Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8400

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-08-2002
Datum publicatie
14-10-2002
Zaaknummer
AWB 01/2256 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toeslagenwet valt onder de toepasselijkheid van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko. Art. 5 Verdrag verzet zich tegen toepassing van art. 4a.1 TW en art. XI Wet BEU.

Verweerder heeft aan eiser medegedeeld dat de door hem ontvangen toeslag op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de TW vanaf 1 januari 2000 jaarlijks wordt afgebouwd en met ingang van 1 januari 2003 wordt ingetrokken. Eiser acht dit in strijd met art. 1 jo. art. 5 van het Verdrag.

Rb.: Omdat de TW en/of (gezins)toeslagenregelingen niet worden genoemd in art. 1, eerste lid, aanhef en onder a, Verdrag, valt de TW alleen onder de werking van het Verdrag indien de TW kan worden aangemerkt als een wet als bedoeld in art. 1, tweede lid, van het Verdrag.

De rechtbank is van oordeel dat de TW als een dergelijke wet moet worden aangemerkt.

Ook indien art. 1, tweede lid, van het Verdrag zo gelezen moet worden dat het Verdrag alleen mede van toepassing is op wetten en regelingen die wijzigingen of aanvullingen aanbrengen in de in het eerste lid genoemde wettelijke regelingen zelf, valt de TW onder deze bepaling. De TW regelt namelijk uitsluitend toeslagen op loondervinguitkeringen (WAO, WW, en ZW), die alle onder de in art. 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Verdrag genoemde regelingen vallen. De TW regelt geen toeslagen op uitkeringen krachtens andere wetten, noch zelfstandige toeslagen.

De wetgever had de gezinstoeslagen ook heel goed in de betreffende wetten (WAO, WW en ZW) kunnen regelen. Dat de wetgever de gezinstoeslagen apart geregeld heeft in de TW is dus min of meer toevallig. Aan deze min of meer toevallige omstandigheid kan dan ook geen doorslaggevende betekenis worden toegekend bij de vraag of de TW onder de werking van het Verdrag valt.

De rechtbank is het verder niet eens met het standpunt van verweerder dat de TW buiten het Verdrag valt omdat de toeslag, anders dan de loondervinguitkeringen, betaald wordt uit de algemene middelen en daarom vergeleken moet worden met de Abw, welke wet ook niet onder het Verdrag valt. De wetgever heeft de TW expliciet op één lijn gesteld met de loondervinguitkeringen, waarop zij een aanvulling vormt, en heeft de TW willen onderscheiden van de Abw (Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 19 257, nr. 3, pagina 4). Een vermogenstoets zoals in de Abw ontbreekt ook in de TW.

Bij de TW is geen aparte, nieuwe tak van sociale zekerheid geregeld en heeft geen uitbreiding van rechthebbenden plaatsgevonden. Het gaat slechts om een ophoging/aanvulling van bestaande uitkeringen in verband met de gezinssamenstelling van de verzekerde. De TW behoort dan ook niet tot de uitzonderingen van art. 1, tweede lid, Verdrag.

Nu de TW onder de toepasselijkheid van het Verdrag valt, verzet art. 5 van dat Verdrag zich in het geval van eiser tegen toepassing van art. 4a, eerste lid, TW en art. XI van de Wet BEU.

Raad van bestuur van het UWV, verweerder.

mrs. D. de Loor, C.J. Waterbolk, J.L. Verbeek

Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trechtbank 1972, 34) 1.1.a, 1.2

TW 4a

Wet BEU XI

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 01/2256 TW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

A, wonende te B (Marokko), eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 2 januari 2001 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de door hem ontvangen toeslag op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Toeslagenwet (TW) vanaf 1 januari 2000 jaarlijks wordt afgebouwd en met ingang van 1 januari 2003 wordt ingetrokken.

Bij besluit van 16 mei 2001 heeft verweerder het door eiser hiertegen aangetekende bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is eiser op 22 juni 2001 in beroep gekomen bij de rechtbank.

Het beroep is op 8 augustus 2002 ter zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P. Veldhuis, advocaat te Leiden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Koenhen.

Motivering

Bij de op 1 januari 2000 inwerking getreden Wet Beperking Export Uitkeringen (Wet BEU) is artikel 4a in de TW ingevoerd.

Krachtens artikel 4a, eerste lid, van de TW heeft de persoon, bedoeld in artikel 2, (rechthebbende op toeslag) geen recht op toeslag gedurende de periode dat hij niet in Nederland woont.

Artikel XI van de Wet BEU, waarbij het overgangsrecht is geregeld, luidt:

"In afwijking van artikel 4a van de Toeslagenwet wordt aan de persoon, die op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 2 van de Toeslagenwet recht heeft op een toeslag en op die dag niet woont in Nederland:

a. gedurende het eerste jaar na inwerkingtreding van deze wet het bedrag uitbetaald waarop recht zou bestaan indien betrokkene in Nederland zou wonen;

b. gedurende het tweede jaar na inwerkingtreding van deze wet twee derden van het bedrag uitbetaald waarop recht zou bestaan indien betrokkene in Nederland zou wonen;

c. gedurende het derde jaar na inwerkingtreding van deze wet een derde van het bedrag uitbetaald waarop recht zou bestaan indien betrokkene in Nederland zou wonen."

Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel XI van de Wet BEU.

In beroep heeft eiser, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 september 2001 (reg.nr. 01/1947 TW), betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1 juncto artikel 5 van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972, 34; hierna: het Verdrag).

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Verdrag bepaalt dat het Verdrag in Nederland van toepassing is op de wettelijke regelingen betreffende: de ziekteverzekering (uitkeringen en verstrekkingen bij ziekte en moederschap); de arbeidsongeschiktheidsverzekering (invaliditeits-verzekering); de ouderdomsverzekering; de weduwen- en wezenverzekering; de werkloosheidsverzekering; de kinderbijslagen.

Artikel 1, tweede lid, van het Verdrag luidt:

Dit Verdrag is eveneens van toepassing op alle wetten of regelingen, waarbij de wettelijke regelingen, genoemd in het eerste lid van dit artikel, worden gewijzigd of aangevuld. Het is evenwel slechts van toepassing:

a) op wetten of regelingen welke betrekking hebben op een nieuwe tak van sociale zekerheid, indien daartoe een nadere overeenkomst tussen de Verdragsluitende Partijen wordt gesloten;

b) op wetten of regelingen welke de werking van de bestaande regelingen uitbreiden tot nieuwe groepen van rechthebbenden, indien de Partij welke haar wettelijke regelingen wijzigt, daartegen niet binnen drie maanden na de officiële bekendmaking van bedoelde teksten bezwaar maakt bij de Regering van de andere Partij.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Verdrag kunnen de uitkeringen bij invaliditeit of ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden, verkregen op grond van de wettelijke regelingen van een der Verdragsluitende Partijen, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende woont op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, zich bevindt.

Artikel 5, tweede lid, van het Verdrag luidt: "De in het eerste lid bedoelde sociale verzekeringsuitkeringen van een der Verdragsluitende Partijen worden aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij die op het grondgebied van een derde Staat wonen, onder dezelfde voorwaarden en tot dezelfde omvang uitbetaald als aan onderdanen van eerstgenoemde Partij die op het grondgebied van die derde Staat wonen."

De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op het Verdrag slaagt.

Omdat de TW en/of (gezins)toeslagenregelingen niet worden genoemd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Verdrag, valt de TW alleen onder de werking van het Verdrag indien de TW kan worden aangemerkt als een wet als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Verdrag.

De rechtbank is van oordeel dat de TW als een dergelijke wet moet worden aangemerkt.

Ook indien artikel 1, tweede lid, van het Verdrag zo gelezen moet worden dat het Verdrag alleen mede van toepassing is op wetten en regelingen die wijzigingen of aanvullingen aanbrengen in de in het eerste lid genoemde wettelijke regelingen zelf, valt de TW onder deze bepaling. De TW regelt namelijk uitsluitend toeslagen op loondervinguitkeringen (WAO, WW, en ZW), die alle onder de in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Verdrag genoemde regelingen vallen. De TW regelt geen toeslagen op uitkeringen krachtens andere wetten, noch zelfstandige toeslagen.

De wetgever had de gezinstoeslagen ook heel goed in de betreffende wetten (WAO, WW en ZW) kunnen regelen. Dat de wetgever de gezinstoeslagen apart geregeld heeft in de TW is dus min of meer toevallig. Aan deze min of meer toevallige omstandigheid kan dan ook geen doorslaggevende betekenis worden toegekend bij de vraag of de TW onder de werking van het Verdrag valt.

De rechtbank is het verder niet eens met het standpunt van verweerder dat de TW buiten het Verdrag valt omdat de toeslag, anders dan de loondervinguitkeringen, betaald wordt uit de algemene middelen en daarom vergeleken moet worden met de Algemene bijstandswet (Abw), welke wet ook niet onder het Verdrag valt. De wetgever heeft de TW expliciet op één lijn gesteld met de loondervinguitkeringen, waarop zij een aanvulling vormt, en heeft de TW willen onderscheiden van de Abw (Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 19 257, nr. 3, pagina 4). Een vermogenstoets zoals in de Abw ontbreekt ook in de TW.

Bij de TW is geen aparte, nieuwe tak van sociale zekerheid geregeld en heeft geen uitbreiding van rechthebbenden plaatsgevonden. Het gaat slechts om een ophoging/aanvulling van bestaande uitkeringen in verband met de gezinssamenstelling van de verzekerde. De TW behoort dan ook niet tot de uitzonderingen van artikel 1, tweede lid, van het Verdrag.

Nu de TW onder de toepasselijkheid van het Verdrag valt, verzet artikel 5 van dat Verdrag zich in het geval van eiser tegen toepassing van artikel 4a, eerste lid, van de TW en artikel XI van de Wet BEU.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Aangezien bovenstaand oordeel ertoe leidt dat verweerder nog maar één rechtens juiste beslissing kan nemen, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien, door het primaire besluit van 2 januari 2001 te herroepen.

Verweerder wordt in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 16 mei 2001;

herroept het primaire besluit van 2 januari 2001;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten

€ 27,23, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,--, welke kosten het UWV aan eiser moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. D. de Loor, mr. C.J. Waterbolk en mr. J.L. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2002, in tegenwoordigheid van de griffier A. Jansen.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op:

Reg.nr. AWB 01/2256 TW 4