken had moeten worden of eisers op het moment van vollopen van de drie jaren sedert de aanvraag, in aanmerking waren gekomen voor een vtv op grond van het oude driejarenbeleid. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 3.46, geldigheid: 2002-06-14
Vreemdelingenwet 2000 14, geldigheid: 2002-06-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/54217, 01/54583 & 01/54603 VRWET

inzake: A, geboren op [...] 1959, eiser, & B, geboren op [...] 1959, eiseres, van Russische komaf, wonende te C,

gemachtigde: mr. N.J.A. Hennipman Karelse, advocaat te Utrecht,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. B.J. van Benschop, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Eisers verblijven sedert 11 februari 1994 als vreemdeling in de zin van de Vw 1965 in Nederland. Bij brief van 6 december 1996 hebben eisers bij de korpschef van de regiopolitie te Friesland een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel "klemmende redenen van humanitaire aard". D, de op [...] 1982 geboren dochter van eisers, heeft op 15 januari 1997 een aanvraag ingediend voor verblijf bij haar ouders. Bij besluiten van 28 mei 1997 heeft verweerder deze aanvragen niet ingewilligd. Bij bezwaarschrift van 20 juni 1997 hebben eisers tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 11 juli 1997 en aangevuld bij brieven van 23 september 1997 en 1 november 1998. De bezwaren zijn bij besluiten van 24 september 2001 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschriften van 19 oktober 2001 hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld de beroepen versneld te zullen behandelen. De gronden van de beroepen zijn ingediend bij brief van 22 oktober 2001. Op 18 december 2001 zijn de op de zaken betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 13 maart 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2002. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

1. In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eisers hebben op 14 februari 1994 aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Bij uitspraak van 29 maart 1995 van deze rechtbank, zittinghoudende te 's Gravenhage, is onherroepelijk afwijzend beslist op deze aanvraag.

In een brief van 1 november 1995 van de Laissez Passer Kamer van de IND aan de vreemdelingendienst te Heerenveen is het volgende opgenomen: "Zoals telefonisch 31-10-1995 is afgesproken stuur ik je hierbij de documenten en de foto's van de familie Sokolov retour. De ambassade van Letland en het consulaat van de Russische Federatie geven geen laissez- passer af. Ze verwijzen naar elkaar."

Op 20 augustus 1998 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) een consult uitgebracht waarvan de conclusie luidt dat het gezien de psychiatrische problematiek van eiseres niet verantwoord is haar naar Ter Apel over te plaatsen. Die voorgenomen overplaatsing is vervolgens niet doorgegaan.

Met betrekking tot de medische situatie van eiseres bevinden zich onder meer de volgende stukken in het dossier:

- Een schrijven van het Stedelijk Ziekenhuis Drachten van 4 augustus 1998 waarin is vermeld dat eiseres meerdere cysten in de buik heeft.

- Een verklaring van huisarts B.C. Smit van 11 augustus 1998 waarin is aangegeven dat er voor eiseres zeer dringende medische en psychiatrische redenen bestaan om niet te verhuizen in afwachting van een eventuele uitwijzing.

- Een schrijven van het Bureau Vreemdelingenadvisering van 20 augustus 1998 waarin is vermeld dat eiseres vanwege psychiatrische problematiek is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en dat bij ontslag uit dit ziekenhuis i.v.m. eventuele uitwijzing verergering van de problematiek valt te verwachten.

- Een medisch advies van het BMA van 23 augustus 2001 waarin onder meer is aangegeven dat er sprake is van een depressief beeld dat negatief wordt beïnvloed door de jarenlange onzekerheid en de ernstige ziekte van haar echtgenoot. In het verleden is eiseres tot tweemaal toe opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis i.v.m. een ernstig depressief beeld met ook suïcidedreiging. Het staken van de behandeling zal tot een sterke verslechtering in de gezondheidssituatie leiden waarvoor mogelijke opname noodzakelijk is.

Met betrekking tot de medische situatie van eiser zijn de volgende medische stukken van belang:

- Een schrijven van het Academisch Ziekenhuis Groningen van 23 januari 2001 waarin vermeld is dat eiser sedert 13 december 2000 is opgenomen met acute leukemie. Voorts is hierin aangegeven dat gezien de ernst van het ziektebeeld zal langdurige, jarenlange poliklinische behandeling noodzakelijk zal zijn.

- Een medisch advies van het BMA van 23 augustus 2001 waarin onder meer is aangegeven dat eiser sedert december 2000 bekend is met een ernstige vorm van leukemie waarvoor de prognose uiterst slecht is. Hierin is verder aangegeven dat alvorens tot uitzetting van eiser kan worden overgegaan contact opgenomen moet worden met zorginstellingen in het land waar naartoe verwijderd wordt om zo de continuering van de zorg te garanderen.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf. Ingevolge artikel 14, tweede lid, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd alleen nog onder een beperking verband houdende met het verblijfsdoel worden verleend. De aanvraag van eiser wordt opgevat als een aanvraag om een vergunning tot verblijf onder de beperking "het ondergaan van medische behandeling", aangezien deze beperking het meest recht doet aan het gevraagde verblijfsdoel. Uit het advies van het BMA van 23 augustus 2001 blijkt dat staking van de behandeling van eisers leukemie tot een medische noodsituatie kan leiden maar dat behandeling hiervan in Letland, de Russische Federatie en de Oekraïne mogelijk is en eiser in staat moet worden geacht om te reizen. Gelet hierop wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat Nederland het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijk medische behandeling, zodat niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 3.46 Vreemdelingenbesluit (Vb). Uit het advies van het BMA met betrekking tot eiseres kan worden afgeleid dat zij vanwege ernstige depressieve klachten nog langdurig onder behandeling zal moeten blijven en dat het staken hiervan kan leiden tot een acute medische noodsituatie. Behandeling is echter ook in Letland, de Russische Federatie en de Oekraïne mogelijk en eiseres kan eveneens in staat worden geacht om te reizen. De omstandigheid dat zowel eiser als eiseres ziek zijn, maakt niet dat hen verblijf hier te lande dient te worden toegestaan. Het feit dat eiser als cliënt is erkend door het UAF maakt het vorenstaande niet anders. Eisers kunnen geen geslaagd beroep doen op het driejarenbeleid, neergelegd in hoofdstuk B1/2.2.11 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 , nu niet wordt voldaan aan de gevraagde beperking.

Eisers zijn niet gehoord omdat daartoe, gelet op het bepaalde in artikel 32, tweede lid, Vw 1965 geen verplichting bestond en dit evenmin door de zorgvuldigheid werd gevorderd.

2. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte een vergunning tot verblijf heeft geweigerd. Op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb 2000 kan verweerder een verblijfsvergunning verlenen onder een andere beperking dan die genoemd in artikel 3.4, eerste lid Vb 2000. In de toelichting bij dit artikel wordt aangegeven dat van deze bevoegdheid terughoudend gebruik zal worden gemaakt, nu het hier om bijzondere onvoorziene gevallen gaat. Eisers zijn van mening dat, gelet op hun beider ernstige medische en psychische situatie, de langdurige onzekerheid waarin zij verkeren en de pogingen die tevergeefs zijn ondernomen om hen naar de landen van herkomst te verwijderen, er in hun geval sprake is van een zo'n bijzondere en onvoorziene situatie. Voorts blijkt uit de bestreden besluiten niet dat verweerder ambtshalve heeft getoetst of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.6 aanhef en onder a Vb 2000.

Eisers zijn verder van mening dat zij in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid, nu hun aanvraag dateert van 6 december 1996. Het driejarenbeleid zoals dat is neergelegd in de Vc 2000 kan in eisers geval niet van toepassing worden geacht aangezien een aanvraag om toelating dient te worden getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij het nieuwe recht gunstiger is.

Subsidiair menen eisers dat zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor medische behandeling aangezien uit het advies van het BMA van 23 augustus 2001 blijkt dat in hun beider geval sprake is van een acute medisch noodsituatie. Weliswaar worden in het advies een aantal gezondheidsinstellingen genoemd in Letland, de Russische Federatie en de Oekraïne waar behandeling van eisers mogelijk zou zijn, maar hieraan wordt de voorwaarde verbonden dat deze instellingen ook daadwerkelijk de behandelingen moeten garanderen. Hier wordt in het bestreden besluit op geen enkele manier op ingegaan. Gelet op de vergeefse pogingen in het verleden om eisers naar deze landen uit te zetten kan onmogelijk aan deze voorwaarde worden voldaan.

3. In het verweerschrift heeft verweerder gepersisteerd.

IV. OVERWEGINGEN

1. Waar voor een onbevoegd- of niet-ontvankelijkverklaring geen grond bestaat, dient de rechtbank vanwege het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb de vraag te beantwoorden of het beroep voor gegrond- dan wel ongegrondverklaring in aanmerking komt. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.

2. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

4. Verweerder heeft onderhavige verblijfsaanvragen van eisers in de bestreden besluiten opgevat als aanvragen om een vergunning tot verblijf onder de beperking "het ondergaan van een medische behandeling" en getoetst aan de regelgeving zoals die is neergelegd in artikel 3:46, eerste lid, van het Vb 2000 en nader is uitgewerkt in hoofdstuk B8.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

5. Met betrekking tot het standpunt van eisers dat uit het bestreden besluit ten onrechte niet blijkt of verweerder ambtshalve heeft getoetst of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het geformuleerde in artikel 3.6 aanhef en onder a Vb 2000, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft de onderhavige verblijfsaanvragen gekwalificeerd zoals weergegeven in rechtsoverweging IV.4.

Onduidelijk is echter gebleven waarom de verblijfsaanvraag van eisers niet gekwalificeerd is als een verzoek om verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.6 aanhef en onder a van het Vb 2000. Eisers hebben niet alleen bij hun aanvraag gewezen op de onmogelijkheid om terug te keren naar hun land van herkomst; verweerder beschikte ook over een dossier waaruit bleek dat vruchteloos pogingen in het werk zijn gesteld om te komen tot terugkeer naar Letland of de Russische Federatie. In de besluiten in primo is zelfs overwogen dat het feit dat eisers technisch niet verwijderbaar zijn, geen aanleiding vormt om aan hen op grond van klemmende redenen van humanitaire aard verblijf hier te lande toe te staan. Gelet hierop had een toetsing aan artikel 3.6, aanhef en sub a van het Vb 2000 inderdaad alleszins in de rede gelegen; bepaaldelijk niet minder dan een toetsing aan de criteria voor een vergunning tot verblijf voor een medische behandeling. Waar verweerder die toetsing achterwege heeft gelaten, is het beroep in zoverre gegrond. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

6. Eiseres hebben ook aangevoerd dat verweerder gebruik had dienen te maken van zijn bevoegdheid om een vergunning tot verblijf te verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid van artikel 3.4 van het Vb 2000.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan verweerder om de onder de Vw 1965 geldende maatstaven op gepaste wijze vertalen naar die onder de Vw 2000. Met name waar het gaat om aanvragen die zijn gedaan onder de beperking "overige klemmende redenen van humanitaire aard" kan die vertaling moeilijk zijn. In dit verband is van belang het advies van het BMA van 23 augustus 2001 ten aanzien van eiser. Hierin is onder meer aangegeven dat alvorens tot uitzetting van eiser kan worden overgegaan contact opgenomen dient te worden met de zorginstellingen in het land waar naartoe verwijderd wordt. Uit het bestreden besluit noch uit het verweerschrift kan worden afgeleid dat verweerder hiertoe pogingen heeft ondernomen.

8. Eerst ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de vraag met betrekking tot de overname van de medische behandeling van eisers niet in de onderhavige toelatingsprocedure aan de orde behoort te komen, maar pas voorligt bij mogelijke uitzetting.

9. De rechtbank stelt voorop dat aan het toelatingsbeleid blijkens het bepaalde in artikel 13, aanhef en sub c van de Vw 2000 nog immer de brede notie van toetsing aan klemmende redenen van humanitaire aard ten grondslag ligt. Weliswaar kent het Nederlandse vreemdelingenrecht in beginsel een scheiding tussen de vraag om toelating en de maatstaf voor uitzetting(sbeletselen), maar in een zaak als de onderhavige, waarin sprake is van een zeer substantiële medische problematiek, en waarbij tevens in het besluit in primo is aangegeven dat sprake is van technische onverwijderbaarheid, is die scheiding niet zonder meer doorslaggevend te achten. Het bepaalde in artikel 13, aanhef en sub c van de Vw 2000 mag door die scheiding niet uit beeld verdwijnen.

10. Waar het bestreden besluit juist een motivering ontbeert op het punt van de medische problematiek die dreigt bij uitzetting, dient dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd.

11. Met betrekking tot het door eisers gedane beroep op het driejarenbeleid stelt de rechtbank vast dat dit door verweerder is verworpen onder verwijzing naar de door verweerder gekozen beperking, waaraan niet is voldaan. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen aangaande die keuze van verweerder, kan ook de weigering om aan eisers een vergunning tot verblijf te verlenen op grond van het driejarenbeleid de rechterlijke toetsing niet doorstaan.

12. Gelet op het hiervoor overwogene behoeft hetgeen door eisers (subsidiair) is aangevoerd met betrekking tot artikel 3.46, eerste lid van het Vb 2000, geen bespreking meer.

13. Waar de afwijzing van de aanvraag van D direct verband houdt met de ten aanzien van eisers genomen besluiten die voor vernietiging in aanmerking komen, zal ook het ten aanzien van D genomen bestreden besluit door de rechtbank worden vernietigd.

14. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn begroot op 644 ,- euro als kosten van verleende rechtsbijstand.

15. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart de beroepen gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten voorzover in beroep aangevochten;

3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op 644 ,- euro (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro ), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2002 , door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. de Man, griffier.

Afschrift verzonden op: 5 juli 2002