Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8841

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-09-2002
Datum publicatie
25-10-2002
Zaaknummer
AWB 02/61668
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / asielaanvraag / voorlopige voorziening.

De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening pas op 19 september 2002 ter zitting zal behandelen het voortduren van de bewaring onrechtmatig kan maken, ook als die omstandigheid niet volledig aan verweerder - die op 8 augustus 2002 om bespoediging van de behandeling heeft verzocht - valt toe te rekenen. In een situatie van vrijheidsbeneming is een termijn van drie maanden voor vooronderzoek bij een verzoekschrift lang. Het ligt veeleer in de rede dat de rechtbank nadat zij op de hoogte is gebracht van die situatie voor het moment van behandeling ter zitting en het moment van de uitspraak er naar streeft overeenkomstige toepassing te geven aan de richtlijnen zoals die zijn vastgesteld voor de behandeling van een verzoekschrift tegen een afwijzing van een asielaanvraag waarop is beslist in een aanmeldcentrum. Aldus kan binnen enkele weken op het verzoekschrift uitspraak worden gedaan. In het onderhavige geval ziet de rechtbank geen grond de duur van de vrijheidsbeneming onevenredig lang te oordelen. Daartoe is redengevend dat de vreemdeling zijn asielaanvraag op 10 mei 2002 heeft ingediend, kort voor de voorgenomen feitelijke verwijdering naar DRC op 25 mei 2002, derhalve ruim zes weken na de aanvang van zijn inbewaringsstelling en de rechtbank niet is gebleken dat de vreemdeling de rechtbank heeft verzocht om de behandeling van zijn verzoekschrift van 18 juni 2002 te bespoedigen. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

beroep vrijheidsontnemende maatregel

Reg.nr : AWB 02/61668 VRWET

Inzake: A, CRV-nummer 2007513245, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te B, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. W.A. Venema, advocaat te Rozenburg

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde S.J.J. van Riel, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1973 en de Congolese nationaliteit te hebben.

2. Bij kennisgeving op grond van artikel 96 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000), ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 12 augustus 2002, heeft verweerder de rechtbank bericht omtrent het voortduren van de maatregel van bewaring die verweerder bij besluit van 28 maart 2002 de vreemdeling heeft opgelegd. Krachtens die bepaling wordt de vreemdeling na de ontvangst van deze kennisgeving geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2002. De vreemdeling heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder verzocht nadere informatie te verstrekken omtrent de wijze van presenteren bij de Congolese autoriteiten. Verweerder heeft deze informatie verstrekt bij brief van 27 augustus 2002.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring als zodanig reeds is beslist bij uitspraak van deze rechtbank van 23 april 2002. Voorts heeft deze rechtbank laatstelijk bij uitspraak van 15 juli 2002 geoordeeld dat het voortduren van de bewaring niet strijdig was met het bepaalde in artikel 96, vierde lid, Vw2000.

Derhalve staat thans ter beoordeling of verdere voortzetting van de maatregel van bewaring, gegeven de omstandigheden van het geval, rechtmatig is.

2. Namens de vreemdeling is aangevoerd dat de vreemdeling op 18 juni 2002 een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend tegen de afwijzende beschikking van verweerder op het asielverzoek, maar dat de rechtbank het verzoek pas op 19 september 2002 ter zitting zal behandelen. Er wordt aldus niet voldoende voortvarend gehandeld.

Voorts is gezien de gewijzigde opstelling van de Congolese autoriteiten verre van zeker dat na een eventuele afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening de uitzetting van de vreemdeling binnen een redelijke termijn gerealiseerd kan worden. De rechtbank wordt gevorderd, gelet op artikel 5, vierde lid, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens te oordelen dat de detentie onrechtmatig is.

3. Verweerder heeft bij zijn kennisgeving van het voortduren van de vrijheidsontneming de rechtbank schriftelijk inlichtingen verstrekt inzake zijn handelen strekkend tot uitzetting van de vreemdeling uit Nederland. Verweerder heeft voorts ter zitting gemotiveerd betoogd dat er nog steeds voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.

4. Op grond van al hetgeen partijen hebben aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel ook thans, gelet op het bepaalde in artikel 96, vierde lid, Vw2000, niet onrechtmatig is. Zij overweegt daartoe als volgt.

Verweerder heeft in zijn brief van 27 augustus 2002 aangeven dat er sinds juli 2002 een nieuwe werkwijze met betrekking de uitzetting van vreemdelingen van gestelde Congolese nationaliteit bestaat. Deze werkwijze houdt in dat individuele zaken direct schriftelijk worden voorgelegd en doorgestuurd naar de Immigratiedienst in de Democratische Republiek Congo zelf. Er is de afspraak gemaakt dat, aan de hand van o.a. persoonsgegevens, op redelijke termijn toestemming kan worden gegeven voor individuele terugkeer naar de Democratische Republiek Congo. De betrokken vreemdeling zal dan met een EU-document worden uitgezet.

Met betrekking tot het onderhavige beroep is verweerder op dit moment in afwachting van toestemming van de Congolese Immigratiedienst te Kinshasa om een EU-document af te geven op basis waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat hij in afwachting op de uitspraak van de rechtbank betreffende het verzoekschrift om een voorlopige voorziening (hierna: verzoekschrift) de uitzettingshandelingen opschort.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat -na een eventuele afwijzing van het verzoekschrift- er voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.

Voorts overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat de rechtbank (zittingsplaats Rotterdam) het verzoekschrift pas op 19 september 2002 ter zitting zal behandelen het voortduren van de bewaring onrechtmatig kan maken, ook als die omstandigheid niet volledig aan verweerder - die op 8 augustus 2002 om bespoediging van de behandeling heeft verzocht - valt toe te rekenen. In een situatie van vrijheidsbeneming is een termijn van drie maanden voor vooronderzoek bij een verzoekschrift lang. Het ligt veeleer in de rede dat de rechtbank nadat zij op de hoogte is gebracht van die situatie voor het moment van behandeling ter zitting en het moment van de uitspraak er naar streeft overeenkomstige toepassing te geven aan de richtlijnen zoals die zijn vastgesteld voor de behandeling van een verzoekschrift tegen een afwijzing van een asielaanvraag waarop is beslist in een aanmeldcentrum (AC-procedure). Aldus kan binnen enkele weken op het verzoekschrift uitspraak worden gedaan. In het onderhavige geval ziet de rechtbank geen grond de duur van de vrijheidsbeneming onevenredig lang te oordelen. Daartoe is redengevend dat de vreemdeling zijn asielaanvraag op 10 mei 2002 heeft ingediend, kort voor de voorgenomen feitelijke verwijdering naar Congo (DR) op 25 mei 2002, derhalve ruim zes weken na de aanvang van zijn inbewaringsstelling en de rechtbank niet is gebleken dat de vreemdeling de rechtbank (zittingsplaats Rotterdam) heeft verzocht om de behandeling van zijn verzoekschrift van 18 juni 2002 te bespoedigen.

5. Niet is gebleken dat de voortzetting van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vw2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

6. Het beroep is derhalve ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding de opheffing van de maatregel te bevelen.

7. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. G.P. Kleijn en uitgesproken in het openbaar op 3 september 2002, in tegenwoordigheid van W.M. Colpa, griffier.

afschrift verzonden op: 3 september 2002