Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8341

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2002
Datum publicatie
04-10-2002
Zaaknummer
AWB 01/32453
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procesbelang / vluchtelingenstatus / vordering tot schadevergoeding.

Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang, nu de aan Afhaanse eiser verleende vvtv vanaf 1 april 2001 op grond van artikel 115, zesde lid, Vw 2000 wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Onder verwijzing naar uitspraak AWB 99/9730 van 11 juni 2002, overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie een bestuursorgaan tegenover een belanghebbende een onrechtmatige daad pleegt indien het een besluit heeft genomen dat door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met een geschreven dan wel ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. Deze onrechtmatige daad komt in beginsel voor rekening van dat bestuursorgaan. Een vordering tot schadevergoeding vormt derhalve in beginsel een voldoende belang om een rechterlijk oordeel te geven over de betwiste rechtmatigheid van het besluit. Het beroep is ontvankelijk.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Nu eiser stelt materiële schade te hebben geleden, omdat verweerder in het primaire besluit heeft geoordeeld dat eiser geen vluchteling is, dient verweerder alsnog een oordeel te geven over de vraag of eiser vluchteling is.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: Awb 01/32453

Datum uitspraak: 25 juli 2002

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de zaak van

A, geboren op [...] 1983,

van Afghaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde mr. L.A. Kjellevold,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(voorheen: de Staatssecretaris van Justitie);

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.A.M. Janssen,

ambtenaar bij de IND.

Het procesverloop

Op 24 oktober 1999 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij besluit van 10 maart 2000, bekendgemaakt op 31 mei 2000, heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eiser geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Wel is aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend.

Eiser heeft tegen de afwijzing van zijn aanvraag bij bezwaarschrift van 27 juni 2000 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 juli 2001 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij beroepschrift van 17 juli 2001 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen dit besluit.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 26 juni 2002. Eiser is verschenen bij gemachtigde, G.J. van der Graaf, kantoorgenoot van mr. L.A. Kjellevold. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door M. de Knikker.

De ontvankelijkheid van het beroep

1. Verweerder heeft zich blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting op het standpunt gesteld dat eiser geen rechtens te honoreren belang heeft bij het beroep. Hiertoe is redengevend dat de aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet (Vw) verleende vvtv vanaf 1 april 2001 - de datum van inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) - op grond van artikel 115, zesde lid, van de Vw 2000 wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Eiser heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat hij een rechtens te honoreren belang heeft bij een uitspraak over de vraag of hij al dan niet terecht niet als vluchteling is aangemerkt. Ter zitting heeft eiser voorts aangevoerd dat hij materiële schade heeft geleden door ten onrechte niet te zijn toegelaten als vluchteling.

3. Onder verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 11 juni 2002 (Awb 99/9730, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, AE5231), overweegt de rechtbank als volgt.

4. Het is vaste jurisprudentie dat een bestuursorgaan tegenover een belanghebbende een onrechtmatige daad pleegt indien het een besluit heeft genomen dat door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met een geschreven dan wel een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. Met het uitspreken van die vernietiging is de schuld van het bestuursorgaan, zoals bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in beginsel gegeven. Ook als het bestuursorgaan geen enkel verwijt treft, dient er van uit te worden gegaan dat deze onrechtmatige daad in beginsel voor rekening van dat bestuursorgaan komt.

5. Een vordering tot schadevergoeding vormt derhalve in beginsel een voldoende belang om een rechterlijk oordeel te geven over de betwiste rechtmatigheid van een besluit. Dit is slechts anders indien de vordering tot schadevergoeding nimmer zal kunnen worden toegewezen.

6. Van dit laatste is evenwel geen sprake, nu immers met de vernietiging van een besluit is gegeven dat het bestuursorgaan onrechtmatig tegenover de belanghebbende heeft gehandeld en dat het bestuursorgaan verplicht is de schade die de belanghebbende daardoor lijdt te vergoeden.

7. Gelet op het voorgaande heeft eiser belang bij een rechterlijke beoordeling van het bestreden besluit en is het beroep ontvankelijk.

De beoordeling

8. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

9. Gelet op hetgeen in het voorgaande reeds is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk is. Nu eiser stelt materiële schade te hebben geleden, omdat verweerder in het primaire besluit heeft geoordeeld dat eiser geen vluchteling is, dient verweerder alsnog een oordeel te geven over de vraag of eiser vluchteling is.

10. Het beroep is derhalve gegrond.

11. Er bestaat aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,-, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling te geschieden aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem.

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Lely - van Goch en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2002 in tegenwoordigheid van mr. J.C.D. Crezée als griffier.

de griffier de rechter