Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8346

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
04-10-2002
Zaaknummer
01.2282
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJK 2002, 76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8/B

rolnummer : 01.2282

datum vonnis : 25 september 2002

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE,

sector civiel recht - meervoudige kamer B.

Vonnis in de zaak met bovenvermeld rolnummer van :

de vennootschap onder firma [eiser sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

en

[eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eiseressen,

procureur : mr.W.J.Nijland,

tegen

de Staat der Nederlanden (ministerie van justitie),

zetelend te ´s-Gravenhage,

gedaagde,

procureur : mr.C.M.Bitter.

Partijen zullen hierna ook aangeduid worden als de vof, [eiser sub 2] en de Staat.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van het geding, te weten :

- de met de dagvaarding van 17 juli 2001 overeenstemmende conclusie van eis, met producties;

- de conclusies van antwoord (met producties), repliek (met producties) en dupliek.

1. De feiten :

1.1. [eiser sub 2] is vennoot van de vof. Tegen de vof en [eiser sub 2] is een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld. In het kader van het gerechtelijk vooronderzoek heeft op 17 januari 1996 bij de vof een huiszoeking plaatsgevonden. Op 15 april 1997 is [eiser sub 2] in verzekering gesteld. Zij is op 17 april 1997 weer in vrijheid gesteld.

1.2. De vof en [eiser sub 2] zijn door de officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank te Middelburg gedagvaard voor de meervoudige strafkamer van die rechtbank tegen de zitting van 17 juli 1997.

1.3. Bij de dagvaarding van de vof was telastgelegd als :

feit 1 medeplegen van misdrijven omschreven in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr);

feit 2 misdrijven omschreven in de artikelen 50b, derde lid, en 52b van de Organisatiewet Sociale Verzekering;

feit 3 misdrijven omschreven in de artikelen 10, aanhef en onder b, en 18, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen.

1.4. Bij de dagvaarding van [eiser sub 2] was telastgelegd :

primair medeplegen van misdrijven omschreven in artikel 225, eerste, Sr;

subsidiair medeplegen van opdrachtgeven tot en/of feitelijke leiding geven aan misdrijven omschreven in artikel 225, eerste lid, Sr.

1.5. De arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij vonnis van 17 juli 1997 de dagvaarding tegen de vof nietig verklaard ten aanzien van de feiten 1 en 3. Zij heeft daarbij overwogen dat artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voorschrijft dat aan verdachte een duidelijke opgave wordt gedaan van hetgeen hem wordt verweten. De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding ten aanzien van de feiten 1 en 3 niet duidelijk was, omdat onduidelijk was welke schriftelijke bescheiden tot de kasadministratie en de loonadministratie behoorden en de werknemers op wie de vervalste geschriften betrekking hadden niet nader waren gespecificeerd, hetgeen ook gold voor de taxiritten en de rijlessen. Ten aanzien van het als feit 2 telastgelegde is bij dat vonnis het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst.

1.6. De arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij vonnis van 17 juli 1997 de dagvaarding tegen [eiser sub 2] nietig verklaard. Zij heeft daarbij overwogen dat artikel 261 Sv voorschrijft dat aan verdachte een duidelijke opgave wordt gedaan van hetgeen hem wordt verweten. De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding niet duidelijk was, omdat onduidelijk was welke schriftelijke bescheiden tot de kasadministratie en de loonadministratie behoorden en de werknemers op wie de vervalste geschriften betrekking hadden niet nader waren gespecificeerd, hetgeen ook gold voor de taxiritten en de rijlessen.

1.7. Tegen de vonnissen van 17 juli 1997 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.8. Bij brief van 29 december 1997 heeft de raadsman van eiseressen de officier van justitie onder meer geschreven :

"De bedrijfsvereniging heeft op 28 november jl. toegezegd geen administratieve boete te zullen opleggen aan de v.o.f. indien er voor de onderhavige feiten een schikking met het O.M. wordt getroffen. Hiermee is de weg geopend om inhoudelijk op uw brief d.d. 25 september 1997 in te gaan.

Om gelijk met de deur in huis te vallen doe ik namens mijn cliënten het volgende schikkingsvoorstel :

a. de v.o.f. betaalt een boete van ƒ 2.000,-- en

b. [eiser sub 2] een boete van ƒ 1.250,-- en wel uiterlijk op 31 maart 1998.

Na acceptatie en betaling van deze bedragen zal de zaak versus [eiser sub 2] niet meer (verder) vervolgd worden. Wat de v.o.f. betreft zitten we nog wel met de aangehouden zaak (feit 2). Het lijkt mij dat u na de definitieve transactie de keuze hebt tussen het simpelweg niet meer aanbrengen van de zaak of -ingeval u dat een minder elegante oplossing vindt- tijdens de voortgezette behandeling van de zaak preliminair tot uw eigen niet-ontvankelijkheid te requireren in de hoop en de verwachting dat de rechtbank uw advies dan opvolgt.

Ik realiseer me dat -gelet op de ernst van de beschuldigingen- het aanbod mager is. Desalniettemin denk ik dat er goede gronden zijn om dit aanbod toch te accepteren. Ik wijs in dit verband op de volgende punten :

a. [eiser sub 2] is vennoot van de v.o.f. en in die kwaliteit hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de v.o.f. ... De financiële positie van de v.o.f. is bar slecht. ...

b. Het nadeel dat de fiscus en de bedrijfsvereniging geleden hebben ( circa ƒ 500.000,--) is volledig vergoed terwijl er daarnaast een boete betaald gaat worden aan de fiscus van maar liefst ƒ 100.000,--. ...

e. Tot slot het volgende. Zoals in elke civiele zaak een zeker procesrisico aanwezig is -welk risico vaak voor partijen aanleiding is om het lopende geschil middels een vaststellingsovereenkomst te schikken- geldt dat ook hier. Zonder op de zaak vooruit te willen lopen, kan ik u wel alvast mededelen dat ik nog een aantal (mijns inziens) sterke strafrechtelijke en strafprocesuele verweren in petto heb, die -bij honorering door de rechtbank- een veroordeling in de weg zullen staan. Dat neemt niet weg dat genoemd risico niet alleen voor u, maar ook voor mij geldt. Bovendien speelt dan natuurlijk voor cliënten ook het kostenaspect een rol van betekenis. ...

In concreto stel ik het volgende voor.

Indien u bovenvermeld voorstel accepteert, verzoek ik u mij dat schriftelijk te laten weten. We kunnen dan tot definitieve afronding van deze zaak komen. ...".

1.9. Bij brief van 11 februari 1998 heeft de raadsman van eiseressen de officier van justitie onder meer geschreven :

"Voor de goede orde bevestig ik langs deze weg ons gesprek d.d. 9 februari jl, waarin u mij aangaf het voorstel dat ik u gedaan heb bij brief d.d. 29 december 1997 te accepteren. ... Nu de schikking mede betrekking heeft op de aangehouden zaak (feit 2 van de v.o.f.), heeft u mij medegedeeld deze zaak in elk geval niet meer aan te brengen.

Het bovenstaande betekent dat wat mij betreft dit strafdossier gesloten kan worden. ..."

10. De vof heeft vervolgens ƒ.2.000,= betaald en [eiser sub 2] ƒ.1.250,=. De strafvervolging tegen de v.o.f. en [eiser sub 2] is daarna niet meer voortgezet.

2. De vordering en het verweer :

2.1. Eiseressen vorderen veroordeling van de Staat tot betaling aan haar van een bedrag van ƒ.20.000,= aan hoofdsom, van een bedrag van ƒ.3.000,= aan buitengerechtelijke incassokosten, beide bedragen te vermeerderen met wettelijke rente, en van proceskosten.

Zij leggen aan die vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, omdat de officier van justitie in strijd met artikel 261 Sv heeft gehandeld door aan de vof en [eiser sub 2] nietige dagvaardingen uit te brengen, ten gevolge waarvan zij schade hebben geleden bestaande in het maken van extra kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van ƒ.20.000,=.

2.2. De Staat voert gemotiveerd verweer.

3. De beoordeling van het geschil :

3.1. De Staat stelt zich primair op het standpunt dat het eiseressen niet meer vrij staat de Staat aan te spreken uit hoofde van vermeend onrechtmatig handelen van de Staat in het kader van de hiervoor bedoelde strafzaken tegen eiseressen. Eiseressen hebben volgens de Staat afstand gedaan van hun eventuele rechten terzake althans die rechten verwerkt.

De Staat voert daartoe aan dat de raadsman van eiseressen bij diens brief van 27 (de rechtbank begrijpt dit als een kennelijke verschrijving voor 29) december 1997 namens eiseressen heeft laten weten dat de zaak met aanvaarding door de officier van justitie van de aangeboden schikking definitief kon worden afgerond. Dat standpunt is bevestigd bij brief van 11 februari 1998. Daarmee hebben eiseressen afstand gedaan van hun eventuele recht om vergoeding van kosten van rechtsbijstand te vorderen, althans hebben zij hiermee bij de Staat het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat de zaak definitief ten einde was met de schikking die daarin bestond dat eiseressen respectievelijk ƒ.2.000,= en ƒ.1.250,= zouden betalen. Daarna hebben zij ruim twee jaar niet meer van zich laten horen. Zij mochten de Staat niet meer ruimschoots na het onder deze omstandigheden tot stand komen van de schikking aanspreken tot vergoeding van hun kosten van rechtsbijstand in het kader van diezelfde strafzaak, aldus nog steeds de Staat.

3.2. De rechtbank verwerpt dit verweer van de Staat. Uit de onder 1.8. en 1.9. aangehaalde inhoud van de brieven van 29 december 1997 en 11 februari 1998 valt niet af te leiden dat eiseressen afstand deden van hun eventueel recht op vergoeding van kosten van rechtsbijstand. De brieven hebben blijkens hun strekking slechts betrekking op het tot stand brengen van het doen vervallen van het recht tot strafvordering overeenkomstig het bepaalde in artikel 74 Sr en het sluiten van de dossiers in de strafzaken. Over eventueel bij de burgerlijke rechter in te stellen vorderingen wordt in die brieven niet gerept. Bij de Staat kunnen die brieven dan ook niet het vertrouwen hebben gewekt dat na het betalen van een schikking bij de burgerlijke rechter geen vordering tegen de Staat zou worden ingesteld.

3.3. De rechtbank stelt voorop dat van het onrechtmatig instellen van een strafvervolging ten aanzien van eiseressen als verdachten slechts sprake is in de volgende gevallen :

a. als de strafvervolging is ingesteld in strijd met de wet danwel met veronachtzaming van fundamentele vereisten;

b. indien achteraf uit het strafvorderlijk onderzoek -uit de einduitspraak of anderszins- blijkt dat de verdenking op grond waarvan de strafvervolging is ingesteld ten onrechte heeft bestaan.

3.4. De rechtbank stelt vast dat hier geen sprake is van het onder 3.3.a. bedoelde geval. Niet is gesteld of gebleken dat er tegen eiseressen geen redelijk vermoeden van schuld bestond aan een of meer misdrijven, als waar de telastleggingen op doelden. Ook is niet gesteld of gebleken dat er een vervolgingsbeletsel bestond. Het instellen van de strafvervolging was daarom niet in strijd met de wet. Dat de telastleggingen in de dagvaardingen niet (geheel) voldeden aan de in artikel 261 Sv gestelde eisen doet daar niet aan af. Dat was weliswaar een fout van de officier van justitie, toe te rekenen aan de Staat, maar deze fout is voldoende gecompenseerd door de nietigverklaring van de dagvaardingen op de punten waarop zij niet aan de wettelijke eisen voldeden. Toekenning voor schadevergoeding voor die fouten is daarom niet zijn plaats.

Verder zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die leiden tot de conclusie dat met veronachtzaming van fundamentele vereisten de vervolging is ingesteld.

3.5. De rechtbank is van oordeel dat hier ook geen sprake is van een situatie zoals omschreven onder 3.3.b. : de strafzaak tegen [eiser sub 2] is immers geëindigd door het voldoen aan voorwaarden als bedoeld in artikel 74 Sr en zulks geldt ook ten aanzien van de vof met betrekking tot de haar telastgelegde feiten 1 en 3, terwijl de strafvervolging niet meer is voortgezet betreffende feit 2 na het voldoen aan voorwaarden als bedoeld in artikel 74 Sr met betrekking tot de feiten 1 en 3.

3.6. Nu niet is gebleken van de ongefundeerdheid van de verdenkingen, waren eiseressen voor het verkrijgen van schadevergoeding ter zake van het instellen van de strafvervolging in beginsel aangewezen op de mogelijkheden die de artikelen 89-93, 591 en 591a Sv haar boden (de strafzaken zijn immers geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr) en bestaat er voor haar overigens geen aanspraak op schadevergoeding wegens rechtmatige overheidsdaad. Feiten of omstandigheden waarom hier van voormeld beginsel zou moeten worden afgeweken zijn overigens niet gesteld of gebleken.

3.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de vorderingen van eiseressen moeten worden afgewezen. Zij dienen als de in het ongelijk te stellen partij de proceskosten te dragen.

4. De beslissing :

De rechtbank :

wijst de vorderingen van eiseressen af;

veroordeelt eiseressen in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 215,55 aan griffierecht en € 780,= aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mrs R.A.C.van Rossum, J.Kramer en M.J.van der Ven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.