Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8541

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-08-2002
Datum publicatie
14-10-2002
Zaaknummer
AWB 01/413 MAWKMA
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2004:AR5650
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing van Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel leidt niet tot discriminatie tussen gehuwd en ongehuwd personeel; geen toepassing art. 41 VBD (hardheidsclausule).

Eiser, werkzaam bij de Koninklijke Marine, was op de Nederlandse Antillen geplaatst. Eisers verzoek om een hogere toelage buitenland is door verweerder afgewezen. Naar aanleiding van eisers verzoek heeft de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) hierover geoordeeld dat verweerder jegens eiser geen onderscheid naar burgerlijke staat heeft gemaakt.

De rechtbank stelt vast dat de CGB allereerst heeft geoordeeld dat verweerder geen direct onderscheid naar burgerlijke staat heeft gemaakt. Daartoe heeft de CGB - samengevat - overwogen dat het verschil in toelage voor de Antillen aan militairen met gezinsleden (al dan niet ter plaatse) en militairen zonder gezinsleden gebaseerd is op de woon- of leefomstandigheden van de militair, hetgeen niet op één lijn kan worden gesteld met onderscheid naar burgerlijke staat. Gehuwden en ongehuwd samenwonenden worden volgens de CGB door verweerder gelijk behandeld.

De CGB heeft vervolgens onderzocht of een indirect onderscheid naar burgerlijke staat wordt gemaakt. Naar het oordeel van de CGB is zulks niet het geval, omdat de positie van de alleenstaande en ook de zelfstandig wonende voldoende in het onderzoek waarop het VBD gebaseerd is, is betrokken. Daar komt volgens de CGB nog bij dat verweerder toelagen verstrekt voor het zelfstandig wonen, waarop ook alleenstaande militairen aanspraak kunnen maken.

Tot slot heeft de CGB geoordeeld dat ook het verschil in toelage geen indirect onderscheid tot gevolg heeft, gelet op het uiteindelijk relatief beperkte verschil in netto maandsalaris bij uiteenlopende omstandigheden.

De rechtbank kan zich vinden in de conclusies van de CGB en ziet geen aanleiding anders te oordelen. Eisers beroep op de hardheidsclausule van art. 41 VBD kan evenmin slagen. Voor toepassing van de hardheidsclausule dient immers sprake te zijn van bijzondere omstandigheden waarin de individuele militair verkeert. Eisers beroep daarentegen is - kort gezegd - gericht tegen het systeem van het VBD waarin volgens eiser geen adequate regeling voor de ongehuwde walplaatser wordt geboden, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank als een algemeen argument dient te worden beschouwd. Het gaat hier om een situatie waarin - voor zover thans van belang - alle walplaatsers op de Nederlandse Antillen verkeren. Indien verweerder aanleiding zou zien tot wijziging daarvan, dient zulks plaats te vinden in het arbeidsvoorwaardenoverleg in de sector Defensie. Bovendien kan op grond van art. 8:2.a Awb, geen beroep worden ingesteld tegen een algemeen verbindend voorschrift. Eiser heeft zijn beroep daarom anders moeten inkleden. Ook het feit dat eisers daadwerkelijke kosten hoger liggen dan de vergoeding die hij ontvangt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Derhalve is op goede gronden geen toepassing gegeven aan art. 41 VBD.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AR5650

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 01/413 MAWKMA

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Eiser, [...] bij de Koninklijke Marine, was van 12 maart 1996 tot 17 augustus 1999 geplaatst op de Nederlandse Antillen.

Bij brief van 7 juli 1997 heeft eiser verweerder verzocht om een hogere toelage buitenland.

Bij besluit van 22 oktober 1997 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 januari 1998 een bezwaarschrift ingediend. In deze brief heeft eiser medegedeeld dat hij tevens een verzoek bij de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) heeft ingediend. In verband hiermee heeft eiser verzocht de behandeling van het bezwaarschrift aan te houden totdat de CGB haar oordeel zou hebben uitgesproken.

Op 21 maart 2000 heeft de CGB geoordeeld dat de verweerder jegens eiser geen onderscheid naar burgerlijke staat heeft gemaakt, zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, sub d, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) en derhalve niet in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Eiser heeft bij brief van 18 september 2000 een aanvullend bezwaarschrift ingediend.

Eiser is op 13 november 2000 door het Adviesorgaan Bestuursrechtelijke Geschillen Koninklijke Marine (ABGKM) gehoord.

Bij brief van 27 november 2000 heeft het ABGKM advies uitgebracht aan verweerder.

Bij besluit van 20 december 2000 heeft verweerder de bezwaren van eiser, overeenkomstig het advies van het ABGKM, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 29 januari 2001 beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij brief van 1 maart 2001 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 2 april 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 20 augustus 2002 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.A. Billiet-de Jonge.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P. van der Lelie.

Motivering

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit, waarbij verweerder in bezwaar zijn besluit aan eiser geen hogere toelage buitenland aan eiser toe te kennen heeft gehandhaafd, op goede gronden heeft genomen. Eisers beroep beperkt zich tot het voor hem geldende percentage van het zogeheten éloignement.

Artikel 115 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) luidt:

1. Onze Minister kan de militair naar billijkheid schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen, voor zover daar niet uit anderen hoofde aanspraak op bestaat.

2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan de militair dan wel groepen van militairen.

Ten aanzien van de in de in het buitenland geplaatste militaire ambtenaar zijn in het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD) nadere regels gesteld.

Artikel 7 van het VBD geeft aanspraak op een toelage buitenland aan:

a. de gehuwde defensieambtenaar met aanspraak op salaris die is geplaatst in een gebied buiten Nederland en wiens gezin aldaar metterwoon is gevestigd;

b. de gehuwde defensieambtenaar met aanspraak op salaris die is geplaatst in een gebied buiten Nederland en wiens gezin niet aldaar metterwoon is gevestigd, indien hij uitsluitend om redenen van dienst niet in de gelegenheid is in de regel dagelijks heen en weer te reizen tussen de woonplaats van zijn gezin en de plaats waar hij dienst verricht;

c. de ongehuwde defensieambtenaar met aanspraak op salaris die is geplaatst in een gebied buiten Nederland en die in Nederland niet een eigen huishouding voert, dan wel een eigen huishouding voert en uitsluitend om redenen van dienst niet in de gelegenheid is in de regel dagelijks heen en weer te reizen tussen zijn woonplaats in Nederland en de plaats waar hij dienst verricht.

Ingevolge artikel 41 van het VBD is de Minister bevoegd te beslissen in die gevallen waarin deze regeling naar zijn oordeel niet of niet in redelijkheid voorziet.

Eiser heeft een aanvraag om een hogere toelage buitenland ingediend, omdat hij van mening is dat het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD) geen specifieke voorzieningen biedt voor de ongehuwde Defensieambtenaar die voor 36 maanden naar de Nederlandse Antillen wordt uitgezonden en aldaar in eigen voeding en huisvesting voorziet (de zogenoemde ongehuwde walplaatser). Eiser stelt ten onrechte gelijk te worden gesteld met een ongehuwde Defensieambtenaar die voor 9 maanden wordt uitgezonden naar het buitenland en aldaar voeding en huisvesting van rijkswege geniet (de zogenoemde ongehuwde boordplaatser). Verweerder heeft hiermee volgens eiser in strijd met het non-discriminatiebeginsel gehandeld. In het rapport dat aan het VBD ten grondslag ligt, is volgens eiser onvoldoende de positie van de ongehuwde militair onderzocht. Er is geen rekening gehouden met de daadwerkelijk kosten die een ongehuwde walplaatser moet maken. Daardoor wordt in de regeling die op dat rapport gebaseerd is, het VBD, een indirect onderscheid naar burgerlijke staat gemaakt. Volgens eiser had verweerder daarom toepassing moeten geven aan artikel 41 van het VBD. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen.

Verweerder heeft aangevoerd dat de CGB reeds geoordeeld heeft dat geen onderscheid naar burgerlijke staat is gemaakt en dat derhalve niet in strijd met de AWGB is gehandeld.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een situatie waarin het VBD niet voorziet, omdat bij de totstandkoming van het VBD de belangen van de ongehuwde walplaatser wel degelijk zijn meegewogen.

Toepassing van de antihardheidsclausule uit artikel 41 van de VBD vindt volgens verweerder alleen plaats indien sprake is van bijzondere omstandigheden. In het geval van eiser is daarvan niet gebleken. Bovendien is de positie waarin eiser verkeert niet individueel, maar op meerdere Defensieambtenaren van toepassing, zodat het toekennen van een hogere buitenlandtoelage aan eiser een zodanige inbreuk op de bestaande regelgeving met zich meebrengt dat deze niet door toepassing van de antihardheidsclausule kan worden gerealiseerd.

De rechtbank stelt vast dat de CGB allereerst heeft geoordeeld dat verweerder geen direct onderscheid naar burgerlijke staat heeft gemaakt. Daartoe heeft de CGB - samengevat - overwogen dat het verschil in toelage voor de Antillen aan militairen met gezinsleden (al dan niet ter plaatse) en militairen zonder gezinsleden gebaseerd is op de woon- of leefomstandigheden van de militair, hetgeen niet op één lijn kan worden gesteld met onderscheid naar burgerlijke staat. Gehuwden en ongehuwd samenwonenden worden volgens de CGB door verweerder gelijk behandeld.

De CGB heeft vervolgens onderzocht of een indirect onderscheid naar burgerlijke staat wordt gemaakt. Naar het oordeel van de CGB is zulks niet het geval, omdat de positie van de alleenstaande en ook de zelfstandig wonende voldoende in het onderzoek waarop het VBD gebaseerd is, is betrokken. Daar komt volgens de CGB nog bij dat verweerder toelagen verstrekt voor het zelfstandig wonen, waarop ook alleenstaande militairen aanspraak kunnen maken.

Tot slot heeft de CGB geoordeeld dat ook het verschil in toelage geen indirect onderscheid tot gevolg heeft, gelet op het uiteindelijk relatief beperkte verschil in netto maandsalaris bij uiteenlopende omstandigheden.

De rechtbank kan zich vinden in de conclusies van de CGB en ziet geen aanleiding anders te oordelen. De CGB heeft naar het oordeel van de rechtbank een grondig en uitvoerig onderzoek uitgevoerd en is op basis daarvan tot de conclusie gekomen dat geen onderscheid naar burgerlijke staat wordt gemaakt. Het standpunt van eiser dat verweerder in strijd met het non-discriminatiebeginsel heeft gehandeld treft dan ook geen doel.

Eisers beroep op de hardheidsclausule van artikel 41 van het VBD kan evenmin slagen. Voor toepassing van de hardheidsclausule dient immers sprake te zijn van bijzondere omstandigheden waarin de individuele militair verkeert. Eisers beroep daarentegen is - kort gezegd - gericht tegen het systeem van het VBD waarin volgens eiser geen adequate regeling voor de ongehuwde walplaatser wordt geboden, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank als een algemeen argument dient te worden beschouwd. Het gaat hier om een situatie waarin - voor zover thans van belang - alle walplaatsers op de Nederlandse Antillen verkeren. Indien verweerder aanleiding zou zien tot wijziging daarvan, dient zulks plaats te vinden in het arbeidsvoorwaardenoverleg in de sector Defensie. Bovendien kan op grond van artikel 8:2, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, geen beroep worden ingesteld tegen een algemeen verbindend voorschrift. Eiser heeft zijn beroep daarom anders moeten inkleden. Ook het feit dat eisers daadwerkelijke kosten hoger liggen dan de vergoeding die hij ontvangt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Verweerder heeft dan ook op goede gronden geen toepassing gegeven aan artikel 41 van het VBD.

De stelling van eiser dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen deelt de rechtbank niet.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan een der partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. J.W.H.B. Sentrop en in het openbaar

uitgesproken op 30 augustus 2002, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. N.W.A. Verrijt.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: