Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8180

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-09-2002
Datum publicatie
30-09-2002
Zaaknummer
09-017021/02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-017021/02

's-Gravenhage, 27 september 2002.

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3, 9, 10, 11 en 13 september 2002.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr Koppe, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Van Dis-Setz heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 1, 2 primair en 2 subsidiair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 primair telastgelegde overweegt de rechtbank daarbij het volgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte als senior accountant in dienst van BDO Walgemoed CampsObers (hierna te noemen: BDO) zich vanaf augustus 1999 met Uitzendbureau [uitzendbureau] heeft beziggehouden. Onder zijn verantwoordelijkheid hield de senior assistent [senior assistent] zich bezig met het verlenen van administratieve ondersteuning, het mede implementeren van het automatiseringsprogramma BIT en het samenstellen van de (concept) jaarrekening van Uitzendbureau [uitzendbureau]. Zijn collega [collega], die werkte onder verantwoordelijkheid van de fiscaal adviseur en vennoot van BDO, [fiscaal adviseur en vennoot], hield zich bezig met de loonadministratie en het verzorgen van de aangiften voor de loonbelasting en omzetbelasting van Uitzendbureau [uitzendbureau]. Verdachte is bij dat laatste niet betrokken geweest.

Er is geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte wist, althans moet hebben geweten, dat in de loonadministratie van Uitzendbureau [uitzendbureau] werknemers in dienst van dat Uitzendbureau niet of niet volledig werden opgenomen en/of loonbetalingen geheel of gedeeltelijk werden geboekt onder naam en/of sofinummer van andere - al dan niet bij dat Uitzendbureau in dienst zijnde - personen dan de personen die werkelijk werkzaamheden hebben verricht (de zogenaamde wisselspelers), en evenmin dat er (gedeeltelijk) zwarte lonen werden uitbetaald. Eind 1999 is aan verdachte door [senior assistent] wel gerapporteerd dat bij het opstellen van de jaarcijfers over 1998 was gebleken dat er een kasoverschot van ruim 1,2 miljoen gulden bestond. Tijdens besprekingen over dit onderwerp - waaraan verdachte zelf niet heeft deelgenomen - heeft [eigenaar uitzendbureau] aangegeven dat hij zijn personeel meer betaalde dan er op de loonlijst stond. [fiscaal adviseur en vennoot] heeft daarop gesuggereerd deze betalingen als onkostenvergoeding te benoemen en voorgesteld een onderbouwing daarvoor te zoeken. [senior assistent] heeft zijn twijfels op dit punt in berichten van 24 oktober 2000 en 22 december 2000 aan verdachte en aan [fiscaal adviseur en vennoot] kenbaar gemaakt. In zijn bericht van 22 december 2000 heeft [senior assistent] er tevens melding van gemaakt dat hij een stapel nieuwe facturen van onderaannemers inzake 1997 t/m 1999 van [eigenaar uitzendbureau] had ontvangen. [senior assistent] twijfelde aan de echtheid van deze facturen, omdat de facturen er in zijn ogen "te netjes" uitzagen en [eigenaar uitzendbureau] als verklaring voor het kasoverschot eerst met privé-uitgaven en een onkostenvergoeding en nu weer met deze facturen kwam, en heeft dit ook aan verdachte en aan [fiscaal adviseur en vennoot] overgebracht. In opdracht van [fiscaal adviseur en vennoot] is vervolgens het bestaan van de in de facturen genoemde bedrijven op de factuurdata aan de hand van informatie van de Kamer van Koophandel geverifieerd. Tijdens een overleg tussen [eigenaar uitzendbureau], [fiscaal adviseur en vennoot], verdachte en [senior assistent] eind maart 2001 hebben [fiscaal adviseur en vennoot] en verdachte daarna nog eens uitdrukkelijk aan [eigenaar uitzendbureau] gevraagd of hij de facturen had betaald, hetgeen hij bevestigde, waarna zij hem hebben verzocht de facturen dan ook te paraferen. Verdachte zag daarna geen belemmering meer om tot boeking van de facturen over te gaan. Tijdens hetzelfde overleg is tevens besloten dat een onkostenvergoeding van ƒ 2,- per uur over de jaren 1998 en 1999 zou worden geboekt. Verdachte achtte dit vanuit zijn discipline verantwoord, daarbij ervan uitgaande dat de onkostenvergoeding daadwerkelijk was betaald en dat de vraag of deze post door de belastingdienst zou worden geaccepteerd verder een onderwerp van nader overleg tussen de fiscalisten van BDO en de belastingdienst zou zijn. [senior assistent] heeft de onkostenvergoeding en de facturen over 1998 en 1999 vervolgens als voorafgaande journaalpost geboekt. In opdracht van verdachte heeft [senior assistent] daarna suppletie-aangiften loonbelasting en omzetbelasting over 1998 en 1999 opgemaakt, die door verdachte zijn ondertekend en naar de belastingdienst zijn gestuurd. Hoewel de gehele gang van zaken - ook wat het handelen van verdachte betreft - bedenkingen oproept, moet het er voor worden gehouden dat verdachte heeft gehandeld in het misplaatste vertrouwen dat de facturen correct waren en het boeken van de onkostenvergoeding verantwoord was. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem opgemaakte suppletie-aangiften vals zouden zijn. Derhalve kan het (voorwaardelijk) opzet op het valselijk opmaken van deze geschriften niet worden bewezen, zodat verdachte van het hem telastgelegde dient te worden vrijgesproken.

Om dezelfde redenen kan evenmin worden gezegd dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de bedrijfsadministratie van Uitzendbureau [uitzendbureau], die bij het boekenonderzoek aan de controlerend ambtenaren van de belastingdienst is overgelegd, vals/-vervalst zou zijn, in die zin dat die administratie valse facturen bevatte, dat in de kasadministratie een saldo was weggeboekt met deze facturen en met een gefingeerde onkostenvergoeding en dat in de loonadministratie werknemers van dat Uitzendbureau en/of uren gewerkt door die werknemers en/of loon uitgekeerd aan die werknemers niet of niet volledig waren verantwoord. Derhalve kan het (voorwaardelijk) opzet op het in valse/vervalste vorm voor raadpleging ter beschikking stellen van de bedrijfsadministratie van Uitzendbureau [uitzendbureau] niet worden bewezen, zodat verdachte van het onder 2 primair telastgelegde eveneens dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair telastgelegde overweegt de rechtbank dat zij niet wettig en overtuigend bewezen acht dat Maatschap De Eglantier (handelend onder de naam BDO Walgemoed CampsObers) deze feiten heeft begaan, zodat zij verdachte reeds daarom van die feiten zal vrijspreken.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 1, 2 primair en 2 subsidiair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Elkerbout, voorzitter,

Wattel en Wapenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Japenga en Rietbroek, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 september 2002.