Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8050

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
AWB 01/13458
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herstel-verzuimbrief / werkinstructie 167a.

Op 8 januari 2001 heeft de advocaat van Bosnische eiser een bezwaarschrift ingediend tegen de afwijzende beslissing op het asielverzoek. Bij brief van 26 januari 2002 heeft verweerder de ontvangst bevestigd en verzocht om aanvulling van de gronden binnen twee weken. In de brief wordt aangegeven dat uitstel kan worden gevraagd. Voorts deelt verweerder in die brief mee de beslissing op bezwaar, in verband met het grote aantal zaken, te verdagen. Op 31 januari 2001 verzoekt de gemachtigde in verband met vakantie van 2 tot en met 12 februari om uitstel voor het indienen van gronden tot 15 februari 2001. Per brief d.d. 8 februari antwoordt verweerder op dat geen uitstel wordt verleend; de gemachtigde heeft immers niet conform werkinstructie 167a zijn vakantie een maand te voren gemeld bij verweerder. Op 13 februari 2001 vult de gemachtigde de gronden van het bezwaar aan. De brief vangt aan met enkele kritische opmerkingen over de weigering uitstel te verlenen. Verweerder behandelt de brief als een klacht, die op 7 maart 2001 ongegrond wordt verklaard. Op diezelfde dag wordt het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van gronden.

In het beroep daartegen overweegt de rechtbank als volgt. Werkinstructie 167a laat aan duidelijkheid te wensen over. Verweerder heeft ter zitting geen opheldering kunnen verschaffen. De uitstel-verzuim brief die verweerder heeft gestuurd, wekt de indruk dat gemotiveerde verzoeken om uitstel kans van slagen hebben. Bovendien blijkt uit de brief dat verweerder zelf van plan was om af te wijken van werkinstructie 167a. De gemachtigde van eiser kon op grond van die brief de indruk krijgen dat zijn verzoek om zes dagen uitstel gehonoreerd zou worden. Van verweerder mag verwacht worden dat brieven duidelijk zijn. Daaraan komt meer gewicht toe dan aan gemachtigde’s blind vertrouwen op honorering van zijn verzoek om uitstel. Verweerder had moeten onderkennen dat de als klacht opgevatte brief de gronden van het bezwaar bevatte. De rechtbank stelt vast dat de gronden tijdig zijn ingediend. Het bestreden besluit is onjuist gemotiveerd en moet worden vernietigd. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Almelo

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 01/13458 OVERIO GB

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1972

van Bosnische nationaliteit,

IND dossiernummer 0005.03.8052,

eiser;

gemachtigde: mr. drs. A. Hol, advocaat te Haarlem,

tegen: De Staatssecretaris van Justitie

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder

gemachtigde:

mr. E. Gerssen, ambtenaar ten departemente.

Procesverloop

1. Op 3 mei 2000 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij beschikking van 6 december 2000 uitgereikt op 13 december 2000 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij brief van 8 januari 2001 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij beschikking van 7 maart 2001 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden van het bezwaar. Daarbij is eiser medegedeeld dat hij Nederland binnen vier weken dient te verlaten. Bij brief van 2 april 2001 is daartegen beroep ingesteld.

2. Het beroep is ter zitting van 23 mei 2002 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Toetsingskader

3. In dit geschil is aan de orde de vraag of het bestreden beschikking van 7 maart 2001, strekkende tot niet-ontvankelijkheidverklaring van het bezwaarschrift, in rechte kan worden gehandhaafd. Daartoe dient te worden beoordeeld of deze beschikking de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

4. Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. Artikel 119 Vw 2000 beperkt de toepassing van het procesrecht dat gold vóór invoering van deze wet tot de mogelijkheid om beroep in te stellen, het griffierecht en de schorsende werking, zodat voor het overige het nieuwe procesrecht van toepassing is.

Feiten

5.Eiser heeft bij schrijven van 8 januari 2001 bezwaar gemaakt bij verweerder tegen het besluit van 6 december 2000, inhoudende de niet-inwilliging van zijn aanvraag om toelating. Dit bezwaar is gemaakt op nader aan te voeren gronden. Bij brief van vrijdag 26 januari 2001, die ook op die dag aangetekend per post werd verzonden, heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift aan eiser bevestigd. Verweerder constateert in de brief dat het bezwaarschrift niet de gronden bevat en derhalve niet is ingediend overeenkomstig artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d van de Awb. Verweerder geeft aan dat dit ingevolge artikel 6:6 van de Awb een verzuim oplevert dat tot niet-ontvankelijkheid kan leiden. Hij schrijft vervolgens: "Ik stel u in de gelegenheid genoemd verzuim binnen twee weken na verzending van deze brief te herstellen. Voor het indienen van de nadere gronden wordt in principe geen uitstel verleend. Als u genoemd verzuim niet herstelt, kan ik het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren. Indien u toch uitstel wenst voor deze termijn, verzoek ik u dit - gemotiveerd - aan mij kenbaar te maken. Een ongemotiveerd verzoek om uitstel wordt in beginsel niet gehonoreerd. "

6. Voorts schrijft verweerder: "Verder deel ik u hierbij mee dat ik gebruik maak van de mij in artikel 7:10 Awb gegeven mogelijkheid om de beslissing te verdagen. Dit houdt in dat ik behoor te hebben beslist binnen 10 weken nadat het verzuim door u is hersteld, of binnen 10 weken nadat de hierboven gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Gelet op de grote hoeveelheid van zaken en mijn verdeling van inzet van personeel is het echter niet mogelijk alle bezwaarzaken binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn (10 weken) af te handelen. Ik geef er de voorkeur aan [...] de bezwaarzaken op volgorde van binnenkomst af te doen. Dit betekent dat de oudere zaken - dat wil zeggen de oudere bezwaarschriften - voorgaan op nieuwere zaken. Voorts deel ik u mee dat ik er prioriteit aan geef asielzoekers zo snel mogelijk uitsluitsel te geven of zij in aanmerking komen voor een verblijfstitel [...]. Dit houdt in dat ik mijn uiterste best zal doen om binnen zes maanden een eerste beslissing te nemen op een asielaanvraag. Dit kan echter wel betekenen dat iemand die een bezwaarschrift indient langer zal moeten wachten op een beslissing."

7. Bij op die dag per fax verzonden brief van woensdag 31 januari 2001 heeft gemachtigde van eiser aan verweerder in verband met een vakantie van 2 tot en met 12 februari 2001 verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden van het bezwaarschrift tot en met 15 februari 2001. Hij zegt daarbij toe om uiterlijk op 15 februari nader te berichten.

8. Per via de gewone post verzonden brief van 8 februari 2001 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiser de ontvangst van het verzoek om uitstel bevestigd. Verweerder schrijft vervolgens: "In de werkinstructie 167a wordt gesteld dat met vakantie rekening gehouden wordt indien deze minimaal één maand te voren schriftelijk gemeld is. Derhalve is het voor mij in deze niet mogelijk uw uitstelverzoek in te willigen."

9. Op 13 februari 2001 heeft gemachtigde van eiser per fax en post verzonden een brief aan verweerder gezonden die aanvangt met de woorden "Uw brief van 26 januari jl in opgemelde zaak ontving ik in goede orde. In het navolgende treft u de - voorlopige gronden - van het bezwaarschrift van 8 januari 2001 aan." Vervolgens volgen drie paragrafen, waarvan in de eerste kritisch wordt ingegaan op de weigering uitstel te verlenen en waarin uiting wordt gegeven aan enige gevoelens van frustratie die eisers gemachtigde met verweerder wil delen. In de tweede paragraaf, met de titel "A en de merites van zijn zaak" wordt nader ingegaan op eisers psychische toestand, de door verweerder aan eisers vader toebedeelde rol, en de vrijstellingsmogelijkheden van militaire dienst in de Republika Srpska, een en ander naar aanleiding van de motivering van verweerders beslissing op eisers aanvraag van een verblijfstitel. De derde paragraaf bevat de conclusie dat het bezwaarschrift wordt gehandhaafd.

10. Op 20 februari 2001 heeft verweerder aan gemachtigde medegedeeld de brief van 13 februari 2001 te beschouwen als een (ook op 13 februari ontvangen) klacht. Op 7 maart 2001 heeft verweerder die klacht ongegrond verklaard. Nogmaals wordt daarin verwezen naar de werkinstructie 167a, en vastgesteld wordt dat het uitstel niet een maand voor gemachtigde's vakantie maar slechts een dag tevoren is gevraagd waardoor het overigens ook onmogelijk werd een reactie te geven vóór gemachtigde's vakantie.

11. Ook van 7 maart 2001 dateert de bestreden beschikking waarbij verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaart gezien het bepaalde in artikel 6:6 juncto 6:9 van de Awb, "aangezien niet binnen de gestelde termijn de gronden van het bezwaarschrift zijn ingediend en deze evenmin binnen een week na afloop van deze termijn zijn ontvangen." Bij brief van 11 maart 2001 heeft de gemachtigde aangegeven dat hij nimmer heeft verzocht om zijn brief van 13 februari 2001 te beschouwen als een klacht. Verder heeft de gemachtigde verzocht de beslissing op bezwaar in te trekken aangezien de in de bestreden beschikking neergelegde overweging dat de gronden van het bezwaarschrift (ook) niet binnen een week na afloop van de termijn zijn ontvangen, feitelijk onjuist is. De gronden zijn namelijk per telefax toegezonden vier dagen nadat de termijn van twee weken was verstreken. Verweerder heeft bij brief van 15 maart 2001 aan gemachtigde medegedeeld dat nu er nog een rechtsmiddel openstaat de brief geen inhoudelijke beantwoording meer behoeft.

Standpunten van partijen

12. Namens de gemachtigde van eiser is gesteld dat zijn verzoek om uitstel zo redelijk was dat hij ervan uitging, gelet op de brief van 26 januari 2001, dat het gehonoreerd zou worden. Verder is onder meer aangevoerd dat indien verweerder tijdig negatief op de brief van gemachtigde van 31 januari 2001 had gereageerd, hij wellicht voorafgaand aan zijn vakantie alsnog gronden had kunnen doen toekomen. Verweerder had daarom eerder moeten reageren. Het beleid verwoord in werkinstructie 167a, waarmee hij bij het verzoek geen rekening had gehouden, acht hij praktisch onwerkbaar voor rechtshulpverleners. Gemachtigde verwijst ter ondersteuning van zijn standpunt naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch van 6 juni 2000. Uit de brief van 7 maart 2001 blijkt dat het beleid van verweerder kennelijk prioriteit geniet boven jurisprudentie. Volgens gemachtigde is sprake van d tournement de pouvoir. Van de kant van verweerder bestond er redelijkerwijs geen enkele aanleiding om niet over te gaan tot het verlenen van enkele dagen uitstel voor het indienen van de gronden nu het bezwaarschrift in kwestie toch in het 'stuwmeer' van bezwaarschriften terecht zou zijn gekomen. Verder meent de gemachtigde dat hij bekend staat als een advocaat die zich naar behoren houdt aan de gestelde termijnen en bij een incidenteel verzoek om uitstel wegens een korte vakantie dat verzoek door verweerder niet zo gepasseerd mag worden gelet op de wijze waarop verweerder met termijnen omspringt en gelet op de gevolgen die een vakantie van medewerkers van de IND voor een daar rustend dossier hebben.

13. Verweerder stelt bevoegd te zijn om het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren nu geen verplichting tot het geven van nader uitstel bestond, het beleid verwoord in werkinstructie 167a tot weigering van nader uitstel noopte, niet was bewilligd in een nader uitstel en de herstel-verzuim-termijn op 9 februari 2001 is geëindigd en de gronden bij brief van 13 februari 2001 per telefax en per gewone post, derhalve na afloop van die termijn pas aan verweerder zijn toegezonden. De passage in de brief van 7 maart 2001 waarin staat dat de gronden niet binnen een week na afloop van de termijn zijn ontvangen, moet gelezen worden als voorzien van de voorwaarde dat ze wel tijdig waren verzonden. De werkinstructie 167a noopte niet tot het toch beslissen naar aanleiding van de gronden van het bezwaar nu die wel voorafgaand aan de beslissing, zij het tardief, zijn ingediend. Met het in acht nemen van de termijnen is een algemeen belang gemoeid. Niet gezegd kan worden dat de in werkinstructie 167a neergelegde invulling van het beleid met betrekking tot de in artikel 6:6 Awb neergelegde discretionaire bevoegdheid van verweerder onredelijk is. Aan het in de werkinstructie neergelegde beleid met betrekking tot verzoeken om uitstel en de beslissing op het bezwaar heeft verweerder zich gehouden. Aan de omstandigheid dat in de praktijk door de IND dikwijls beslistermijnen worden overschreden kan eiser in dit verband geen argumenten ontlenen. Dat in casu uitvoering is gegeven aan werkinstructie 167a en de wijze waarop is in casu niet onredelijk of strijdig met enig algemeen rechtsbeginsel. Aangezien van bijzondere omstandigheden geen sprake is, is verweerder van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om gebruik te maken van haar inherente afwijkingsbevoegdheid. Overigens merkt verweerder nog op dat de gemachtigde van eiser als ervaren asieladvocaat geacht kan worden op de hoogte te zijn van het beleid als neergelegd in werkinstructie 167a. Gelet op het bovenstaande dient de termijnoverschrijding voor risico van eiser te komen.

Beoordeling van het geschil

14. De rechtbank overweegt als volgt.

15. Ingevolge artikel 30, derde lid, van de Vw bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift, in afwijking van artikel 6:7 van de Awb, vier weken. Artikel 6:5, eerste lid, sub d, van de Awb bepaalt dat het bezwaar- of beroepschrift tenminste de gronden van het bezwaar of beroep bevat. Gelet op artikel 6:6 van de Awb kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als niet is voldaan aan het gestelde in artikel 6:5 van de Awb, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Hoe lang die termijn minimaal moet of maximaal mag zijn wordt niet door de wet bepaald, terwijl het geven van een verlenging van de herstel-verzuim-termijn niet wordt uitgesloten terwijl evenmin een verplichting bestaat uitstel op verzoek te verlenen. Een verplichting tot niet-ontvankelijkverklaring is nadrukkelijk niet in dit artikel opgenomen, in het bijzonder niet in die gevallen waarin gronden van het bezwaar worden aangevoerd na afloop van de termijn maar voordat op het bezwaar is beslist.

Op het bezwaar wordt vervolgens volgens artikel 7:10 Awb binnen zes weken beslist, tenzij het bestuursorgaan de beslissing ten hoogste voor vier weken verdaagt. Dan wordt binnen tien weken beslist.

16. Niet ter discussie staat dat de gegeven herstel-verzuim-termijn van twee weken een gebruikelijke en in beginsel een redelijke termijn is. De rechtbank stelt voorop dat een rechtshulpverlener zich van de verplichting om bij een bezwaarschrift gronden te formuleren bewust moet zijn. Wanneer hij - om voorstelbare redenen - niet reeds bij indiening van het bezwaarschrift de gronden formuleert, dan dient hij er rekening mee te houden dat hij op enig later moment - soms spoediger dan anders - van verweerder de in de praktijk dikwijls als kort ervaren herstel-verzuim-termijn gesteld krijgt. Hij dient zich ervan bewust te zijn dat een verder uitstel wellicht niet verkregen kan worden en dat een termijnoverschrijding "dodelijk" kan zijn voor de procedure van zijn client. Een rechtshulpverlener die in het zicht van een door hemzelf geplande vakantie niet voldoende rekening houdt met door hem in lopende bezwaarprocedures te verwachten herstel-verzuim-termijnen, handelt - bijzondere situaties daargelaten - onzorgvuldig. De noodzaak van extra uitstel is dan het gevolg van een verwijtbaar onzorgvuldige werk-planning van de rechtshulpverlener.

17. Nu het de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid betreft mag de rechtbank de weigering van uitstel slechts marginaal toetsen. De even genoemde uitgangspunten leiden tot de conclusie dat verweerder niet snel onredelijk handelt wanneer hij, voor de vraag gesteld, geen nader uitstel wenst te geven in verband met een vakantie van de rechtshulpverlener.

18. Gemachtigde van eiser nam een groot risico door zijn vakantie en werkzaamheden daaromheen zodanig te plannen dat hij in de onderhavige zaak zo kort voor vertrek de gronden van het bezwaar nog niet op schrift had gesteld. Aan eiser moet het worden toegerekend als zijn gemachtigde de kans op zich neemt kort voor vertrek plotseling een uitstel nodig te hebben dat verweerder hem zou mogen weigeren.

19. Niet ter discussie staat dat de herstel-verzuim-termijn afliep op 9 februari 2001. De vraag waar de rechtbank voor staat is of verweerder in redelijkheid tot de beslissing is kunnen komen om het verzoek om extra uitstel, in die zin dat verweerder uiterlijk op 15 februari 2001 over de gronden van het bezwaar zou beschikken, af te wijzen zoals hij heeft gedaan.

20. Verweerder voert aan dat hij met betrekking tot verzoeken als de onderhavige een vast beleid hanteert, neergelegd in werkinstructie 167a.

21. Vast is komen te staan dat eisers gemachtigde zich niet heeft gehouden aan tenminste één van de voorwaarden genoemd in de werkinstructie 167a voor het krijgen van uitstel wegens vakantie, te weten de tijdige schriftelijke melding daarvan aan de relevante regio-directies. Tijdig in dit verband wil zeggen tenminste één maand voor aanvang van de vakantie. Nu aan deze duidelijke en eenvoudig te vervullen voorwaarde niet is voldaan, staat vast dat de werkinstructie 167a geen positieve beslissing op het uitstelverzoek indiceerde. De weigering van uitstel is derhalve conform het door verweerder beweerdelijk gehanteerde beleid.

22. Ter zitting is stil gestaan bij de vraag of verweerder in het algemeen voor wat betreft uitstelverzoeken in verband met vakanties van de rechtshulpverlener op het in de werkinstructie 167a neergelegde beleid in redelijkheid een beroep kan doen. Zoals hieronder zal blijken komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van die vraag. Aan eiser moet worden toegegeven dat ter zitting onduidelijkheid is blijven bestaan over de wijze waarop de werkinstructie 167a door de rechtshulpverlener gevolg moet worden gegeven indien hij "veilig" met vakantie wil gaan. De werkinstructie wekt immers de indruk dat naast een tijdig verzonden brief aan de regio-directies ook in elke zaak waarin men eventueel uitstel zal behoeven, vooraf een apart bericht moet worden toegezonden aan de IND. Dat lijkt gelet op de grote aantallen lopende dossiers zaken die rechtshulpverleners onder zich plegen te hebben, praktisch onuitvoerbaar. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat dat dan ook niet de juiste uitleg van de werkinstructie is. Het is volgens verweerder zo dat de rechtshulpverlener na terugkeer van zijn vakantie per zaak waarin hij daaraan behoefte heeft (omdat hem in die zaak tijdens zijn vakantie een termijn blijkt te zijn gesteld), een bericht zendt waarin hij verwijst naar de tijdig vooraf aan de directie van de betreffende regio gedane vakantiemelding. Onduidelijk is voor de rechtbank waar dit in de werkinstructie staat en onduidelijk blijft hoe dan ook wat van een mededeling achteraf de effecten kunnen zijn in zaken waarin termijnen reeds tijdens een vakantie geheel waren verstreken, in het bijzonder wanneer in die zaken ook inmiddels al of niet onherroepelijk werd beslist. De werkinstructie staat immers ook een zeer spoedige niet-ontvankelijk verklaring voor in die gevallen waarin niet gereageerd is binnen een herstel-verzuim-termijn.

23. Voor de onderhavige zaak is een nadere beoordeling van de werkinstructie niet van belang en wel hierom.

24. Verweerder geeft in zijn brief van 26 januari 2001 uitdrukkelijk uitleg over de mogelijkheid om nader uitstel te vragen. Weliswaar wordt volgens de tekst van die brief in principe geen uitstel verleend maar die duidelijke woorden worden gevolgd door andere die bij de lezer de indruk kunnen wekken dat uitstel verkregen kan worden indien met het toch wenst en mits men dat dan gemotiveerd aan verweerder kenbaar maakt. Men kan aldus de indruk krijgen dat niet meer dan een redelijke motivering wordt vereist. Die indruk kan versterkt worden door de opmerking dat ongemotiveerde verzoeken (opnieuw:) in beginsel niet worden gehonoreerd. Ook die maken dus nog een kans!

25. Er wordt in die brief door verweerder geen nader criterium genoemd voor het krijgen van uitstel. In het bijzonder merkt de rechtbank op dat met geen woord wordt gerept over het op dergelijke verzoeken zullen toepassen van werkinstructie 167a, volgens welke vakantie van de rechtshulpverlener alleen onder de hierboven genoemde onduidelijke voorwaarden tot uitstel aanleiding geeft en andere veel voorkomende redenen niet of bij uitzondering aanleiding zijn voor een slagend verzoek tot uitstel.

26. Dat verweerder bij het schrijven van die brief ook zelf van plan was om af te wijken van het beleid verwoord in werkinstructie 167a, blijkt uit de in de brief opgenomen mededeling van de verdaging van de beslissing op het bezwaar in het geval dat de herstel-verzuim-termijn ongebruikt is verstreken. De beslissing op het bezwaar zal niet binnen zes weken genomen worden, behoort wettelijk binnen tien weken genomen te worden, maar wordt waarschijnlijk pas veel later gegeven, zo doet de passage over de met prioriteit behandelde andere kwesties vermoeden. In de werkinstructie staat echter dat verweerder het bezwaarschrift bij voorkeur niet-ontvankelijk verklaart en wel binnen vier weken na afloop van de herstel-verzuim-termijn, en wel onder het negeren van na afloop van de herstel-verzuim-termijn toegezonden of langer dan een week later ontvangen gronden die wel tijdig waren verstuurd. Wordt de beslissing op het bezwaar later genomen dan mag het te laat indienen van gronden niet meer worden tegengeworpen.

27. De brief van 26 januari 2001 bevat derhalve een passage over het krijgen van uitstel die erg onduidelijk is. Verweerder zal in beginsel restrictief zijn maar mogelijk ook buitengewoon welwillend. Wat hij in elk geval wel duidelijk maakt is dat hij een extreem lage prioriteit hecht aan de snelle afdoening van de bezwaarprocedure in kwestie.

28. Een en ander in elkaars licht beschouwd kon de brief de indruk wekken dat de lat voor het krijgen van uitstel laag ligt. Uit de stellingen van eiser blijkt dat bij zijn gemachtigde die indruk inderdaad was gewekt en dat die verder blindelings op die indruk heeft vertrouwd bij zijn verdere handelen.

29. Naar het oordeel van de rechtbank kon gemachtigde van eiser op grond van de brief van 26 januari 2001 inderdaad de indruk krijgen dat een verzoek om zes dagen uitstel vanwege een niet onredelijk lange vakantie gehonoreerd zou worden. Daarbij mag een rol spelen dat, doordat het uitstel van zes dagen verzocht was in die zin dat de gronden van het bezwaar uiterlijk 15 februari 2001 aan verweerder bekend gemaakt zouden worden, de procedure niet meer vertraging zou oplopen dan in het geval de gronden tijdig werden verzonden maar pas zes dagen na het einde van de termijn zouden worden ontvangen.

30. Ofschoon van een zorgvuldige rechtshulpverlener overigens verwacht mag worden dat hij voor vertrek nog telefonisch bij verweerder informeert of al is beslist op zijn verzoek om uitstel danwel een collega belast met de belangenbehartiging van zijn client tijdens zijn vakantie, acht de rechtbank het in deze kwestie doorslaggevend dat van verweerder verwacht mag worden dat hij ten allen tijde duidelijk is in zijn brieven, in het bijzonder wanneer het brieven met een zeker "standaard-brief"-karakter betreft, zoals in casu het geval is. De brief van verweerder van 26 januari 2001 is onvoldoende duidelijk.

31. Dat gemachtigde van eiser zoals is gebleken ten onrechte heeft vertrouwd op de juistheid van zijn niet onbegrijpelijke aan de brief ontleende indruk dat hij het gewenste uitstel wel zou krijgen, moet daarom in de omstandigheden van deze zaak voor rekening van verweerder komen. Verweerders beroep op werkinstructie 167a was onjuist en dat verweerder de inzending en ontvangst van gronden uiterlijk op 15 februari 2001 niet wilde accepteren is in gegeven omstandigheden onbillijk.

32. De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of tijdig gronden zijn ingediend.

33. Deze vraag is eenvoudig te beantwoorden. De brief van 13 februari 2001 van eisers gemachtigde bevat tenminste in de tweede paragraaf passages die niet anders dan als gronden bij het bezwaarschrift kunnen worden betiteld. Zoals hierboven al vermeld is, wordt de brief ook ingeleid op een wijze die verweerder tot de conclusie moest brengen dat de brief als aanvulling van gronden op het bezwaarschrift diende te worden opgevat. De brief is niet veel langer dan twee pagina's en de strekking van in het bijzonder de tweede en derde paragraaf - het aanvullen van gronden - had verweerder niet behoren te ontgaan. Uit verweerders standpunt blijkt dat hij de brief ook op 13 februari 2001 heeft ontvangen.

34. De conclusie is dat eiser tijdig de gronden van het bezwaar heeft ingediend, dat verweerder die gronden tijdig heeft ontvangen en dat verweerder die als zodanig had behoren te herkennen.

35. Nu de aangevochten beschikking is gemotiveerd met de stelling dat niet tijdig gronden zijn aangevoerd is zij onjuist gemotiveerd.

36. De beschikking kan derhalve niet in stand blijven en moet vernietigd worden. De rechtbank zal deze daarom vernietigen en verweerder opdragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.

37. Gelet op een en ander ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in deze procedure redelijkerwijs heeft moeten maken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking;

- bepaalt dat verweerder binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak met in achtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad 644 euro, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te voldoen.

- Veroordeelt verweerder tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van f 50, (22,69 euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.C. Berg in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2002.

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 3 juli 2002