Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8573

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-09-2002
Datum publicatie
14-10-2002
Zaaknummer
AWB 02/60765
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / voortduring maatregel.

In TBV 2002/31 is neergelegd dat als regel de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000 wordt voortgezet indien om procedurele redenen een beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag gegrond wordt verklaard dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen. Op 2 augustus 2002 heeft de voorzieningenrechter het beroep tegen de afwijzing van het asielverzoek gegrond verklaard en heeft verweerder de maatregel voortgezet op basis van het gewijzigde beleid dat eerder op 25 juli 2002 in werking is getreden. De door verweerder doorgevoerde beleidswijziging zoals deze is neergelegd in TBV 2002/31 acht de rechtbank niet onredelijk. Niet valt in te zien dat verweerder bij zijn beslissing omtrent de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel geen onderscheid zou kunnen maken tussen een gegrondverklaring van het asielberoep om enerzijds inhoudelijke en anderzijds om procedurele redenen. In dit geval heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen, gelet op hetgeen in de uitspraak van 2 augustus 2002 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats is overwogen, dat deze uitspraak niet noopt tot nader onderzoek in een opvangcentrum en dat sprake is van procedurele redenen welke hebben geleid tot gegrondverklaring van het beroep. De gemachtigde van de vreemdeling kan worden toegegeven dat het in een eerder stadium meer uitdrukkelijk kenbaar maken van de redenen van voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel op zijn plaats ware geweest. De omstandigheid dat verweerder de vreemdeling niet uitdrukkelijk op de hoogte heeft gesteld van de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel na de gegrondverklaring van het asielberoep, leidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot het oordeel dat de voortduring van de maatregel in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 96 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 02/ 60765 VRONTN F

inzake: A, geboren op [...] 1973, van Bengalese nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, hierna te noemen: de vreemdeling,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Zitting: 26 augustus 2002.

De vreemdeling is vertegenwoordigd door mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. D. Kuiper.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 25 juni 2002 is de vreemdeling ex artikel 3 Vw op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van de vreemdeling is op diezelfde dag de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw toegepast.

1.2 Bij uitspraak van 11 juli 2002 met kenmerk AWB 02/ 49424 VRONTN F heeft deze rechtbank en nevenvestigingsplaats Haarlem een eerder beroep tegen de maatregel ex artikel 6 Vw ongegrond verklaard.

1.3 Bij beroepschrift van 7 augustus 2002, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op dezelfde datum, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen de voortduring van de maatregel van bewaring. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.4 De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de gemachtigde van de vreemdeling de gelegenheid te bieden aanvullend (op het verhandelde ter zitting) te reageren. Bij schrijven van 26 augustus 2002 heeft de raadsman zijn aanvullende reactie gegeven. Bij schrijven van 27 augustus 2002 heeft verweerder hierop gereageerd, waarna met toestemming van partijen het onderzoek zonder nadere zitting op 2 september 2002 is gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Uit het dossier komt het volgende naar voren. Op 26 juni 2002 heeft de vreemdeling een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij besluit van 29 juni 2002 is deze aanvraag afgewezen. Onder verwijzing naar hoofdstuk C3 12/13.5 Vc is de vrijheidsontnemende maatregel voortgezet. Tegen het besluit van 29 juni 2002 heeft de vreemdeling op 29 juni 2002 beroep ingesteld. Bij verzoekschrift van gelijke datum heeft de vreemdeling tevens verzocht zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Bij uitspraak van 2 augustus 2002 met als kenmerk AWB 02/ 49934 BEPTDN H en AWB 02/ 49936 BEPTDN H heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats Haarlem, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 29 juni 2002 vernietigd. De voorzieningenrechter heeft daarbij, voor zover in casu van belang, als volgt geoordeeld.

Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet geoordeeld worden dat de SRA tijdig kon voorzien dat zich op 29 juni 2002 om 8.00 uur 's morgens capaciteitsproblemen zouden voordoen, die tot bijstelling van die capaciteit noopten. Door in de ontstane

situatie de dienstdoende rechtshulpverlener een termijn te stellen voor het uitbrengen van een zienswijze, wetende dat het feitelijk onmogelijk was dat deze daaraan zou toekomen, en bij ommekomst van die termijn de beschikking te slaan, heeft verweerder gehandeld in strijd met de op hem rustende onderzoeksplicht. Door in het bestreden besluit niet gemotiveerd in te gaan op de door de rechtshulpverlener tijdig gemelde capaciteitsproblemen is dat besluit voorts ontoereikend gemotiveerd.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag ten onrechte in het kader van de ac-procedure afgewezen.

2.2 Namens de vreemdeling is het volgende aangevoerd.

- Onder verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats van 21 maart 2002 (AWB 02/ 16357) stelt de gemachtigde van de vreemdeling dat het beleid geen grondslag biedt voor voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel na gegrondverklaring van het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag.

- TBV 2002/31 biedt geen grondslag voor de voortduring van de maatregel. Nu het besluit van 29 juni 2002 inhoudende de afwijzing van het asielverzoek is vernietigd, is de grondslag voor de vrijheidsontnemende maatregel vanaf dat moment komen te vervallen. TBV 2002/ 31 bestond ten tijde van het besluit van 29 juni 2002 nog niet. Verweerder kan niet met terugwerkende kracht een passage van TBV 2002/31 aan de voortzetting van de maatregel ten grondslag leggen.

- Verweerder stelt dat de beschikking niet op inhoudelijke gronden is vernietigd. Het ac-criterium laat echter geen nader onderscheid tussen "inhoudelijk" en "niet- inhoudelijk" toe, althans het één is bezwaarlijk van het ander te scheiden. Verweerder heeft in casu de aanvraag op inhoudelijke gronden niet binnen de verkorte termijnen van de ac-procedure kunnen afdoen, zodat voortduring van de maatregel niet langer gerechtvaardigd was.

- Tenslotte maakt eiser bezwaar tegen het eerst ter zitting moeten vernemen van de motivering van de voortzetting van de vrijheidsontneming.

2.3 Verweerder stelt zich op het volgende standpunt.

- De voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel is, gelet op de inhoud van hoofdstuk C3/12.13.2 e.v. Vc, zoals gewijzigd bij TBV 2002/31, en de motivering van de gegrondverklaring van het beroep, rechtmatig. De vernietiging van het besluit van 29 juni 2002 heeft plaatsgevonden om procedurele redenen. Anders dan de gemachtigde van de vreemdeling stelt, staat het 48 uurs-criterium een onderscheid tussen "inhoudelijk" en "niet- inhoudelijk" toe.

- Voorts dateert de uitspraak van deze rechtbank van 2 augustus 2002, derhalve van na de inwerkingtreding van TBV 2002/31 op 25 juli 2002, zodat geen sprake is van terugwerkende kracht.

- Verder is de gemachtigde van de vreemdeling reeds bij brief van 15 augustus 2002 op de hoogte gebracht van voortzetting van de maatregel. In deze brief wordt kenbaar gemaakt dat de asielprocedure wordt voortgezet met toepassing van artikel 3.116 Vreemdelingenbesluit (Vb), welk artikel is geschreven voor de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt in de vrijheidsontnemende maatregel.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 In eerdergenoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats van 21 maart 2002 heeft de rechtbank -kort samengevat- geoordeeld dat na gegrondverklaring door de rechtbank van het asielberoep vanwege overschrijding

van de 48 procesuren het beleid zoals dat was verwoord in C3/ 12.13.3.1. e.v. Vc geen grond biedt voor voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel.

2.5 Middels TBV 2002/31 van 17 juli 2002, gepubliceerd in de Staatscourant van 23 juli 2002, nr. 138 / pag.12 en in werking getreden op 25 juli 2002, zijn enkele passages van de Vc die zien op toezicht, vrijheidsbeperking of vrijheidsontneming gewijzigd, verduidelijkt dan wel toegevoegd. Voor de onderhavige zaak zijn de volgende wijzigingen van belang. In C3/12.13.3.1 is na de opsomming van de criteria a tot en met h, op grond waarvan een vrijheidsontnemende maatregel kan worden opgelegd of voortgezet, de volgende regel ingevoegd: "Bovenstaande lijst is niet uitputtend. Indien niet (langer) aan een van de bovenstaande criteria wordt voldaan kan onder bijzondere omstandigheden de maatregel toch worden opgelegd dan wel voortgezet. In de vijfde alinea van C3/12.13.3.2 staat vervolgens: "Als regel geldt dat geen (verdere) toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid Vreemdelingenwet zal plaatsvinden, indien er geen zicht meer is op de omstandigheid dat de vreemdeling na afloop van zijn procedure kan voldoen aan de vertrekplicht ex artikel 5 Vreemdelingenwet. Indien een beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag gegrond wordt verklaard dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening door de rechter is toegewezen zal de IND bezien

of dit aanleiding vormt de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen. Als regel wordt de maatregel voortgezet indien het verzoek om een voorlopige voorziening om procedurele redenen wordt toegewezen." De eerste zin van de eerste alinea van C3/12.13.4

komt tenslotte als volgt te luiden: "Indien de aanvraag op inhoudelijke gronden niet binnen de verkorte termijnen van de AC-procedure kan worden afgedaan en er evenmin andere redenen bestaan om de asielzoeker in een grenslogies te plaatsen, kan doorplaatsing naar een opvanglocatie plaatsvinden."

2.6 Thans staat ter beoordeling of de voortduring van de ten aanzien van de vreemdeling toegepaste vrijheidsontnemende maatregel vanaf eerdergenoemde uitspraak van 11 juli 2002 tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 2 september 2002 in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2.7 Vanaf 11 juli 2002 tot 2 augustus 2002 was de voortduring van de maatregel immer gebaseerd op het bepaalde in (het ongewijzigd gebleven) hoofdstuk C3/12.13.5 Vc, inhoudende dat de maatregel voortduurt na afwijzing van het asielverzoek dat is behandeld vanuit een aanmeldcentrum of vanuit het Grenshospitium. Op 2 augustus 2002 heeft de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van het asielverzoek gegrond verklaard en heeft verweerder de maatregel voortgezet op basis van het gewijzigde beleid dat eerder op 25 juli 2002 in werking is getreden. Gelet hierop volgt de rechtbank de vreemdeling niet in zijn stelling dat het gewijzigde beleid door verweerder met terugwerkende kracht is toegepast.

2.8 De door verweerder doorgevoerde beleidswijziging zoals deze is neergelegd in TBV 2002/31 acht de rechtbank niet onredelijk. Niet valt in te zien dat verweerder bij zijn beslissing omtrent de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel geen onderscheid zou kunnen maken tussen een gegrondverklaring van het asielberoep om enerzijds inhoudelijke en anderzijds om procedurele redenen. In dit geval heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen, gelet op hetgeen in de uitspraak van 2 augustus 2002 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats is overwogen, dat deze uitspraak niet noopt tot nader onderzoek in een opvangcentrum en dat sprake is van procedurele redenen welke hebben geleid tot gegrondverklaring van het beroep. Verweerder heeft inmiddels dan ook een inhoudelijk gelijkluidend voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag uitgebracht, als het voornemen voorafgaande aan de afwijzende beschikking van 29 juni 2002.

2.9 Tenslotte kan de gemachtigde van de vreemdeling worden toegegeven dat het in een eerder stadium meer uitdrukkelijk kenbaar maken van de redenen van voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel op zijn plaats ware geweest. De omstandigheid dat

verweerder de vreemdeling niet uitdrukkelijk op de hoogte heeft gesteld van de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel na de gegrondverklaring van het asielberoep, leidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot het oordeel dat de voortduring van de maatregel in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de voortduring van de maatregel van vrijheidsontneming, ook na gegrondverklaring van het asielberoep, gerechtvaardigd.

2.10 De rechtbank is ook overigens van oordeel dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, de voortduring van de maatregel niet in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten. De vreemdeling is verschillende keren, laatstelijk op 16 augustus 2002, verzocht medewerking te verlenen aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit ten behoeve van de aanvraag van een laissez-passer bij de Libanese autoriteiten, echter zonder het gewenste resultaat.

2.11 Het beroep is derhalve ongegrond.

2.12 Nu de opheffing van de maatregel niet wordt bevolen, komt ook het verzoek om toekenning van schadevergoeding niet voor inwilliging in aanmerking.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2002, in tegenwoordigheid van mr. M. Geschiere als griffier.

Afschrift verzonden op: 4 september 2002

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.