Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7964

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
24-09-2002
Zaaknummer
AWB 02/51289
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / Associatieovereenkomst EG-Roemenië / meldingsplicht. De vreemdelinge, die over een geldig nationaal Roemeens paspoort beschikt, heeft nagelaten zich, zoals artikel 4.8, eerste lid, Vb 2000 bepaalt, binnen drie dagen bij de korpschef te melden. Na een tip is de vreemdelinge in bewaring gesteld omdat de openbare orde de bewaring vordert. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de handelwijze van de vreemdelinge een ernstig vermoeden rechtvaardigt dat de vreemdelinge zich, indien in vrijheid gesteld, aan de voorgenomen uitzetting zal onttrekken. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat een lichtere maatregel had kunnen volstaan. De rechtbank heeft in dit verband acht geslagen op de omstandigheid dat de identiteit van de vreemdelinge vast staat, terwijl de vreemdelinge voorts beschikt over een vaste verblijfplaats en bovendien over voldoende middelen van bestaan. Voor wat betreft het verzoek om toekenning van schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat de onrechtmatigheid van de bewaring gelegen is in een onevenwichtige belangenafweging door verweerder. Anderzijds moet worden toegegeven dat de vreemdelinge heeft gehandeld in strijd met de Vw 2000, reden waarom de rechtbank aanleiding ziet de schadevergoeding te matigen tot nihil. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 4.8
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Regnr.: Awb 02/51289

Uitspraak: 12 juli 2002

U I T S P R A A K

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A

geboren op [...] 1975 te Rimnicu Sarat,

van Roemeense nationaliteit,

IND-dossiernummer 0207.04.8039

thans verblijvende in het huis van bewaring te Zwolle

1. PROCESVERLOOP

Namens de Staatssecretaris van Justitie is de rechtbank op 4 juli 2002 op grond van artikel 94, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het besluit 2 juli 2002 tot oplegging van de maatregel van bewaring, tegen welk besluit de vreemdeling geen beroep heeft ingesteld.

Deze kennisgeving moet worden gelijkgesteld met een eerste door de vreemdeling ingesteld beroep tegen de maatregel van bewaring.

De vreemdeling is, bijgestaan door mr. S.E. de Jong, advocaat te Assen, op 11 juli 2002 ter zitting gehoord.

Ter zitting was een tolk in de Roemeense taal aanwezig.

Namens de Staatssecretaris van Justitie is de heer N. van Mourik, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te Ter Apel, verschenen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht de bewaring niet op te heffen en het verzoek om schadevergoeding af te wijzen.

2. MOTIVERING

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vreemdelinge op 2 juli 2002 is staandegehouden ingevolge artikel 50 lid 1 Vw naar aanleiding van een anonieme tip dat zich op de B te C twee illegale Roemeense vrouwen zouden bevinden. De op voornoemd adres aangetroffen vreemdelinge bleek bij staandehouding over een geldig nationaal authentiek Turks paspoort te beschikken alsmede over een geldig nationaal authentiek Roemeens paspoort.

Verweerder heeft met het oog op de uitzetting van de vreemdeling bij besluit van 2 juli 2002 de maatregel van bewaring opgelegd, nu naar het oordeel van verweerder de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en het belang van de openbare orde deze maatregel vordert (artikel 59, eerste lid en onder a, Vw 2000).

De rechtbank overweegt allereerst als volgt. Op grond van de Associatie overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en de republiek Roemenie anderzijds (verder te noemen: Europa-overeenkomst), zijn Roemeense onderdanen vrijgesteld van de visumplicht. Artikel 59 van voornoemde overeenkomst laat echter onverlet, dat de mogelijkheid om op Roemeense onderdanen de nationale bepalingen inzake toelating en verblijf toe te passen, mits de bij de Europa Overeenkomst gegeven voordelen niet worden beperkt of te niet gedaan. Een verplichting om in het bezit te zijn van een geldig visum of de verplichting zich te melden binnen drie dagen na binnenkomst zoals opgenomen in artikel 4.8 Vb 2000, zijn bepalingen inzake toelating en verblijf als bedoeld in artikel 59 van de Europa-overeenkomst.

Uit de gedingstukken en de uitlatingen van de vreemdeling ter zitting is vast komen staan dat de vreemdelinge zich, in strijd met artikel 4.8 Vb, niet binnen drie dagen bij de korpschef heeft aangemeld.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de handelwijze van de vreemdelinge een ernstig vermoeden rechtvaardigt dat de vreemdelinge zich, indien in vrijheid gesteld, aan de voorgenomen uitzetting zal onttrekken.

De rechtbank deelt dit standpunt niet. In dit verband dient acht te worden geslagen op de omstandigheid dat de identiteit van de vreemdelinge - onbetwist - vast staat, terwijl de vreemdelinge voorts beschikt over een vaste verblijfplaats en bovendien over voldoende middelen van bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve worden volstaan met een lichtere maatregel van toezicht dan de inbewaringstelling - bijvoorbeeld een meldplicht - voor de vreemdelinge.

Nu de maatregel tot bewaring niet motiveert waarom, gelet op vorenstaande, een onttrekkingsgevaar kan worden aangenomen, en verweerder dit ter zitting evenmin overtuigend -met kracht van argumenten - heeft gemotiveerd, dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient de bewaring te worden opgeheven met ingang van 12 juli 2002.

Aan de orde is vervolgens de vraag of de onrechtmatigheid van de bewaring tot toekenning van het verzoek de gemachtigde van de vreemdelinge om schadevergoeding dient te leiden. De rechtbank is van oordeel dat bij (zoals in casu) onrechtmatig bevonden bewaring in beginsel - dat wil zeggen behoudens de aanwezigheid van gronden van billijkheid die tot matiging kunnen leiden - aanspraak bestaat op schadevergoeding. Bij de beantwoording van de vraag of deze gronden van billijkheid zich voordoen dient enerzijds acht te worden geslagen op de aard van de door verweerder geschonden norm en de ernst van deze schending, terwijl anderzijds - zonodig - mede in aanmerking dient te worden genomen in welke mate de vreemdeling in strijd met de vreemdelingenwetgeving heeft gehandeld.

De rechtbank stelt in dit kader vast dat de reden waarom de bewaring onrechtmatig is geoordeeld, is gelegen in een onevenwichtige belangenafweging zijdens verweerder. Anderzijds moet worden toegegeven dat de vreemdelinge heeft gehandeld in strijd met de vreemdelingenwet, reden waarom de rechtbank aanleiding ziet de schadevergoeding te matigen tot nihil.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad Eur 644,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van de rechtbank moet vergoeden.

Krachtens artikel 95 Vw 2000 staat tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, voor partijen hoger beroep open.

Het beroepschrift dient binnen één week na verzending van deze uitspraak te worden ingediend bij de Raad van State, Afdeling Bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Bij de indiening van het beroepschrift dient tegelijkertijd een kopie van de bestreden uitspraak te worden gevoegd.

Aldus gewezen door mr. B.I. Klaassens, rechter, in tegenwoordigheid van drs. E. ten Houten als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2002.

Afschrift verzonden: 23 juli 2002