Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8209

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-09-2002
Datum publicatie
30-09-2002
Zaaknummer
09-017024-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-017024-02

's-Gravenhage, 27 september 2002

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres] [woonplaats].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3, 9, 12 en 13 september 2002.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr P.J.L.J. Duijsens, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Van Dis-Setz heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 2 primair en 3 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Overwegingen ten aanzien van de dagvaarding.

De rechtbank is van oordeel dat het gebruik van het woord 'verdachte' in het onder 1 primair telastgelegde, vijftiende regel en subsidiair telastgelegde, twintigste regel, een kennelijke vergissing betreft die de rechtbank kan verbeteren zonder dat verdachte daardoor in zijn verdediging is geschaad - gesteld noch gebleken is immers dat verdachte het verwijt dat hierin wordt gemaakt ten gevolge van de door de steller van de telastlegging gehanteerde formulering niet heeft kunnen begrijpen - of de grondslag van de telastlegging wordt verlaten. De telastlegging was voorts zonder deze verbetering ook niet innerlijk tegenstrijdig, in de zin dat twee mogelijkheden naast elkaar werden gepresenteerd die niet naast elkaar kunnen bestaan.

Nietigheid van de dagvaarding (feiten 1 en 2)

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de dagvaarding voor wat betreft het onder 1 en 2 telastgelegde nietig is nu deze feiten primair verdachte zijn telastgelegd en subsidiair de aldaar genoemde rechtspersonen waarbij niet nader is geconcretiseerd wie opdracht of feitelijk leiding zou hebben gegeven.

De rechtbank stelt voorop dat ook het onder 1 en 2 subsidiair telastgelegde verdachte is telastgelegd en niet de aldaar genoemde rechtspersonen. In zoverre gaat de raadsman in zijn betoog uit van een onjuiste lezing van de dagvaarding. Gegeven het feit dat strafrechtelijke aansprakelijkheid op basis van meerdere constructies tot stand kan komen, verzet geen enkele rechtsregel zich tegen de wijze waarop het feitelijk gebeuren verdachte onder 1 en 2 is telastgelegd, te weten primair als medepleger en subsidiair als opdrachtgever c.q. feitelijk leidinggever van door de aldaar genoemde rechtspersonen gepleegde feiten. Voorts zijn volgens vaste jurisprudentie de termen feitelijk leidinggeven en opdracht geven voldoende feitelijk zodat zij in de telastlegging niet nader hoeven te worden omschreven. Het betoog van de raadsman faalt in al zijn onderdelen.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting van 12 september 2002 - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vorderingen wijziging telastlegging, gemerkt A1 en A2.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair en 2 primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Overweging ten aanzien van het bewijs.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 telastgelegde gesteld dat niet is bewezen dat verdachtes opzet er op was gericht dat te weinig belasting zou worden geheven. Uit de bewijsmiddelen, in hun onderlinge samenhang bezien, vloeit echter voort dat verdachte als feitelijk leidinggevende willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting werd betaald, aangezien deze gebaseerd zou zijn op valse gegevens. Daarmee is de opzet van verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet bewezen.

De raadsman van verdachte heeft voorts met betrekking tot het onder 2 telastgelegde betoogd dat ten aanzien van de factuur-urenstaten die verdachte of de ondernemingen van verdachte voorhanden zouden hebben gehad niet kan worden bewezen dat deze bestemd waren tot gebruik als waren zij echt en onvervalst.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de betreffende factuur-urenstaten in de administraties van de ondernemingen van verdachte zijn verwerkt als waren zij echt en onvervalst. Hiermee is de door het tweede lid van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht vereiste gebruiksbestemming gegeven.

Ten aanzien van het onder 3 telastgelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte regelmatig vergaderingen had met [eigenaar uitzendbureau] en vertegenwoordigers van de drie andere grote opdrachtgevers van Uitzendbureau [uitzendbureau]. De rechtbank acht bewezen dat tijdens deze vergaderingen afspraken zijn gemaakt over het vernietigen van primaire en originele urenlijsten en over het opmaken resp. voorhanden hebben van valse factuur-urenstaten, een en ander met het doel om aan het zicht van controlerende instanties te onttrekken dat in de (loon)administratie van Uitzendbureau [uitzendbureau] werknemers in dienst van dat Uitzendbureau niet of niet volledig werden opgenomen en/of loonbetalingen geheel of gedeeltelijk geboekt werden op naam en sofi-nummer van andere - al dan niet bij dat Uitzendbureau in dienst zijnde - personen dan de personen die werkelijk werkzaamheden hadden verricht.

Betrokkenen hebben aldus gedurende een aanzienlijke periode met voormeld doel hun handelen op elkaar afgestemd, zodat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Dat binnen dit samenwerkingsverband ook vele andere - legitieme - zaken werden besproken kan daaraan niet afdoen. Het misdadig oogmerk van de organisatie beperkte zich echter tot de strafbare handelingen, genoemd onder het eerste en derde gedachtenstreepje, zodat op onderdelen vrijspraak moet volgen.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij

- gewijzigde - dagvaarding onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat geen verplichting bestaat tot bewaren van de in de telastlegging onder 1 bedoelde pad-plus-registraties.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Ingevolge artikel 52, lid 1 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR) zijn administratieplichtigen gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. De betreffende gegevensdragers dienen gedurende een termijn van zeven jaar te worden bewaard (art. 52, lid 4 AWR). Administratieplichtigen in de zin van artikel 52, lid 1 AWR zijn onder meer rechtspersonen en vennootschappen (art. 52, lid 2 AWR juncto art. 2, lid 1 en onder b AWR).

De rechtspersonen en vennootschap waar verdachte (rechtstreeks dan wel middellijk) in participeert en zeggenschap heeft zijn derhalve op grond van de AWR gehouden een administratie te voeren die voldoet aan de vereisten van artikel 52, lid 1 AWR en de gegevensdragers die daartoe behoren gedurende zeven jaren te bewaren.

Object van de fiscale administratie- en bewaarplicht zijn de gegevens betreffende de vermogenstoestand van de administratieplichtige en van alles betreffende zijn bedrijf, beroep of werkzaamheid voor zover daaruit de rechten en verplichtingen van de administratieplichtige alsmede de voor de belastingheffing overigens van belang zijnde feiten kunnen blijken. Blijkens de Memorie van Toelichting kan dit laatste in beginsel gezegd worden van elk gegeven dat eenmaal in verband met het bedrijf is ontvangen, verzonden of voor intern gebruik is vastgelegd. Voor wat in concreto ter zake verwacht mag worden van een bedrijf, kan een beperking uitgaan van de regel dat de administratie naar de eisen van dat bedrijf moet worden gevoerd (TK 1988-1989, 21 287, nr. 3, blz. 23).

De fiscale administatie- en bewaarverplichting ziet blijkens de Memorie van Antwoord op alles wat rechtspersonen en ondernemingen ingevolge het civiele recht moeten registreren en bewaren alsmede op de overigens nog voor de heffing van de belasting van belang zijnde gegevens. Doel van de verplichting is te bereiken dat de fiscus steeds tot een zeven jaren in het verleden liggend tijdstip de facetten van het bestuur van en de feitelijke gang van zaken in de rechtspersoon of onderneming die voor de heffing van belang kunnen zijn, kan reconstrueren. Slechts met machtiging van de fiscus kan de fiscale bewaarverplichting voor zover die betrekking heeft op de specifiek voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens worden beperkt tot een gedeelte van de informatiedragers (TK 1990-1991, 21 287, nr. 5, blz. 23). Ter zake is beleid geformuleerd en gepubliceerd (besluit van de staatssecretaris van Financiën van 19 juli 1996, nr. PF 96/854, gewijzigd bij besluit van 30 oktober 1998, nr. PFC98/742).

In de bedrijven van verdachte wordt gewerkt met het zogenaamde padplus-systeem. Daarin worden onder meer de door het personeel in de tuinen gewerkte uren geregistreerd. Naar het oordeel van de rechtbank vallen de aldus vastgelegde primaire urenregistraties onder de bewaarplicht van artikel 52 AWR. Het betreft immers feitelijk vastgelegde gegevens aan de hand waarvan verplichtingen van de administratieplichtige kunnen worden bepaald - bijvoorbeeld in geval van inlenen van personeel de verplichtingen van de administratieplichtige jegens de uitlener - en interne controles (kunnen) worden uitgevoerd. Bovendien zijn dit gegevens die voor de heffing van belasting van belang kunnen zijn. Gesteld noch gebleken is dat met de belastingdienst afspraken zijn gemaakt over de bewaartermijn of het detailniveau waarop deze gegevens moeten worden bewaard. Het betoog van de raadsman faalt derhalve.

De raadsman van verdachte heeft voorts betoogd dat verdachte zich niet bewust was van het feit dat de pad-plus-registraties bewaard moesten worden. Dit betoog kan niet worden aanvaard. Van een ondernemer mag immers verwacht worden dat hij zich op de hoogte stelt van de voor zijn bedrijf relevante geldende wet- en regelgeving. Voorts blijkt uit de door verdachte afgelegde verklaringen dat op een gegeven moment op verzoek van [eigenaar uitzendbureau] is overgegaan tot het niet (meer) bewaren van de betreffende registraties teneinde controle van de juistheid van de door [uitzendbureau] Uitzendbureau naderhand toegezonden urenregistraties (vrijwel) onmogelijk te maken.

Het bewezenverklaarde is derhalve volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen straffen het volgende overwogen.

De BV's en V.O.F. (waar verdachte verantwoordelijk is voor de factor arbeid) hebben niet voldaan aan de hen rustende fiscale bewaarplicht en valse bescheiden voorhanden gehad. Verdacht heeft aan deze gedragingen feitelijk leiding gegeven.

De ondernemingen van verdachte leenden personeel in van [uitzendbureau] Uitzendbureau. Hiervan werden bij de ondernemingen van verdachte registraties bijgehouden. Aan de hand van deze originele registraties werden de werknemers door het uitzendbureau uitbetaald, waarna het uitzendbureau nieuwe lijsten opmaakte waarop de gewerkte uren door personen die niet konden of wilden worden opgenomen in de (loon-)administratie van het uitzendbureau, werden verantwoord op naam en sofi-nummer van andere personen. Van het uitzendbureau ontvingen de ondernemingen van verdachte de aldus valselijk opgemaakte zogenaamde factuur-urenstaten en deze werden in de administraties van verdachtes ondernemingen opgenomen. De bij de ondernemingen van verdachte aanwezige primaire registraties van namen en gewerkte uren van het bij [uitzendbureau] Uitzendbureau ingeleend personeel, werden vervolgens conform de met het uitzendbureau gemaakte afspraken vernietigd. De administraties van de ondernemingen en het uitzendbureau werden op elkaar afgestemd, teneinde de feitelijke gang van zaken aan het zicht van controlerende instanties te onttrekken.

Verdachte heeft voornoemde strafbare feiten gepleegd in een min of meer gestructureerd verband. Er heeft regelmatig overleg plaatsgevonden waaraan behalve de eigenaar van het uitzendbureau en zijn medewerker(s), ook verdachte en andere opdrachtgevers hebben deelgenomen. Blijkens notulen werden tijdens die vergaderingen onder meer afspraken gemaakt omtrent het vernietigen van originele bescheiden en het opmaken en bewaren van valse bescheiden. Uit de notulen blijkt dat betrokkenen allen op de hoogte waren van het feit dat deels gewerkt werd door andere personen dan die op de uiteindelijke factuur-urenstaten stonden vermeld.

De rechtbank wil graag aannemen dat verdachte in zijn bedrijfsvoering op een goede wijze wilde voorzien in de behoefte aan arbeidskrachten. Dat heeft hem er echter niet van weerhouden zich schuldig te maken aan praktijken waarvan hij heel goed wist dat deze niet door de beugel konden en waarbij bovendien volgens een dermate geraffineerde methode te werk is gegaan, dat ontdekking nagenoeg uitgesloten was.

Verdachte heeft door deze gedragingen er aan bijgedragen dat de belastingdienst - en dus de gemeenschap - voor een aanzienlijk bedrag is benadeeld. Bijkomende gevolgen van het misbruik van sofi-nummers zijn dat mensen in staat worden gesteld zwart te werken en mensen wier sofi-nummer is gebruikt, op basis van een gefingeerd arbeidsverleden of inkomen ten onrechte bijvoorbeeld een hypotheek of een uitkering kunnen verkrijgen. Anderzijds kunnen mensen wier sofi-nummer zonder hun medeweten is misbruikt problemen met de belasting of andere (uitkerings-)instanties krijgen omdat zij, blijkens de gegevens via hun sofi-nummer verkregen, meer inkomen hebben genoten dan in werkelijkheid het geval is geweest.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit het algemeen documentatieregister geen relevante documentatie heeft.

Op grond van al het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat na te noemen straffen passend en geboden zijn.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57, 140 en 225 van het Wetboek van Strafrecht;

- 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair en 2 primair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij

- gewijzigde - dagvaarding onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Opzettelijk als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht is tot het bewaren van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, deze niet bewaren, terwijl dat feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Opzettelijk het valse of vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

taakstraf, bestaande uit:

een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid voor de tijd van 240 uren;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uur per dag, zodat 236 uren resteren;

in verzekering gesteld op :3 december 2001,

in vrijheid gesteld op: :5 december 2001

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 118 dagen;

en voorts:

gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Elkerbout, voorzitter,

Wattel en Wapenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Japenga en Rietbroek, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 september 2002.