Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9124

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
22-10-2002
Zaaknummer
AWB 01/38910
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

zittinghoudende te Maastricht

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

in verbinding met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000

en artikel 7.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 01/38910 OVERIO

Inzake: A, verzoekster.

Gemachtigde, mr. C.L.J.M. Wilhelmus,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

Gemachtigde mr. R.J.M.F.P. Wouters, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 24 juli 2001 heeft verweerder aan verzoekster mededeling gedaan van een ten aanzien van haar genomen besluit inzake de toepassing van de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495 (Vreemdelingenwet 2000, hierna te noemen Vw 2000).

Bij fax van 13 augustus 2001 heeft voornoemde gemachtigde namens verzoekster tegen dat besluit beroep ingesteld. Bij fax van gelijke datum heeft verzoekster de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt haar uitzetting achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn bij brief van 29 november 2001 in afschrift aan verzoeksters gemachtigde verzonden.

Bij brief van 9 april 2002 heeft verweerder, onder afschrift hiervan aan verzoekster, een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 april 2002. Verzoekster heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Het verzoek om een voorlopige voorziening is vóór 1 januari 2002 ingediend bij de president van de rechtbank. In verband met de wijziging per 1 januari 2002 van de Wet op de rechterlijke organisatie en de Awb wordt op dat verzoek thans beslist door de voorzieningenrechter.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Bij de in het kader van artikel 8:81 van de Awb te verrichten toetsing zal de voorzieningenrechter zich een voorlopig oordeel vormen over de rechtmatigheid van het bestreden besluit de uitzetting gedurende de periode dat het beroep aanhangig is, niet achterwege te laten. Dit besluit dient te worden bezien in samenhang met het besluit op de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien het verzoek wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2. Verzoekster, van Joegoslavische nationaliteit, heeft op 20 augustus 1998 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 4 december 1998, aan verzoekster uitgereikt op 16 december 1998, afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 30 december 1998 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 juni 1999 heeft verweerder het besluit van 4 december 1998 ingetrokken en verzoekster met ingang van 21 april 1999 in het bezit gesteld van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv), geldig tot 21 april 2000.

Bij besluit van 28 augustus 2000 heeft verweerder, volgens de in het bestreden besluit gebezigde bewoordingen, "de intrekking van de beschikking van 4 december 1998 ongedaan gemaakt". Naar het oordeel van verweerder is daarmee het besluit van 4 december 1998 herleefd.

Intussen had verzoekster op 23 maart 2000 een aanvraag om verlenging van haar vvtv ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij afzonderlijk besluit van 28 augustus 2000 afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 22 september 2000 bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit van 24 juli 2001 heeft verweerder beoogd op de door verzoekster tegen beide besluiten van 28 augustus 2000 ingebrachte bezwaren te beslissen.

3. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat het besluit van 18 juni 1999 is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb. Dit brengt mee dat het bezwaarschrift van 30 december 1998 op grond van artikel 6:19, eerste lid,

van de Awb geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 18 juni 1999. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat noch gesteld, noch overigens is gebleken dat verweerder met het besluit van 18 juni 1999 geheel aan de bezwaren van verzoekster tegemoet zou zijn gekomen.

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat het besluit van 28 augustus 2000 op zijn beurt eveneens is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, aangezien bij dat besluit het besluit van 18 juni 1999 is ingetrokken,

voorzover dit laatste besluit betrekking had op de intrekking van het besluit van 4 december 1998. Dit zou op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb tot de conclusie moeten leiden dat het bezwaarschrift van 30 december 1998 tevens geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 28 augustus 2000 en dat, zoals ook verweerder kennelijk van oordeel is, het thans bestreden besluit van 21 juli 2001 moet worden aangemerkt als het desbetreffende besluit op bezwaar.

De voorzieningenrechter merkt evenwel op dat hij zich niet kan verenigen met de conclusie van verweerder dat met het besluit van 28 augustus 2000 het besluit van 4 december 1998 zou zijn herleefd. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat het besluit van 4 december 1998 tengevolge van de intrekking hiervan bij het besluit van 18 juni 1999 niet meer bestaat, zodat niet valt in te zien hoe het besluit van 4 december 1998 ten gevolge van een latere rechtshandeling, in casu het besluit van 28 augustus 2000, met terugwerkende kracht weer zou kunnen herleven.

Dit heeft tot gevolg dat verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geacht moet worden eerst bij het thans bestreden besluit van 21 juli 2001 inhoudelijk op verzoeksters aanvraag van 20 augustus 1998 te hebben beslist en wel in die zin dat zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Tegen het besluit van 21 juli 2001 staat in zoverre op grond van artikel 80 van de Vw 2000 rechtstreeks beroep bij de rechtbank open, terwijl de werking van het besluit van 21 juli 2000 op grond van artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000 wordt opgeschort totdat op het beroep is beslist.

Aangezien het hier om een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gaat en verweerder in het bestreden besluit kennelijk van een andere rechtsopvatting is uitgegaan, acht de voorzieningenrechter het aangewezen het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen op de wijze zoals in rubriek III is voorzien.

4. Voor toepassing van artikel 8:86 van de Awb ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, aangezien hij van oordeel is er aanleiding is voor nader onderzoek ter beoordeling van de zaak. De zaak zal worden behandeld op een nader te plannen zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank.

5. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op 644,- euro

(1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van 322,- euro en wegingsfactor ).

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING:

De voorzieningenrechter:

1. wijst het verzoek toe;

2. bepaalt dat de uitzetting achterwege wordt gelaten, totdat op het beroep is beslist;

3. veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten, vastgesteld op in totaal 644,- euro te vergoeden door de Staat der Nederlanden, en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. A.G.C.M. Geraedts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2002 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. A. Geraedts w.g. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 4 juni 2002

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.