Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8176

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-09-2002
Datum publicatie
30-09-2002
Zaaknummer
09-017027/02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-017027/02

's-Gravenhage, 27 september 2002.

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3, 9, 10, 11 en 13 september 2002.

De verdachte, bijgestaan door de raadsvrouw mr Doedens, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Van Dis-Setz heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf voor de duur van 100 uren.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Verweren partiele nietigheid dagvaarding.

De raadsvrouw heeft namens haar cliënt aangevoerd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard voorzover deze toeziet op andere omstandigheden waaruit zou blijken dat de loonadministratie van Uitzendbureau [uitzendbureau] vals zou zijn dan de omstandigheden genoemd op pagina 3 van het proces-verbaal genummerd 2OPV, nu noch uit de dagvaarding, noch uit het dossier van dergelijke omstandigheden blijkt, zodat verdachte niet wist dat hij zich tegen deze andere verwijten diende te verdedigen.

De raadsvrouw heeft voorts namens haar cliënt aangevoerd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard voorzover deze toeziet op het verwijt dat de opgevoerde onkostenvergoeding fiscaal onacceptabel zou zijn, nu uit de dagvaarding in samenhang met de stukken blijkt dat verdachte wordt verweten dat in strijd met de waarheid in de loonadministratie is opgenomen dat een onkostenvergoeding is betaald en verdachte derhalve niet uit de dagvaarding heeft kunnen afleiden dat hij zich tegen dit andere verwijt diende te verdedigen.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat hij al dan niet in vereniging valsheid in geschrift heeft gepleegd door het onjuist doen van suppletieaangiften door in die aangiften onjuiste bedragen op te nemen. De feiten waarvan verdachte wordt verdacht zijn aldus, in samenhang met het daaromtrent gerelateerde in het dossier, voldoende concreet omschreven. Ook overigens heeft de verdachte ter zitting geen blijk gegeven niet te weten waartegen hij zich in casu diende te (laten) verdedigen. Het feit dat de officier van justitie verwijst naar feiten en omstandigheden die, naar het oordeel van de raadsvrouw, niet uit het dossier blijken, raken niet de geldigheid van de dagvaarding, maar zien toe op de vraag of de telastgelegde feiten kunnen worden bewezenverklaard.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daarbij het volgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte in opdracht van zijn werkgever, BDO Walgemoed CampsObers (hierna te noemen: BDO), vanaf mei 1999 als senior-assistent werkzaamheden voor Uitzendbureau [uitzendbureau] heeft verricht. Hij heeft zich beziggehouden met administratieve ondersteuning, zoals het coderen van boekingsstukken, het mede implementeren van het automatiseringsprogramma BIT (in het bijzonder het financiële programma daarvan) en het samenstellen van de (concept) jaarrekening van Uitzendbureau [uitzendbureau]. Hij verrichtte zijn werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van de senior accountant [senior accountant]. Zijn collega [collega verdachte], die werkte onder verantwoordelijkheid van de fiscaal adviseur en vennoot van BDO, [fiscaal adviseur en vennoot], hield zich bezig met de loonadministratie en het verzorgen van de aangiften voor de loonbelasting en omzetbelasting van Uitzendbureau [uitzendbureau]. Verdachte is daarbij niet direct betrokken geweest.

Er is geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte wist, althans moet hebben geweten, dat in de loonadministratie van Uitzendbureau [uitzendbureau] werknemers in dienst van dat Uitzendbureau niet of niet volledig werden opgenomen en/of loonbetalingen geheel of gedeeltelijk werden geboekt onder naam en/of sofinummer van andere - al dan niet bij dat Uitzendbureau in dienst zijnde - personen dan de personen die werkelijk werkzaamheden hebben verricht (de zogenaamde wisselspelers), en evenmin dat er (gedeeltelijk) zwarte lonen werden uitbetaald. Verdachte had bij het opstellen van de jaarcijfers over 1998 wel geconstateerd dat er over dat jaar een kasoverschot van ruim 1,2 miljoen gulden bestond. Tijdens besprekingen over dit onderwerp heeft [eigenaar uitzendbureau] onder meer aangegeven dat hij zijn personeel meer betaalde dan er op de loonlijst stond. [fiscaal adviseur en vennoot] heeft daarop gesuggereerd deze betalingen als onkostenvergoeding te benoemen en voorgesteld een onderbouwing daarvoor te zoeken. Verdachte heeft zijn twijfels op dit punt in berichten van 24 oktober 2000 en 22 december 2000 aan [senior accountant] en [fiscaal adviseur en vennoot] kenbaar gemaakt. In zijn bericht van 22 december 2000 heeft verdachte er tevens melding van gemaakt dat hij een stapel nieuwe facturen van onderaannemers inzake 1997 t/m 1999 van [eigenaar uitzendbureau] had ontvangen. Verdachte twijfelde aan de echtheid van deze facturen, omdat de facturen er in zijn ogen "te netjes" uitzagen en [eigenaar uitzendbureau] als verklaring voor het kasoverschot eerst met privé-uitgaven en een onkostenvergoeding en nu weer met deze facturen kwam, en heeft dit ook aan [senior accountant] en [fiscaal adviseur en vennoot] overgebracht. In opdracht van [fiscaal adviseur en vennoot] is vervolgens het bestaan van de in de facturen genoemde bedrijven op de factuurdata aan de hand van informatie van de Kamer van Koophandel geverifieerd. Tijdens een overleg tussen [eigenaar uitzendbureau], [fiscaal adviseur en vennoot], [senior accountant] en verdachte eind maart 2001 hebben [fiscaal adviseur en vennoot] en [senior accountant] [eigenaar uitzendbureau] daarna nog eens uitdrukkelijk gevraagd of hij de facturen had betaald, hetgeen door hem werd bevestigd, waarna zij hem hebben verzocht de facturen dan ook te paraferen. Nadat [eigenaar uitzendbureau] dit had gedaan, heeft verdachte zijn twijfels op dit punt aan de kant gezet. Tijdens hetzelfde overleg is tevens besloten dat een onkostenvergoeding van ƒ 2,- per uur over de jaren 1998 en 1999 zou worden geboekt. Verdachte heeft hiermee ingestemd, daarbij kennelijk afgaand op het oordeel van [fiscaal adviseur en vennoot] dat deze boeking verantwoord was en ervan uitgaand dat de vraag of deze post door de belastingdienst zou worden geaccepteerd verder een onderwerp van nader overleg tussen de fiscalisten van BDO en de belastingdienst zou zijn. Een en ander heeft erin geresulteerd dat verdachte, ondanks zijn aanvankelijke - terechte - twijfels over de vermeende onkostenvergoeding en de facturen, uiteindelijk toch - op gezag van [fiscaal adviseur en vennoot] en [senior accountant] - tot het boeken van deze posten, en in het verlengde daarvan het opmaken van suppletie-aangiften loonbelasting en omzetbelasting over 1998 en 1999, is overgegaan. Hoewel de gehele gang van zaken - ook wat het uiteindelijke handelen van verdachte betreft - bedenkingen oproept, moet het er voor worden gehouden dat verdachte heeft gehandeld in het misplaatste vertrouwen dat de facturen correct waren en het boeken van de onkostenvergoeding verantwoord was. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem opgemaakte suppletie-aangiften vals zouden zijn. Derhalve kan het (voorwaardelijk) opzet op het valselijk opmaken van deze geschriften niet worden bewezen, zodat verdachte van het hem telastgelegde dient te worden vrijgesproken.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Elkerbout, voorzitter,

Wattel en Wapenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Japenga en Rietbroek, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 september 2002.