Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7967

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-09-2002
Datum publicatie
30-09-2002
Zaaknummer
AWB 02/2962 GEMWT en 02/2960 GEMWT
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AF8983
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dwangsom tot verwijdering van caravan.

Deelname van raadsleden aan bezwaarschriften- en klachtencommissies niet langer mogelijk als gevolg van Wet dualisering gemeentebestuur.

Aanschrijving tot verwijdering van een caravan, onder oplegging van een dwangsom.

Op grond van de artikelen 83, tweede lid en 84, tweede lid, van de Gemeentewet zoals gewijzigd bij de Wet dualisering gemeentebestuur mogen met ingang van 7 maart 2002 raadsleden geen deel meer uitmaken van een commissie die door het college is ingesteld en andersom. Dit geldt naar het oordeel van de Voorzieningenrechter ook voor bezwaarschriftencommissies en klachtencommissies. Een gezamenlijke bezwaarschriftencommissie en klachtencommissie voor raad en college is op grond van die wet dus alleen nog mogelijk indien raads- en collegeleden hiervan geen deel uitmaken. Weliswaar ligt er thans een voorstel tot aanpassing van enkele wetten in verband met de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur teneinde voornoemde beperking ongedaan te maken doch daarvan is nog niet duidelijk of en zo ja wanneer die in werking zal treden.<br.

Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt dat ondanks het bovenstaande toch vanuit de raad leden, plaatsvervangende leden en een voorzitter zijn benoemd. Daarmee staat vast dat de samenstelling van de gezamenlijke bezwaarschriftencommissie van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle vanaf 7 maart 2002 in strijd is met voornoemde wet. De na 7 maart 2002 ingestelde commissie heeft op 28 maart 2002 vergaderd over het bezwaar van eiser/verzoeker en daarna advies uitgebracht strekkende tot ongegrondverklaring van dat bezwaar.

Verweerder had reeds om deze reden het advies niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

Derhalve is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met art. 7:13.1.c Awb in samenhang met art. 84.2 Gemeentewet.

Verder valt niet op voorhand uit te sluiten dat een anders samengestelde commissie tot een ander advies zou zijn gekomen ten aanzien van de af te wegen belangen, zodat tevens aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat het besluit van 12 oktober 2001 wordt geschorst tot 6 weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar.

Uitspraak vernietigd door Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, LJN: AF8983

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:13
Gemeentewet
Gemeentewet 83
Gemeentewet 84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/316
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 02/2962 GEMWT en 02/2960 GEMWT

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84,

eerste lid, en artikel 8:86

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

A, wonende te B, eiser/verzoeker,

ten aanzien van het besluit van 23 juli 2002 van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle, verweerder, strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar van eiser/verzoeker tegen het besluit van 1 oktober 2001 waarbij eiser/verzoeker op grond van artikel 125 van de Gemeentewet in samenhang met artikel 5:32 van de Awb is gelast de in strijd met de gebruiksbepalingen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1993” geplaatste caravan bij zijn glastuinbouwbedrijf aan de […]straat 98-100 te D te verwijderen. Daarbij is bepaald dat indien niet aan de lastgeving is voldaan, met ingang van 1 november 2001 een dwangsom van ƒ 1.500,-- ( € 453,--) per week aan de gemeente wordt verbeurd met een maximum van ƒ 50.000,-- ( € 22.689,--).

Bij brief van 12 oktober 2001, verzonden op 18 oktober 2001, heeft verweerder aan eiser/verzoeker gemeld dat het tijdstip waarop de eerste dwangsom wordt verbeurd niet eerder aanvangt dan binnen een maand nadat op het (op dat moment nog in te dienen) bezwaar is beslist.

Eiser/verzoeker heeft tegen genoemd besluit van 23 juli 2002, verzonden op 25 juli 2002, bij brief van 6 augustus 2002 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij brief van gelijke datum heeft eiser/verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 14 augustus 2002 heeft verweerder verklaard dat het tijdstip waarop de eerste dwangsom wordt verbeurd niet eerder aanvangt dan 25 september 2002.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 5 september 2002. Eiser/verzoeker is in persoon ter zitting verschenen, bijgestaan door X. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.F. Dijksman en J.M. Hiemstra, ambtenaren der gemeente.

Motivering

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Er bestaat aanleiding om in dit geval van laatstgenoemde bevoegdheid gebruik te maken.

Eiser/verzoeker heeft in 1976 op het terrein behorende bij zijn glastuinbouwbedrijf een stacaravan geplaatst waarin hij tijdelijk zijn intrek heeft genomen in afwachting van het gereedkomen van zijn toen nog in aanbouw zijnde woning. Nadat eiser/verzoeker zijn woning had betrokken is de caravan op het terrein blijven staan om, onder meer, dienst te doen als logeergelegenheid. Als gevolg van de technische staat waarin de caravan in 1988 verkeerde heeft eiser/verzoeker de caravan van het terrein verwijderd en gedurende een aantal jaren gestald in een schuur waarin eiser/verzoeker in zijn vrije tijd kon werken aan de caravan teneinde die weer in een technisch goede conditie te brengen. Wanneer de caravan weer op het terrein is teruggeplaatst is niet met zekerheid te zeggen doch vast staat dat dat niet voor 1996 is gebeurd. Ter zitting heeft eiser/verzoeker verklaard dat de caravan hoofdzakelijk wordt gebruikt als logeergelegenheid.

Eiser/verzoeker is van mening dat de door hem geplaatste caravan valt onder het overgangsrecht van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Voorts beroept hij zich op het gelijkheidsbeginsel. Verder is eiser/verzoeker van mening dat de commissie bezwaar en beroep qua samenstelling in strijd is met de als gevolg van de bij de Wet dualisering gemeentebestuur gewijzigde artikelen 83, tweede lid en 84, tweede lid van de Gemeentewet.

Ter plaatse geldt het op 16 december 1983 door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1983” welk plan bij KB van 16 januari 1987 onherroepelijk werd. Het perceel waarop de caravan is geplaatst is op de bij voornoemd bestemmingsplan behorende plankaart aangewezen als “agrarisch bouwperceel (AB)” en is ingevolge artikel 7.1 van de planvoorschriften bestemd voor het agrarisch bedrijf.

Ingevolge het bepaalde in artikel 27, eerste lid van de planvoorschriften is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming. Als een verboden gebruik wordt, ingevolge artikel 27, tweede lid, sub a, in ieder geval beschouwd een gebruik van de gronden als staan- of ligplaats voor onderkomens. Ingevolge artikel 27, derde lid, verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van artikel 27, eerste lid, indien strikte toepassing van dat voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen gerechtvaardigd wordt (de zogenaamde “toverformule”).

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan strijdig is met de bestemming worden voortgezet en gewijzigd in een ander gebruik, mits dit niet meer in strijd is met de bestemming.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het plaatsen en gebruiken van een caravan op vorenbedoelde gronden in strijd is met de daaraan gegeven bestemming en met de gebruiksvoorschriften van het geldende bestemmingsplan. Verder oordeelt hij dat evenmin het overgangsrecht van toepassing is omdat vast staat dat nadat het bestemmingsplan van kracht werd de door verweerder gewraakte caravan op het perceel is herplaatst na vanaf 1988 een reeks van jaren in een loods te zijn gestald ten behoeve van het uitvoeren van reparaties.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder in beginsel bevoegd was op grond van het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet in samenhang met hoofdstuk vijf van de Algemene wet bestuursrecht op te treden tegen de met het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1983” strijdige gebruik door de overtreder een aanzegging bestuursdwang te doen toekomen dan wel een last onder dwangsom op te leggen.

De eerder genoemde toverformule is in deze kwestie niet van toepassing. Het perceel kan immers nog steeds overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming worden gebruikt en het niet toestaan van een caravan leidt in geen geval tot een beperking van het meest doelmatige gebruik.

Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie.

Het door eiser/verzoeker gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat niet op omdat de door hem genoemde gevallen van een geheel andere orde zijn en zeker niet vergelijkbaar met de hier in geding zijnde caravan. Voor zover hij heeft gesteld dat tegen andere caravans niet wordt opgetreden heeft hij deze stelling niet concreet gestaafd.

In het kader van de belangenafweging voor het overige overweegt de Voorzieningenrechter als volgt.

Op grond van de artikelen 83, tweede lid en 84, tweede lid, van de Gemeentewet zoals gewijzigd bij de Wet dualisering gemeentebestuur mogen met ingang van 7 maart 2002 raadsleden geen deel meer uitmaken van een commissie die door het college is ingesteld en andersom. Dit geldt naar het oordeel van de Voorzieningenrechter ook voor bezwaarschriftencommissies en klachtencommissies. Een gezamenlijke bezwaarschriftencommissie en klachtencommissie voor raad en college is op grond van die wet dus alleen nog mogelijk indien raads- en collegeleden hiervan geen deel uitmaken. Weliswaar ligt er thans een voorstel tot aanpassing van enkele wetten in verband met de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur teneinde voornoemde beperking ongedaan te maken doch daarvan is nog niet duidelijk of en zo ja wanneer die in werking zal treden.

Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt dat ondanks het bovenstaande toch vanuit de raad leden, plaatsvervangende leden en een voorzitter zijn benoemd. Daarmee staat vast dat de samenstelling van de gezamenlijke bezwaarschriftencommissie van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle vanaf 7 maart 2002 in strijd is met voornoemde wet. De na 7 maart 2002 ingestelde commissie heeft op 28 maart 2002 vergaderd over het bezwaar van eiser/verzoeker en daarna advies uitgebracht strekkende tot ongegrondverklaring van dat bezwaar.

Verweerder had reeds om deze reden het advies niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Derhalve is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:13, eerste lid, onder c, van de Awb in samenhang met artikel 84, tweede lid, van de Gemeentewet.

Verder valt niet op voorhand uit te sluiten dat een anders samengestelde commissie tot een ander advies zou zijn gekomen ten aanzien van de af te wegen belangen, zodat tevens aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening , inhoudende dat het besluit van 12 oktober 2001 wordt geschorst tot 6 weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar.

Bij het voorbereiden van de nieuwe beslissing op bezwaar dient verweerder acht te slaan op het volgende.

Gebleken is dat de commissie die thans heeft geadviseerd vermoedelijk niet dezelfde commissie is die eiser/verzoeker op 17 januari 2002 heeft gehoord, hetgeen op gespannen voet staat met de aan advisering door een commissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb te stellen zorgvuldigheidseisen. Daarom dient eiser/verzoeker, indien een nieuwe adviescommissie wordt ingeschakeld, door deze commissie opnieuw te worden gehoord.

Verder dient ingevolge het bepaalde in artikel 5:32, vierde lid, van de Awb verweerder een bedrag vast te stellen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag dient in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Noch uit de stukken noch uit hetgeen ter zitting door verweerder is verklaard blijkt hoe het maximum te verbeuren bedrag tot stand gekomen is en of dat bedrag wel in een redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het door verweerder vastgestelde maximum te verbeuren bedrag onvoldoende onderbouwd. Dit bedrag dient derhalve bij de nieuwe beslissing op bezwaar te worden heroverwogen.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding, nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 23 juli 2002;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het besluit van 12 oktober 2001 tot 6 weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar;

bepaalt dat de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle aan eiser/verzoeker het door hem betaalde griffierecht, te weten € 109,--, vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voorzover daarbij op het beroep is beslist binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. J.L. Verbeek, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2002, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R. Brand.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: