Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7366

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-08-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
02/308
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MT/A

rolnummer: 02/308

datum vonnis: 28 augustus 2002 (bij vervroeging)

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

Vonnis in de zaak met bovenvermeld rolnummer va[eiser],

wonende te Lopik,

eiser,

procureur: mr K. Aantjes,

advocaat: mr B. van der Horst (Asten),

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

KNAC Autosportfederatie,

gevestigd te Zoeterwoude,

gedaagde,

procureur: mr H.C. Grootveld,

advocaat: mr E.J.A. Vilé (Utrecht).

Partijen worden aangeduid als [eiser] respectievelijk de KNAF.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van het geding, waaronder het

proces-verbaal van de comparitie van partijen van 21 juni 2002.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

1.1 [eiser] vordert, uitvoerbaar bij voorraad, (I en II) nietigverklaring, althans vernietiging, en terzijde stelling van de uitspraken van het Tuchtcollege en het College van Beroep voor autosport van de KNAF, respectievelijk d.d. 20 november 2000 en 6 februari 2001; (III) schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; (IV) veroordeling van de KNAF in de proceskosten.

1.2 [eiser] legt (zakelijk weergegeven) aan zijn vordering ten grondslag dat de uitspraak van het Tuchtcollege van 20 november 2000 niet reglementair tot stand is gekomen, aangezien een van de drie deelnemende leden van het Tuchtcollege nog niet was benoemd. Het vereiste quorum ontbrak dus. Volgens [eiser] is in hoger beroep dit punt ten onrechte niet gehonoreerd, zodat ook de uitspraak van het College van Beroep van 6 februari 2001 nietig is. De KNAF heeft gehandeld in strijd met de goede trouw door desondanks aan de uitspraken gevolg te geven en de licentie van [eiser] in te trekken. Dit is onrechtmatig en leidt tot schadeplichtigheid van de KNAF.

1.3 De KNAF heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2. De feiten

2.1 Op 20 november 2000 is er door het Tuchtcollege van de KNAF (verder: het Tuchtcollege) een tuchtzaak tegen [eiser] behandeld, waarbij hem bij uitspraak van diezelfde dag sancties (deels onvoorwaardelijke intrekking van zijn licentie) zijn opgelegd. Aan de zitting en de beslissing terzake is deelgenomen door twee reglementair benoemde leden en een voorgedragen, maar pas een week later definitief benoemd, lid [naam lid Tuchtcollege]. In de betreffende uitspraak is onder meer als zinsnede opgenomen: "Betrokkenen verklaarden zich desgevraagd akkoord met de samenstelling van het College."

2.2 In hoger beroep is de zaak opnieuw behandeld door het College van Beroep voor autosport (verder: het College van Beroep), bestaande uit het reglementair voorgeschreven aantal van tenminste drie leden. Bij beslissing van 6 februari 2001 heeft het College van Beroep de formele bezwaren tegen de samenstelling van het Tuchtcollege verworpen en de beslissing van het Tuchtcollege in stand gelaten.

2.3 De aan [eiser] opgelegde tuchtmaatregel tot onvoorwaardelijke intrekking van zijn licentie voor alle takken van de autosport gedurende de periode van 1 jaar is geëffectueerd in de periode 20 november 2000 tot 20 november 2001.

3. Beoordeling

3.1 Vast staat dat de uitspraak van het College van Beroep reglementair juist tot stand is gekomen en dat de zaak in hoger beroep opnieuw inhoudelijk is behandeld in aanwezigheid van partijen. [eiser] was daarbij vergezeld van zijn raadsman. Voorts staat vast dat in hoger beroep het thans aan de orde zijnde bezwaar tegen de samenstelling van het Tuchtcollege ook is behandeld en dat daarop eveneens door het College van Beroep (in voor [eiser] negatieve zin) is beslist.

3.2 Het voorgaande betekent in beginsel dat partijen, die zich kennelijk aan de betreffende tuchtrechtspraak hebben onderworpen, aan de beslissing van het College van Beroep gebonden zijn. Ingevolge het toepasselijke Reglement (artikel 17.3) staat hiertegen immers geen verdere voorziening meer open.

3.3 Dit wordt niet anders door hetgeen [eiser] heeft aangevoerd. De enkele omstandigheid dat het College van Beroep een beslissing neemt, die volgens [eiser] onjuist is, maakt deze beslissing daarmee nog niet nietig of vernietigbaar. Dit zou anders kunnen zijn indien (a) elementaire beginselen van een behoorlijke procesvoering zijn geschonden en/of (b) geen redelijke tuchtrechter tot de bestreden beslissing zou hebben kunnen komen.

3.4 Omtrent criterium a) wordt als volgt overwogen. Zo al geoordeeld zou moeten worden dat [eiser] niet expliciet akkoord is gegaan met de aanwezigheid van [naam lid Tuchtcollege] als derde, nog niet benoemd lid van het Tuchtcollege, en dat de aanwezigheid van het derde nog niet benoemde lid onder deze omstandigheden een schending van elementaire rechtsbeginselen zou opleveren, dan heeft [eiser] zich daarover kunnen beklagen en ook daadwerkelijk beklaagd bij het College van Beroep, bij welk College de zaak inhoudelijk in volle omvang is behandeld. Een eventuele schending in eerste instantie is daarmee geheeld.

3.5 Bij marginale toetsing van de beslissing van het College van Beroep kan evenmin geoordeeld worden dat het College in redelijkheid niet tot zijn bestreden beslissing zou hebben kunnen komen (criterium b).

3.6 Evenmin kan het beroep van [eiser] op de redelijkheid en de billijkheid tot ongedaanmaking van de uitspraak van het College van Beroep leiden.

3.7 Anders dan [eiser] mogelijk bedoelt te stellen, heeft hij in de tuchtprocedure twee feitelijke instanties gehad, zij het dat wellicht aan de behandeling in eerste instantie een gebrek kleefde.

3.8 Onder deze omstandigheden kan in het midden kan blijven of [eiser] in eerste instantie een eerlijk proces heeft gehad, of de samenstelling van het Tuchtcollege deugde en/of [eiser] indertijd akkoord is gegaan met de aanwezigheid van [naam lid Tuchtcollege] als derde, nog niet benoemd lid.

3.9 Het voorgaande leidt ertoe dat er geen gronden zijn voor ongedaanmaking van de tuchtbeslissingen. De vorderingen I en II zullen worden afgewezen. Dit geldt ook voor vordering III, nu de uitspraak van het College van Beroep in stand blijft. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten, die van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen, worden veroordeeld.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de KNAF begroot op € 193,-- aan verschotten en € 1179,-- aan salaris van de procureur;

Aldus gewezen door mr Tan-de Sonnaville en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.