Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7279

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-06-2002
Datum publicatie
05-09-2002
Zaaknummer
AWB 02/39998
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AE8079
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / categoriewijziging.

In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat - hoewel uit de Vw 2000, noch uit de daarop gebaseerde regelingen van enige voorgeschreven termijn blijkt - het wenselijk is dat verweerder met voortvarendheid een categoriewijziging tot stand brengt. Echter, ook indien dat niet (met voortvarendheid) zou geschieden, brengt dat nog niet als vanzelfsprekend de onrechtmatigheid van de bewaring met zich. Immers, niet in de grond voor de bewaring, noch in de daartoe redengevende omstandigheden treedt een wijziging op; de wijziging betreft slechts de wettelijke bepaling op basis waarvan de bewaring kan worden gelast. Een en ander leidt er dan ook toe dat, ook indien verweerder zou nalaten de categoriewijziging tot stand te brengen, de bewaring eerst - en dan van rechtswege - onrechtmatig wordt met ingang van de eerste dag waarop de in artikel 59, vierde lid, Vw 2000, bedoelde termijn van vier of zes weken (afhankelijk van de vraag of toepassing wordt gegeven aan artikel 39 Vw 2000) wordt overschreden, te rekenen vanaf de datum van aanvraag.

Omtrent het moment van aanvraag is de rechtbank van oordeel dat na het aan verweerder zenden van de door eiseres ondertekende verklaring, waarin duidelijk is aangegeven dat zij asiel wenst aan te vragen, het op de weg van verweerder had gelegen op korte termijn na ontvangst daarvan actie te ondernemen. De rechtbank gaat er in dit geval van uit dat de aanvraag dateert van 24 mei 2002. Een en ander betekent voor deze zaak dat de termijn van artikel 59, vierde lid, Vw 2000, op die datum geacht moet worden te zijn gaan lopen en van rechtswege zal eindigen met ingang van respectievelijk 21 juni 2002, dan wel 5 juli 2002. De rechtbank acht de bewaring niet op deze grond onrechtmatig. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59, geldigheid: 2002-06-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 02/39998

UITSPRAAK

op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1982 te Kinshasa,

nationaliteit Kongolese,

IND dossiernummer 0205.24.2018,

thans verblijvende in het politiebureau te Hoofddorp,

raadsman mr. J. Hemelaar,

eiseres,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

vertegenwoordigd door mr. I. Veltman,

ambtenaar bij de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

1 Procesverloop

Op 22 mei 2002 is eiseres aangehouden op verdenking van het plegen van een strafbaar feit (artikel 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht). Eiseres maakte gebruik van een vals cq vervalst nationaal paspoort van Frankrijk.

Aansluitend aan haar strafrechtelijke invrijheidsstelling is eiseres op 22 mei 2002 overgedragen aan de Vreemdelingendienst en op grond van artikel 50, tweede lid Vw 2000, opgehouden.

Op 23 mei 2002 is eiseres, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert (artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, Vw 2000).

Eiseres heeft op 23 mei 2002 tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van donderdag 30 mei 2002. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar raadsman. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Standpunten

Eiseres heeft de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren, de opheffing van de bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat zij niet op de juiste grond in bewaring is gesteld. Zij heeft immers in het verhoor in het kader van het strafrechtelijke voortraject verklaard dat zij bang was om terug te keren naar Kongo, omdat zij aldaar bedreigd is. Hieruit had de betreffende verbalisant op moeten maken dat eiseres asiel wilde aanvragen. Eiseres is echter op grond van artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, Vw 2000, in plaats van artikel 59, eerste lid aanhef en onder b, Vw 2000, in vreemdelingenbewaring gesteld. Bovendien heeft eiseres op 23 mei 2002 een door haar gemachtigde opgestelde verklaring ondertekend, welke op 24 mei 2002 rond 08.00 uur aan de Vreemdelingendienst is gezonden, waarin zij verklaart asiel te willen aanvragen. De Vreemdelingendienst heeft naar aanleiding van deze verklaring tot op heden geen enkele actie ondernomen. Een categoriewijziging heeft dan ook nog niet plaatsgevonden op grond waarvan eiseres van mening is dat de bewaring onrechtmatig is.

Voorts is het recht op rechtsbijstand geschonden. Eiseres heeft bij het gehoor op 22 mei 2002 in het kader van de ophouding weliswaar aangegeven geen advocaat te wensen. Pas de volgende dag echter is een formulier registratie vreemdelingenpiket bureau voor rechtshulp gefaxt. Daardoor is eiseres in haar belangen geschaad. Voorts is door de vreemdelingendienst geen belangenafweging gemaakt. Eiseres wilde doorreizen. Ze wilde niet in Nederland verblijven.

Verweerder heeft de rechtbank verzocht het beroep ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van schadevergoeding af te wijzen.

3 Overwegingen

Beoordeeld dient te worden of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten en of deze in redelijkheid bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd zijn.

Niet gesteld kan worden dat de ambtenaren die eiseres achtereenvolgens in het kader van de strafrechtelijk verhoor, het gehoor ten tijde van de ophouding en het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling hebben gehoord, ten onrechte eiseres niet in de gelegenheid hebben gesteld een asielaanvraag in te dienen. Immers heeft eiseres tegenover hen weliswaar verklaard bang te zijn terug te keren naar Kongo omdat zij aldaar was bedreigd. Eiseres heeft echter evenzeer verklaard ongeveer twee maanden eerder uit Kongo te zijn vertrokken naar Parijs, waar zij tot 22 mei heeft verbleven, terwijl zij voorts heeft verklaard zich nooit bij enige autoriteit in Europa te hebben gemeld.

Omtrent de grond van bewaring overweegt de rechtbank als volgt.

In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat -hoewel uit de Vreemdelingenwet 2000, noch uit de daarop gebaseerde regelingen van enige voorgeschreven termijn blijkt- het wenselijk is dat verweerder met voortvarendheid een categoriewijziging (ook aan te duiden als een wijziging met betrekking tot het geval waarin bewaring kan worden bevolen, zo daartoe gronden zijn) tot stand brengt. Echter, ook indien dat niet (met voortvarendheid) zou geschieden, brengt dat nog niet als vanzelfsprekend de onrechtmatigheid van de bewaring met zich. Immers, niet in de grond voor de bewaring, noch in de daartoe redengevende omstandigheden treedt een wijziging op; de wijziging betreft "slechts" de wettelijke bepaling op basis waarvan de bewaring kan worden gelast. Een en ander leidt er dan ook toe dat -in een geval als dit- ook indien verweerder zou nalaten de categoriewijziging tot stand te brengen, de bewaring eerst -en dan van rechtswege- onrechtmatig wordt met ingang van de eerste dag waarop de in artikel 59, vierde lid lid, Vw 2000, bedoelde termijn van vier of zes weken (afhankelijk van de vraag of toepassing wordt gegeven aan artikel 39 Vw 2000) wordt overschreden, te rekenen vanaf de datum van aanvraag.

Omtrent het moment van aanvraag is de rechtbank van oordeel dat na het aan verweerder zenden van de door eiseres ondertekende verklaring, waarin duidelijk is aangegeven dat zij asiel wenst aan te vragen, het op de weg van verweerder had gelegen op korte termijn na ontvangst daarvan actie te ondernemen. De rechtbank gaat er in dit geval van uit dat de aanvraag dateert van 24 mei 2002. Een en ander betekent voor deze zaak dat de termijn van artikel 59, vierde lid Vw 2000, op die datum geacht moet worden te zijn gaan lopen en van rechtswege zal eindigen met ingang van respectievelijk 21 juni 2002, dan wel 5 juli 2002.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank de bewaring niet op deze grond onrechtmatig.

Voor wat betreft het recht op rechtsbijstand merkt de rechtbank het volgende op.

Op grond van artikel 4.18, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt aan de vreemdeling die met toepassing van artikel 50, tweede of derde lid, Vw 2000 is overgebracht naar een plaats, bestemd voor verhoor, tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het verhoor te doen bijstaan door een raadsman.

Ingevolge A3/2.3.7 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) wordt, indien de opgehouden vreemdeling dat verzoekt, de door hem gewenste raadsman of een via de vreemdelingenpiketdienst van het bureau voor rechtshulp aangewezen raadsman (advocaat) ingelicht. Nu eiseres een dergelijk verzoek niet heeft gedaan, bestond geen aanleiding een raadsman in te lichten.

Uit het dossier blijkt voorts dat de vreemdelingenpiketdienst van het bureau voor rechtshulp na het gehoor voorafgaande aan de maatregel van bewaring (bij welk gehoor eiseres heeft verklaard "geen advocaat bij het gehoor te willen, maar wel rechtsbijstand gedurende de verdere procedure van bewaring") middels een fax is ingelicht.

De rechtbank acht de bewaring niet op deze grond onrechtmatig.

De procedure leidend tot en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring zijn in overeenstemming met de wettelijke vereisten. De bewaring is derhalve niet op die grond onrechtmatig.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan de bewaring onrechtmatig moet worden geacht.

De vrees is gerechtvaardigd dat eiseres, die geen rechtmatig verblijf hier te lande heeft, indien in vrijheid gesteld, zich aan de uitzetting zal onttrekken. De rechtbank laat daarbij wegen dat eiseres niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs en zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een misdrijf.

Dit brengt mee dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten en de bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is.

Het beroep is ongegrond. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend.

4 BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van R.A. van Keulen als griffier op 6 juni 2002

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 7 juni 2002