Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9098

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-09-2002
Datum publicatie
22-10-2002
Zaaknummer
AWB 01/6860, 01/6863
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking bestreden besluit / proceskosten.

In het bestreden besluit wordt aan eiseressen, afkomstig uit Afghanistan, de derdelandenexceptie Pakistan tegengeworpen. Bij brief van 27 augustus 2002 trekt verweerder het bestreden besluit in en geeft daarbij geen proceskostenvergoeding aangezien het besluit destijds op goede gronden berustte. Verweerder kan vanwege de onduidelijke situatie in Afghanistan nog geen termijn noemen waarbinnen een nieuw besluit zal worden genomen. Eiseressen handhaven het beroep.

De rechtbank stelt vast dat eiseressen belang hebben bij vernietiging van het besluit door de rechtbank, ook nu dat is ingetrokken op grond van artikel 6:19 Awb in verband met proceskosten. Er ligt een verzoek om proceskostenvergoeding en het stellen van een termijn voor een nieuw besluit. De rechtbank overweegt dat in principe bij een vernietiging van een besluit behoort te worden overgegaan tot vergoeding van de proceskosten. De vraag of het bestuursorgaan kan worden verweten dat het besluit vernietigd wordt speelt daarbij, bijzondere omstandigheden daargelaten, geen rol. Nu artikel 83 Vw 2000 een algemene regel is, is van een dergelijke bijzondere omstandigheid geen sprake.

Het verzoek van eiseressen om in het bezit gesteld te worden van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, kan niet worden ingewilligd omdat eiseressen de afgelopen drie jaar niet beschikten over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Beroep gegrond, bestreden besluit vernietigd. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen en de proceskosten te vergoeden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vreemdelingenwet 2000 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK te ‘s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Almelo

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 01/6860 en 01/6863 OVERIO GB

UITSPRAAK

inzake: A, geboren op [...] 1939,

B, geboren [...] 1976,

beiden van Afghaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9904.18.4003,

gemachtigde: mr. M.C. Boon, Medewerker Buro voor Rechtshulp te Leeuwarden,

eiseressen;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE VOORHEEN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE, (Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

vertegenwoordigd doorvertegenwoordigd doorvertegenwoordigd door mr. S.D.M. Michaël apv, ambtenaar ten departemente, ambtenaar ten departemente, ambtenaar ten departemente,

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 18 april 1999 hebben eiseressen aanvragen om toelating als vluchteling ingediend. Bij besluiten van 8 september 1999 heeft verweerder de aanvragen afgewezen en ambtshalve beslist geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij brief van 25 oktober 1999 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij besluiten van 16 januari 2001 ongegrond verklaard. Bij brief van 13 februari 2001 is daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 27 augustus 2002, bevestigd ter zitting, de bestreden besluiten van 16 januari 2001 ingetrokken. Eiseressen hebben het beroepschrift evenwel niet ingetrokken.

1.2 Het beroep is ter zitting van 29 augustus 2002 behandeld. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden besluiten toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. Het bestreden besluit is bekendgemaakt vóór de inwerkingtreding van de Vw 2000. Derhalve toetst de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit aan de bepalingen van de Vw. Met betrekking tot het procedurele recht overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 119 Vw 2000 beperkt de toepassing van het recht dat gold vóór invoering van deze wet uitsluitend tot de mogelijkheid om beroep in te stellen, het griffierecht en de schorsende werking, zodat voor het overige het nieuwe recht van toepassing is. De rechtbank dient dus met ingang van 1 april 2001 bij de beoordeling van het beroep toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 83 Vw 2000 en rekening te houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van de bestreden beschikking zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd

3 Standpunten

3.1 Het asielrelaas van eiseressen komt op het volgende neer. Eiseressen behoren tot de Pashtun bevolkingsgroep in Afghanistan. Eiseressen kregen problemen met de Taliban omdat zij geen mannelijke familieleden hadden die hen konden bijstaan. De echtgenoot van A is niet teruggekeerd van zijn werk. B is door de Taliban geslagen omdat zij zonder mannelijk familielid de straat was opgegaan. Eiseressen hebben in maart 1999 Kabul verlaten en hebben 20 dagen in Peshawar verbleven.

3.2 Verweerder heeft aanvankelijk het standpunt ingenomen dat eiseressen geen vluchteling zijn. Eiseressen komen niet in aanmerking voor een vergunning tot verblijf. Met betrekking tot de voorwaardelijke vergunning tot verblijf heeft verweerder de derdelandenexceptie tegengeworpen. Blijkens de brief van 27 augustus 2002 kan verweerder dit standpunt niet handhaven. Daarom heeft hij de bestreden besluiten ingetrokken. Verweerder stelt zich echter op het standpunt niet gehouden te zijn de proceskosten aan eiseressen te vergoeden. Verweerder heeft ten tijde van het bestreden besluit op rechtens juiste gronden de derdelandenexceptie in het vvtv-gedeelte tegengeworpen. Pas op 26 november 2001 is duidelijk geworden dat de Pakistaanse autoriteiten geen visa meer wilden verstrekken aan uitgeprocedeerde Afghaanse asielzoekers die eerder in Pakistan hadden verbleven. De derdelandenexceptie kon daardoor niet langer worden tegengeworpen.

Verweerder geeft aan, vanwege de onduidelijke situatie met betrekking tot Afghanistan, geen termijn te kunnen noemen waarbinnen hij een nieuw besluit zal nemen.

3.3 Eiseressen stellen zich op het standpunt dat zij belang hebben bij het handhaven van hun beroep. Eiseressen hebben belang bij een spoedig besluit van verweerder in de vorm van toekenning van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Eiseressen komen vanaf de datum van hun aanvraag op 18 april 1999 in aanmerking voor een VVTV/verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die per 18 april 2002 had moeten worden omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Eiseressen hebben bovendien belang bij de vergoeding van hun proceskosten.

4 Overwegingen

4.1 Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

Ingevolge artikel 6:19, derde lid, Awb staat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, Awb is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft moeten maken.

Ingevolge artikel 83 Vw 2000 kan de rechtbank rekening houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

4.2 De rechtbank oordeelt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat eiseressen belang hebben bij vernietiging van het bestreden besluit vanwege het verzoek tot het vergoeden van de proceskosten en het stellen van een termijn voor het nemen van een nieuw besluit.

Ten aanzien van het verzoek tot vergoeding van de proceskosten oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld niet gehouden te zijn de proceskosten van eiseressen te vergoeden.

De rechtbank stelt vast dat de intrekking door verweerder verband houdt met het feit dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat het bestreden besluit, gegeven de in artikel 83 Vw 2000 neergelegde ex nunc toetsing in asielzaken, geen stand kon houden.

Verweerder heeft in zijn schrijven van 27 augustus 2002 en ter zitting gesteld niet gehouden te zijn de proceskosten te vergoeden. Verweerder beroept zich hierbij op het feit dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld. Immers was ten tijde van het

bestreden besluit niet duidelijk dat de Pakistaanse autoriteiten geen visa wilden verstrekken aan eiseressen. De rechtbank volgt verweerders stelling in deze echter niet. Immers is de verwijtbaarheid van het bestuursorgaan bij toekenning van een

proceskostenveroordeling in beginsel niet van belang. De rechtbank acht in dit verband van belang dat uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (28 november 1996, AB 1997, 77) naar voren komt dat het bestuursorgaan in beginsel, indien een rechtbank het bestreden besluit vernietigt, in de proceskosten moet worden veroordeeld, uitzonderingen daargelaten. De rechtbank oordeelt dat dit uitgangspunt ook dient te gelden indien het bestuursorgaan het besluit intrekt in verband met de overtuiging dat het besluit in beroep niet stand kan houden in verband met nieuwe feiten of omstandigheden. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de omstandigheid dat deze intrekking geschiedt in verband met nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83 Vw 2000, niet met zich meebrengt dat sprake is van een uitzonderlijk geval waardoor moet worden afgeweken van bedoeld uitgangspunt, nu artikel 83 Vw 2000 een algemene regel in het asielrecht is. Aangezien ook overigens niet gebleken is van feiten en omstandigheden, die tot een uitzondering leiden, zal verweerder veroordeeld worden tot betaling van de proceskosten.

Eiseressen hebben de rechtbank verzocht te bepalen dat verweerder hen binnen zes weken in het bezit stelt van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Eiseressen verwijzen hierbij naar Tussentijdse Berichten Vreemdelingencirculaire (TBV) 2002/6, onder punt 4.6.4., waarin genoemd wordt dat de verlening van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aan personen afkomstig uit Afghanistan doorgang dient te vinden.

De rechtbank is van oordeel dat uit het systeem van de Vw 2000 blijkt, uitgaande van een volgtijdelijke vergunning in asielzaken, dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 Vw 2000 verleend kan worden aan de vreemdeling die drie achtereenvolgende jaren op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 in Nederland heeft verbleven. Eiseressen beschikken niet over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zodat het verzoek verweerder op te dragen binnen 6 weken eiseressen in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd moet worden afgewezen. De rechtbank gaat er van uit dat verweerder binnen de termijnen, die de Awb terzake stelt, een nieuw besluit zal nemen.

4.3 Er bestaat, gelet op het vorenstaande, aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiseressen gemaakte proceskosten en het door hen betaalde griffierecht.

De proceskosten worden vastgesteld op 644,- euro zijnde twee beroepschriften, tweemaal ter zitting verschijnen, wegingsfactor 0,5 vanwege de samenhang in de procedures van eiseressen.

5 BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen;

veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, zijnde 644,- euro te betalen aan eiseressen.

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht, zijnde 45,38 euro te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink in tegenwoordigheid van mr. H.W.A. de Jong als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2002

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 10 september 2002