Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8817

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
29-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/28681
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak / vestigingsalternatief.

Eiseres, afkomstig uit Irak, is Chaldeeuws christen.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat Noord-Irak geen verblijfsalternatief vormt, wijst de rechtbank op uitspraken van de Raad van State waarin de ABRS stelt dat verweerder (afgewezen) asielzoekers uit Centraal-Irak een verblijfsalternatief kan tegenwerpen, ongeacht de vraag de vreemdeling beschikt over banden met Noord-Irak. Voor de rechtbank bestaat thans geen aanleiding daar anders over te oordelen.

Ter zitting is door de gemachtigde van eiseres informatie aangeboden, waarover hij daags voor de zitting via internet kennis heeft genomen. De strekking van deze informatie zou zijn dat thans onduidelijkheid bestaat over de terugkeermogelijkheden van Centraal-Irakezen naar Noord-Irak. Verweerder heeft er bezwaar tegen gemaakt, dat deze informatie eerst ter zitting naar voren is gebracht. De rechtbank heeft geweigerd kennis te nemen van deze informatie wegens strijd met de goede procesorde als bedoeld in artikel 83, eerste lid, Vw 2000. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat uit de zijdens eiseres gegeven toelichting moet worden afgeleid, dat de stukken betrekking hebben op een feitelijke aangelegenheid van algemene aard en voorts een aangelegenheid betreft waaromtrent verweerder zich, na toetsing gewoonlijk dient te verlaten op ambtsberichten. Door eerst ter zitting dergelijke informatie te presenteren, terwijl niet is gebleken van de onmogelijkheid om dat eerder te doen, heeft verweerder hier niet voldoende adequaat op kunnen reageren. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen, dat zijdens eiseres niet nadrukkelijk is gesteld, dat de recent verkregen informatie feiten en omstandigheden betreft die dateren van na het bestreden besluit. De rechtbank heeft in de gestelde gang van zaken evenmin aanleiding gezien voor schorsing van de behandeling ter zitting. Bovendien heeft geen der partijen daar om verzocht. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vreemdelingenwet 2000 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

zitting houdende te Dordrecht

UITSPRAAK

Reg.nr : AWB 02/28681

Inzake : A, eiseres, gemachtigde mr. M.C.M.E. Schijvenaars, advocaat te Vlissingen,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. A. L. de Mik, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres bezit de Iraakse nationaliteit. Zij verblijft naar eigen zeggen sedert 8 april 2002 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in Nederland. Op 12 april 2002 heeft zij een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierop heeft verweerder op 15 april 2002 afwijzend beslist.

2. Op 15 april 2002 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 23 april 2002. Ter zitting is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor zover hier van belang luidt artikel 29 Vw 2000:

"1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van

herkomst.

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar."

Voor zover hier van belang luidt artikel 1 Vw 2000:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76);

l. verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn;".

Artikel 31, eerste lid Vw 2000, luidt als volgt:

"Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen".

Artikel 31, tweede lid aanhef en onder f Vw 2000, luidt als volgt:

Bij het onderzoek naar de aanvraag wordt mede betrokken de omstandigheid dat:

f. de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis-of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

De aanvraag is afgewezen in het kader van de zogenaamde Aanmeldcentrum(AC)procedure. De rechtbank zal mitsdien hebben te beoordelen of de aanvraag van eiser zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kon worden afgedaan.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op grond van het bepaalde in het eerste lid van artikel 31 Vw 2000 in samenhang met het bepaalde in het tweede lid onder f van artikel 31 Vw 2000. Daartoe heeft verweerder -kort weergegeven- overwogen, dat geen enkele grond voor verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29 Vw 2000 op eiseres van toepassing is. Verweerder acht het toerekenbaar aan eiseres, dat zij niet over de in artikel 31 tweede lid onder f Vw 2000 bedoelde documenten beschikt. Naar de opvatting van verweerder heeft eiseres geen enkel indicatief bewijs overgelegd om de door haar beweerde reisroute te kunnen vaststellen. De door eiseres gegeven verklaring, dat zij tijdens haar reis niet in het bezit is geweest van reisbescheiden, acht verweerder ontoereikend nu eiseres haar reisverhaal evenmin aannemelijk heeft gemaakt door het afleggen van gedetailleerde en verifieerbare verklaringen.

Van eiseres die stelt per vliegtuig naar Nederland te zijn gereisd, mag naar de opvatting van verweerder worden verwacht dat zij informatie kan geven over eenvoudige zaken als de naam van de luchtvaartmaatschappij, het vluchtnummer van het vliegtuig waarmee zij is gereisd en de naam van de luchthaven vanuit waar zij is vertrokken. Nu eiseres hiertoe niet is staat is gebleken, wordt op voorhand afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat eiseres geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hiertoe overweegt verweerder dat de verklaring van eiseres, dat de Iraakse autoriteiten eiseres en haar familie hebben geïntimideerd teneinde hen te overtuigen zich te laten bekeren tot het Islamitische geloof, geenszins strookt met de bevindingen van het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 9 april 2001. In dit ambtsbericht staat vermeld dat christenen in Irak vrij zijn om hun geloof te belijden en er geen sprake is van systematische achterstelling of achtervolging van de christelijke bevolking. De stelling van eiseres dat er een wet bestaat die christenen verplicht zich tot het Islamitische geloof te bekeren, strookt evenmin met bovengenoemd ambtsbericht. Hieromtrent staat in het ambtsbericht vermeld dat veel christenen in hoge sociaal-maatschappelijke functies werkzaam zijn, ook binnen de overheid. Gelet op deze bevindingen volgt verweerder de in de zienswijze vermelde stelling, dat het eiseres en haar vader niet toegestaan zou worden activiteiten te verrichten voor de Assyrische Chaldeeuwse Beweging niet. Verweerder stelt voorts dat eiseres haar in de zienswijze vermelde verklaring, dat christenen niet zo vrij zouden zijn als in het eerdergenoemde ambtsbericht staat vermeld, op geen enkele wijze heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder meent voorts dat eiseres enkel vage, tegenstrijdige en niet nader onderbouwde verklaringen heeft afgelegd omtrent haar problemen met de Iraakse autoriteiten. Zo heeft eiseres verklaard dat haar vader in 2001 is gearresteerd, terwijl zij later heeft verklaard dat haar vader in 1999 is gearresteerd. Verweerder volgt de door eiseres gegeven verklaring, dat zij in angst heeft geleefd en geen data kan onthouden niet, gelet op de eenvoud van dergelijke informatie en het belang van deze gebeurtenis. Vanwege het verschil tussen de jaartallen acht verweerder de door eiseres gegeven verklaring volstrekt onvoldoende. Eiseres kan voorts geen enkele datum noemen van de keren dat de Iraakse autoriteiten haar hebben bezocht. Hierbij merkt verweerder op dat blijkens de verklaringen van eiseres de Iraakse autoriteiten niet hebben gezegd dat eiseres en haar familie zich moesten bekeren tot het islamitische geloof. Verweerder vindt het bevreemdend dat eiseres niet kan vertellen of het steeds dezelfde personen waren die haar bezochten en of deze al dan niet in uniform waren gekleed. Tevens is bevreemdend dat de Iraakse autoriteiten pas in 1999 of in 2001 de vader van eiseres betichten zich niet tot het Islamitische geloof te willen bekeren. De vader heeft voor de overheid gewerkt, zodat ervan uit mag worden gegaan dat het bij de Iraakse autoriteiten reeds jaren bekend was dat de vader van eiseres christen is.

Verweerder stelt dat nu eiseres niet concreet kan vertellen wat de reden is geweest voor de arrestatie van haar vader verder afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen. Verweerder wijst voorts op de omstandigheid dat eiseres geruime tijd in Jordanië en Turkije heeft gewoond zonder aldaar bescherming in te roepen. Dit duidt er volgens verweerder des te meer op dat eiseres geen gegronde reden had te vrezen voor vervolging waardoor er verder wordt getwijfeld aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres. Ten aanzien van de door eiseres overgelegde stukken stelt verweerder dat deze geen betrekking hebben op de ondervonden problemen van eiseres. Het eerste stuk betreft de Arabisering in Kirkuk. Kirkuk is niet de plaats waar eiseres de gestelde problemen heeft ondervonden. Het tweede stuk betreft een individuele zaak in Noord-Irak waarvan een verband met eiseres niet is gebleken. Verweerder stelt dat de omstandigheid dat de tolk tijdens de nabespreking zou hebben aangegeven dat eiseres de informatie niet zou kunnen verwerken vanwege het "hoog-arabisch" niet tot een ander oordeel kan leiden. Hiertoe overweegt verweerder dat tijdens het eerste en het nader gehoor van een communicatiestoornis niet is gebleken en dat eiseres in beide gehoren bevestigend heeft geantwoord op de vraag of zij de tolken goed heeft begrepen en verstaan.

Verweerder stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt een behandeling te ondergaan als bedoeld in artikel 29, eerste lid aanhef en onder b, Vw 2000. Eiseres komt evenmin in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning op de zogenaamde c-grond van artikel 29 Vw 2000. Verweerder overweegt hiertoe dat eiseres geen gronden heeft aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat in redelijkheid niet van eiseres verlangd kan worden terug te keren naar Irak. Verweerder stelt voorts dat blijkens het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 9 april 2001 eiseres beschikt over een verblijfsalternatief in Noord-Irak teneinde zich te onttrekken aan haar problemen in Centraal-Irak. De stelling van eiseres, dat zij in Noord-Irak geen banden heeft en zich daarom niet in Noord-Irak kan vestigen volgt verweerder niet, nu de al dan niet aanwezigheid van banden geen rol speelt bij een verblijfsalternatief.

3. Eiseres stelt dat zij in aanmerking komt voor toelating in Nederland. Kort weergegeven heeft zij daartoe het volgende verklaard. Eiseres vreest vanwege haar christelijke geloof door de Iraakse autoriteiten te worden gedood. Deze vrees is gebaseerd op de arrestatie van haar vader in 2000 nadat hij weigerde zich te bekeren tot de Islam. Eiseres heeft sindsdien niets meer van haar vader vernomen. De vader van eiseres diende zich van de Iraakse autoriteiten te bekeren tot de Islam vanwege zijn betrokkenheid bij de Assyrische Chaldeeuwse Beweging. Eiseres en haar vader waren sympathisant van de Assyrische Chaldeeuwse Beweging. Eiseres heeft voor deze beweging pamfletten verspreid en bijeenkomsten bijgewoond.

Na de arrestatie van de vader van eiseres zijn de Iraakse autoriteiten ongeveer vijf maal bij eiseres langsgeweest. De Iraakse autoriteiten hebben eiseres en haar moeder verteld dat haar vader niet zal worden vrijgelaten en dat de Iraakse autoriteiten eiseres en haar familie niet zouden laten gaan.

Voorts deelden de Iraakse autoriteiten haar mee dat zij niet naar de Iraakse autoriteiten hadden geluisterd. Daar de Iraakse autoriteiten eiseres bang hadden gemaakt, besloot zij en haar familie Irak te verlaten. Zij zijn naar Jordanië vertrokken en hebben daar van februari 2001 tot 25 november 2001 verbleven. Daarna zijn zij naar Turkije vertrokken en hebben daar van 26 november 2001 tot 8 april 2002 verbleven. Vervolgens is eiseres naar Nederland vertrokken. Eiseres wilde naar Nederland omdat zij op 27 oktober 2001 in Amman (Jordanië) met een man is getrouwd die sinds 1995 in Nederland woont.

In beroep heeft eiseres -kort weergegeven- gesteld dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat het ontbreken van reisdocumenten op voorhand afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van haar asielrelaas. Eiseres heeft geen acht geslagen op de naam van de vliegtuigmaatschappij en op het nummer van het vliegtuig. De naam van de luchthaven is eiseres niet bekend nu zij vertrok uit een vliegveld in een vreemd land. Eiseres heeft de reisagent gevolgd. Eiseres stelt dat het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 9 april 2001 onvolledig is en verwijst hiervoor naar de overgelegde informatie van Radio Free Europe van 12 april 2002. Hierin staat vermeld dat in Kirkuk etnische zuiveringen plaatsvinden en dat ook gedwongen bekering tot de Islam plaatsvindt. Op eiseres en haar familie is door de Baath-partij druk uitgeoefend zich tot de Islam te bekeren. Na de arrestatie van de vader van eiseres is hen tijdens huiszoekingen te verstaan gegeven dat zij zich dienen te bekeren tot de Islam op straffe van arrestatie. Bij de huiszoekingen was steeds dezelfde functionaris aanwezig die werd vergezeld door wisselende personen in uniform. Eiseres stelt in een krant genaamd El Baath te hebben gelezen dat Chaldeeuwse christenen als criminelen worden gezien omdat zij mensen aansporen zich aan te sluiten bij de Assyrische Chaldeeuwse Beweging. Dit wordt door de Iraakse autoriteiten als activiteiten tegen het regime gezien. Eiseres stelt dat de arrestatie van haar vader plaatsvond in 2000. Het christen zijn van de vader van eiseres leidde pas tot problemen nadat hij een meer actieve rol ging spelen in de kerk. Bij zijn arrestatie werd gezegd, dat hij als crimineel werd gezien omdat hij zich niet wenste te bekeren tot de Islam. Eiseres stelt voorts dat er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard. Deze zijn gelegen in de omstandigheid dat zij een alleenstaande minderjarige vrouw is die geen banden heeft in Noord-Irak. Haar echtgenoot die de Nederlandse nationaliteit bezit verblijft in Nederland. Hieruit blijkt dat zij zich in Noord-Irak niet staande kan houden zodat haar aanvraag dient te worden ingewilligd. Eiseres bestrijdt dat Noord-Irak voor haar een verblijfsalternatief vormt en verwijst hiervoor naar de op 13 april 2002 overgelegde informatie waaruit blijkt dat Assyrische christenen in Noord-Irak vervolgd worden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Deze rechtbank is allereerst van oordeel dat het ontbreken van documenten, zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid aanhef en onder f Vw 2000, aan eiseres kan worden toegerekend. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiseres geen indicatief bewijs heeft overgelegd ter ondersteuning van haar reisroute, terwijl zij daaromtrent evenmin gedetailleerde en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd. Hetgeen eiseres heeft verklaard acht de rechtbank onvoldoende om aannemelijk te achten, dat een en ander niet aan haar is toe te rekenen. De rechtbank is met verweerder van oordeel, dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres.

De rechtbank zal in het kader van artikel 31, eerste lid, Vw 2000, voorts beoordelen of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat er omstandigheden bestaan, die hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen.

Vooropgesteld dient te worden dat de situatie in Irak niet zodanig is dat asielzoekers uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Eiseres zal derhalve aannemelijk dienen te maken dat zich ten aanzien van haar persoonlijk feiten en omstandigheden voordoen die haar vrees voor vervolging rechtvaardigen.

Hierin is eiseres niet geslaagd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres vanwege haar vage, tegenstrijdige en niet nader onderbouwde verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Zo heeft eiseres in eerste instantie verklaard dat haar vader in 1999 is gearresteerd terwijl zij later heeft verklaard dat haar vader in 2001 is gearresteerd. Daarbij heeft eiseres in beroep gesteld dat de arrestatie in 2000 plaatsvond. Voorts is het bevreemdend dat eiseres geen enkele datum heeft kunnen noemen waarop de Iraakse autoriteiten eiseres hebben bezocht. Evenmin heeft eiseres tijdens het nader gehoor kunnen verklaren of het steeds dezelfde personen waren die langskwamen en of zij in uniform waren gekleed. Dat eiseres in haar beroep hierover nadere informatie verstrekt, kan niet tot een ander oordeel leiden nu niet is gebleken van een verklaring waarom eiseres dergelijke relevantie informatie niet tijdens het nader gehoor heeft kunnen verstrekken. Dat de vader van eiseres pas in 1999 of in 2001 door de Iraakse autoriteiten ervan is beschuldigd zich niet tot de Islam te willen bekeren, wekt evenzeer bevreemding, nu het geloof van de vader van eiseres bij de Iraakse autoriteiten al geruime tijd bekend moet zijn geweest. Voorts stelt de rechtbank vast, dat de verklaring van eiseres, dat haar vader is gearresteerd vanwege zijn weigering om zich tot de Islam te bekeren, berust op verklaringen van derden.

De vrees van eiseres, dat zij wordt gedood door de Iraakse autoriteiten vanwege haar weigering zich te bekeren tot de Islam, strookt voorts niet met de informatie uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 9 april 2001. Hierin staat vermeld dat christenen in Irak vrij zijn om hun geloof te belijden en er geen sprake is van systematische achterstelling of achtervolging van de christelijke bevolking. Voorts staat er vermeld dat christenen hoge sociaal-maatschappelijke functies vervullen, ook binnen de Iraakse overheid. Eiseres heeft haar stelling, dat er een wet bestaat die christenen verplicht zich tot het Islamitische geloof te bekeren, niet nader onderbouwd zodat dit geen aanleiding geeft om aan de juistheid van het

ambtsbericht te twijfelen. Dit geldt evenzeer voor de stelling van eiseres, dat het eiseres en haar vader niet toegestaan zou worden activiteiten te verrichten voor de Assyrische Chaldeeuwse Beweging. De rechtbank ziet in de door eiseres overgelegde informatie van Radio Free Europe d.d. 12 april 2002 geen aanleiding om aan de juistheid van het ambtsbericht te twijfelen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de informatie van Radio Free Europe betrekking heeft op de plaats Kirkuk terwijl de gestelde problemen van eiseres zouden hebben plaatsgevonden in Bagdad.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat verweerder heeft kunnen beslissen om eiseres niet als verdragsvluchteling aan te merken.

Ten aanzien van het beroep van eiseres op een verblijfsvergunning op de grond als genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 overweegt de rechtbank dat, gelet op het vorenstaande niet kan worden gesteld dat eiseres bij terugkeer naar Irak het reële risico loopt een behandeling te ondergaan die in strijd is met artikel 3 EVRM.

Ten aanzien van het beroep van eiseres op een verblijfsvergunning op de grond als genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 overweegt de rechtbank, dat verweerder zich, gegeven de hem te dezen toekomende beoordelingsvrijheid, op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze redenen niet van zodanige aard zijn dat zij tot verblijfsaanvaarding dienen te leiden.

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat Noord-Irak geen verblijfsalternatief voor haar vormt, overweegt de rechtbank als volgt.

In bestendige rechtspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat -kort weergegeven- verweerder bij de uitoefening van zijn in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d Vw 2000 neergelegde bevoegdheid ten aanzien van (afgewezen) asielzoekers uit Centraal-Irak een verblijfsalternatief in Noord-Irak kan tegenwerpen, ongeacht de vraag of de vreemdeling beschikt over zogenaamde banden met Noord-Irak. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 november 2001 (200104464/1), 3 december 2001 (200105129/1) en 8 maart 2002 (200106313/1).

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er, gelet op hetgeen in dit geding is aangevoerd over de situatie in Centraal- en Noord-Irak en de positie van de Chaldeeuwse christenen in het bijzonder, geen aanleiding om daar thans anders over te oordelen.

Ter zitting is door de gemachtigde van eiseres aandacht gevraagd voor recente informatie, waarover hij daags voor de zitting via internet kennis heeft genomen. Deze informatie zou tot strekking hebben, dat thans onduidelijkheid bestaat over de terugkeermogelijkheden van Centraal-Irakezen naar Noord-Irak. Verweerder heeft er bezwaar tegen gemaakt, dat eerst ter zitting deze informatie naar voren wordt gebracht. De rechtbank heeft geweigerd kennis te nemen van de door de gemachtigde van eiseres aangeboden stukken, waaruit deze informatie zou blijken, wegens strijd met de goede procesorde als bedoeld in artikel 83, eerste lid Vw 2000. De rechtbank heeft daartoe redengevend geoordeeld dat uit de zijdens eiseres gegeven toelichting moet worden afgeleid, dat de stukken betrekking hebben op een feitelijke aangelegenheid van algemene aard en voorts een aangelegenheid betreft waaromtrent verweerder zich, na toetsing gewoonlijk dient te verlaten op ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken. Door eerst ter zitting dergelijke informatie te presenteren, terwijl niet is gebleken van de onmogelijkheid om daartoe eerder over te gaan, heeft verweerder hier niet voldoende adequaat op kunnen reageren. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen, dat zijdens eiseres niet nadrukkelijk is gesteld, dat de recent verkregen informatie feiten en omstandigheden betreft die dateren van na het bestreden besluit. De rechtbank heeft in de gestelde gang van zaken evenmin aanleiding gezien voor schorsing van de behandeling ter zitting. Geen der partijen heeft daar ook om verzocht.

5. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel, dat verweerder zonder schending van eisen van zorgvuldigheid de aanvraag van eiseres binnen 48 procesuren van de AC-procedure heeft kunnen afdoen en dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen.

6. Het beroep is derhalve ongegrond.

7. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond;

IV. RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Aldus gegeven door mr. H. Bedee, rechter, en door deze en de griffier ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De rechter,

afschrift verzonden op: 2 mei 2002