Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7274

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-08-2002
Datum publicatie
05-09-2002
Zaaknummer
AWB 02/49934 BEPTDN H, 02/49936 BEPTDN H
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AF9029
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / 48-uurstermijn / zienswijze.

In geschil is of verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door zonder de zienswijze af te wachten de beschikking uit te reiken. De voorzieningenrechter stelt voorop dat van de SRA, gegeven de wijze waarop de communicatie tussen partijen in de AC-procedure vorm is gegeven, verwacht mag worden dat zij op basis van de in dat kader van de IND verkregen informatie een inschatting maakt van de te verwachten werkzaamheden en daarop de benodigde capaciteit aan rechtshulpverleners afstemt. Indien zich daarbij problemen voordoen is de SRA in beginsel dan ook voor die problemen verantwoordelijk te houden. Er kunnen zich evenwel bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan dat beginsel uitzondering dient te lijden. Daarvan is hier spake.

Zo al aangenomen moet worden dat, zoals verweerder stelt, het niet exceptioneel is dat in drie zaken tegelijkertijd een voornemen wordt uitgereikt, is de hier aan de orde zijnde situatie in zoverre anders dat niet alleen op hetzelfde moment drie voornemens zijn uitgereikt, maar bovendien die uitreiking plaatsvond op een moment dat in twee zaken nog vier uur restte en in één zaak nog drie uur voordat de 48-uurstermijn afliep, terwijl de SRA minder dan é n (proces)uur vóór het uitreiken van de voornemens van de indicatie-procesbeslissingen na nader gehoor in kennis was gesteld. Die beslissingen, dat volgt reeds uit de naamsaanduiding, geeft de SRA nu juist een indicatie van de te verwachten werkzaamheden in die fase van de procedure. Dat de SRA ook op basis van de aan haar doorgegeven starttijd van het nader gehoor die werkzaamheden zou kunnen inschatten, zoals door verweerder naar voren gebracht, kan niet goed worden gevolgd, gegeven het feit dat doorgaans pas nadat verweerder de asielzoeker over zijn asielmotieven heeft gehoord, een beslissing over het al dan niet afdoen in het AC genomen zal kunnen worden.

Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet geoordeeld worden dat de SRA tijdig kon voorzien dat zich op 29 juni 2002 om 8.00 uur ’s-morgens capaciteitsproblemen zouden voordoen, die tot bijstelling van die capaciteit noopten. Door in de ontstane situatie de dienstdoende rechtshulpverlener een termijn te stellen voor het uitbrengen van een zienswijze, wetende dat het feitelijk onmogelijk was dat deze daaraan zou toekomen, en bij ommekomst van die termijn de beschikking te slaan, heeft verweerder gehandeld in strijd met de op hem rustende onderzoeksplicht. Door in het bestreden besluit niet gemotiveerd in te gaan op de door de rechtshulpverlener tijdig gemelde capaciteitsproblemen is dat besluit voorts ontoereikend gemotiveerd. Beroep gegrond en afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2002-08-02
Vreemdelingenbesluit 2000 3.117, geldigheid: 2002-08-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 02/49934 BEPTDN H (voorlopige voorziening)

AWB 02/49936 BEPTDN H (beroepszaak)

IND nr.: 0206.25.4063

inzake: A, geboren op [...] 1973, van Bengalese nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoeker ,

gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem.

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Ramsaroep, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 29 juni 2002 is de door verzoeker op 26 juni 2002 ingediende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 29 juni 2002 beroep ingesteld.

1.2 Bij verzoekschrift van eveneens 29 juni 2002 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 9 juli 2002. Daarbij hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoeker ter zitting gehoord.

1.4 Ter zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek geschorst, omdat het voor de beslissing van belang werd geacht dat door verweerder nadere informatie werd verstrekt. Bij brieven van 11 juli, 17 juli en 25 juli 2002 heeft verweerder de door de voorzieningenrechter gestelde vragen beantwoord. Daarop is door de gemachtigde van verzoeker gereageerd bij brieven van 12 juli, 18 en 26 juli 2002. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek, met toestemming van partijen zonder het houden van een nadere zitting, gesloten en uitspraak bepaald op heden.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In dit geding dient te worden beoordeeld of de afwijzing van de aanvraag in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.4 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (verder te noemen ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

2.5 Verzoeker stelt zich primair op het standpunt dat de afdoening van verzoekers asielaanvraag in het AC niet zorgvuldig is geweest, aangezien hij niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad van een nabespreking van het nader gehoor en het voornemen en daarop een zienswijze uit te brengen. Hiertoe is - samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd. Het voornemen in de onderhavige zaak is op 29 juni 2002 om 8.00 uur uitgereikt, tegelijkertijd met de voornemens in twee andere zaken. Alledrie de nabesprekingen van het nader gehoor en het uitbrengen van de zienswijze waren even spoedeisend gelet op de tijd die nog restte voordat de 48-uurstermijn zou verstrijken. Verweerder is op de hoogte van de standaardcapaciteit van de rechtshulp. Er worden op AC-Schiphol vier rechtshulpverleners per dag ingezet die werken in vier shifts van 8 uur: de eerste rechtshulpverlener begint om 8.00 uur 's morgens, de tweede om 10.00 uur. Verweerder kon weten dat deze inzet in de onderhavige situatie niet toereikend was om de nabesprekingen van het nader gehoor tegelijkertijd te verrichten. Pas tegen 22.00 uur die dag is de SRA ervan in kennis gesteld dat verzoekers zaak en twee andere zaken AC zouden worden afgedaan en daartoe de voornemens de volgende dag om 8.00 uur zouden worden uitgereikt. Getracht is nog om de rechtshulpverlener, die voor 29 juni 10.00 was ingeroosterd te bereiken met het verzoek of hij om 8.00 uur kon beginnen. Dit is echter niet gelukt. De rechtshulpverlener heeft verweerder op 29 juni om 8.30 in meegedeeld wegens onvoldoende capaciteit niet in alle drie de zaken tot nabespreking van het nader gehoor en het geven van een zienswijze te kunnen komen. Verweerder heeft daarmee niets gedaan, waardoor de rechtshulp een keuze moest maken. Dit heeft ertoe geleid dat verzoeker "uit de boot" is gevallen. Er was sprake van een exceptionele situatie. De gevolgen hiervan dienen voor rekening van verweerder te komen, temeer nu de SRA van de in verzoekers zaak genomen procesbeslissing na nader gehoor, die op 28 juni 2002 om 18.00 uur is genomen, niet tijdig in kennis is gesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt is door verzoeker verwezen naar een schrijven van de directeur van de SRA aan de IND van 12 maart 2002, een brief van de juridisch coördinator SRA AC Schiphol aan de gemachtigde van 18 juli 2002 en een memo gericht aan de medewerkers ondersteuning SRA en IND van 1 februari 2002 met als onderwerp Project Afstemming Logistieke Processen.

2.6 Verweerder neemt het standpunt in dat de afdoening van de asielaanvraag van verzoeker zorgvuldig is geweest. De SRA is zelf verantwoordelijk voor de door haar in te zetten capaciteit. De SRA zal haar personele inzet zodanig moeten regelen dat zij kan voldoen aan de voorshands aangegeven maximale afdoening per dag. Eventuele afspraken die door verweerder met de SRA worden gemaakt kunnen slechts worden bezien in het kader van een dienstverlening aan de SRA. Nimmer is door verweerder beoogd door middel van afspraken de verantwoordelijkheid voor de personele inzet van SRA aan zich te trekken. De inzet, de wijze van inzetten van medewerkers door SRA en de keuzes die daarbij door SRA worden gemaakt kunnen niet voor rekening van verweerder komen. Indien door de SRA ervoor gekozen wordt om aan het begin van elke dag slechts één medewerker in te zetten is dat een keuze met betrekking tot de inzet van capaciteit die de afdoening van zaken in het AC niet in de weg kan staan.. Gegeven de door verweerder verstrekte informatie aan de SRA over de voortgang van de procedures en de procesbeslissingen die in een individueel dossier genomen worden, is de SRA voortdurend op de hoogte van de mogelijke werkzaamheden die hen op lange en korte termijn te wachten staan. Het is aan de planning SRA om te bepalen of zij op basis van die informatie wijziging aanbrengt in haar standaardcapaciteit. Dat de SRA haar capaciteit niet afstemt op de werkvoorraad dient voor haar rekening te komen. In dit verband is door verweerder verwezen naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 juni 2002 (nr 200202454/1) en 1 juli 2002 (nr. 200203185/1). In de onderhavige zaak en de twee daarmee samenhangende zaken is niet na te gaan wanneer de SRA door de IND is ingelicht over de aanstaande procesbeslissing, aangezien dit niet wordt geregistreerd. Aangenomen mag echter worden dat die indicatie procesbeslissingen wel zijn gegeven. In ieder geval had de SRA tijdig kunnen voorzien dat op 29 juni een capaciteitsprobleem zou ontstaan. Immers gelet op de door verweerder verstrekte informatie over de voortgang van de procedures, waaronder de begintijd van de nader gehoren, had de SRA op de hoogte kunnen zijn van de eindtijd in de drie zaken en ermee rekening kunnen houden dat de verslagen van de nader gehoren en de voornemens eerst op 28 juni 's avonds laat danwel op 29 juni 's morgens vroeg zouden worden uitgereikt. Daarnaast is de SRA op 28 juni 2002 omstreeks 21.00 uur - onverplicht - door de IND erop gewezen dat twee van de drie nader gehoren nog bezig waren en de verslagen nader gehoor en de voornemens waarschijnlijk de volgende ochtend om 8.00 uur zouden worden uitgereikt. Het enkele feit dat in drie zaken tegelijkertijd een voornemen is uitgebracht, betekent niet dat sprake is van een exceptionele situatie; de capaciteit van de SRA dient daarop berekend te zijn. De planning SRAA wordt incidenteel weleens gewaarschuwd door planning IND als bij hen de indruk bestaat dat er bij de SRAA een tekort aan capaciteit zou kunnen ontstaan in bepaalde situaties. Dit omdat er aan de zijde van de Staatssecretaris groot belang wordt gehecht aan een goede en zorgvuldige voortgang van de procedures. Ondanks het feit dat de Staatssecretaris probeert SRAA hierin de faciliteren, betekent dit niet dat dit ook voor rekening van de Staatssecretaris kan worden gebracht. Overigens is er geen rechtsregel die de Staatssecretaris verplicht om in haar proces rekening te houden met de personele inzet van SRA noch volgt zulks uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2.7 De voorzieningenrechter neemt, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, de volgende feiten als vaststaand aan.

Aan de hand van jaarprognoses met betrekking tot de instroom wordt door verweerder de maximale - nominale - afdoening per dag per AC bepaald. Op basis van deze prognoses is de SRA voor het jaar 2002 uitgegaan van een standaardinzet van vier rechtshulpverleners per dag op het AC Schiphol, waarbij gewerkt wordt in vier shifts van elk acht uur op het AC Schiphol per dag, te beginnen met één rechtshulpverlener om 8.00 uur 's morgens en één om 10.00 uur 'smorgens. Voorts zijn tussen de IND-Schiphol en de SRA met het oog op de planning en afstemming afspraken gemaakt. Deze afspraken komen houden het volgende in. De planning van de IND informeert de planning van de SRA direct telefonisch indien vreemdelingen zich op de luchthaven Schiphol melden, die asiel wensen aan te vragen. Dit gebeurt zodra de betrokken vreemdelinge zich hebben gemeld bij de Kmar aan de grens. Vervolgens wordt de SRA nogmaals geïnformeerd over de komst van vreemdelingen, indien zij daadwerkelijk op het AC-schiphol zijn aangekomen. Daarnaast wordt SRAA in elk individueel dossier op de hoogte gebracht van de voortgang van de procedure en de procesbeslissingen die in de betreffende individuele zaak genomen worden. In dit verband zijn tussen de IND en de SRA met het oog op een efficiente en effectieve planning afspraken gemaakt, die zijn neergelegd in het memo "Project afstemming logistieke processen" van 1 februari 2002, gericht aan de medewerkers ondersteuning SRA en IND. In het memo wordt het belang benadrukt van de communicatie tussen de planners SRA en de planners IND en is aangegeven dat beide ketenpartners gedurende het gehele proces van elkaar moeten weten welke stappen genomen gaan worden en vooral ook wat er te verwachten is en waar tussentijds wijzigingen in de planning gaan optreden. Vervolgens is in dat memo per fase en per onderdeel daarvan een gedetailleerde beschrijving gegeven van alle handelingen die door de ketenpartners in de 48-uursprocedure worden uitgevoerd vanaf het moment van binnenkomst van de asielzoeker tot aan het moment van diens vertrek. Daaruit blijkt onder meer dat na het nader gehoor door de IND aan de SRA-planning een indicatie-procesbeslissing wordt gegeven voordat de definitieve procesbeslissing over al dan niet AC-afdoening genomen wordt.

In de onderhavige zaak liep de 48-uurstermijn op 29 juni om 12.00 uur af en is de beschikking binnen die termijn uitgereikt zonder dat een zienswijze was uitgebracht. In de twee andere zaken, waarnaar door verzoeker is verwezen en welke twee zaken eveneens ter zitting op 9 juli 2002 zijn behandeld - te weten de zaken met nummers AWB 02/49928 resp. AWB 02/49948 - liep die termijn af op 29 juni om 11.00 uur resp. op 29 juni om 12.00 uur. In alledrie de zaken zijn het rapport van nader gehoor en het voornemen op 29 juni om 8.00 uur 's morgens uitgereikt en heeft de rechtshulpverlener verweerder om 8.30 uur op de hoogte gesteld van de capaciteitsproblemen.

Voorts is in de onderhavige zaak niet in geschil dat de definitieve procesbeslissingop 28 juni 2002 om 18.15 genomen is.

Gelet op hetgeen door partijen is gesteld over het tijdstip waarop de IND de SRA ervan in kennis gesteld heeft dat in de drie zaken - waarschijnlijk - op 29 juni 2002 om 8.00 uur de verslagen van nader gehoor en de voornemens zouden worden uitgereikt, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat dit op 28 juni 2002 op enig moment tussen 21.00 en 22.00 uur 's avonds geweest moet zijn.

2.8 In artikel 3.117, tweede lid, Vb is voor de AC-procedure bepaald dat de vreemdeling zijn zienswijze binnen drie procesuren naar voren brengt.

Bij uitspraak van 3 mei 2002 (nr. 200201462/1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat uit het bepaalde in artikel 3.117 Vb voortvloeit dat de termijn van drie procesuren voor het uitbrengen van de zienswijze aanvangt op het tijdstip waarop het schriftelijk voornemen van verweerder aan de SRA is uitgereikt. In diezelfde uitspraak, als ook in de door verweerder aangehaalde uitspraken, heeft de Afdeling overwogen dat het op de weg van de rechtshulpverlener ligt om tijdig en gemotiveerd aan verweerder kenbaar te maken dat meer tijd nodig is voor het uitbrengen van de zienswijze dan in de regelgeving is voorzien. Geeft de rechtshulpverlener dit niet te kennen, dan kan verweerder - aldus de Afdeling - in beginsel ook zonder dat na drie procesuren een zienswijze is uitgebracht, de beschikking binnen de termijn van 48 procesuren geven. Voorts is door de Afdeling in de door verweerder genoemde uitspraken overwogen dat de capaciteitsproblemen bij de SRA, waarop door de rechtshulp na ommekomst van de termijn van drie uur voor het uitbrengen van een zienswijze beroep was gedaan, in beginsel niet tot het oordeel leiden dat verweerder niet zonder de zienswijze af te wachten de beschikking kan geven.

2.9 De voorzieningenrechter stelt voorop dat van de SRA, gegeven de wijze waarop de communicatie tussen partijen in de AC-procedure vorm is gegeven, verwacht mag worden dat zij op basis van de in dat kader van de IND verkregen informatie een inschatting maakt van de te verwachten werkzaamheden en daarop de benodigde capaciteit aan rechtshulpverleners afstemt. Indien zich daarbij problemen voordoen is de SRA in beginsel dan ook voor die problemen verantwoordelijk te houden. Er kunnen zich evenwel bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan dat beginsel uitzondering dient te lijden. Van zodanige bijzondere omstandigheden is in de onderhavige zaak sprake.

Zo al aangenomen moet worden dat, zoals verweerder stelt, het niet exceptioneel is dat in drie zaken tegelijkertijd een voornemen wordt uitgereikt, is de hier aan de orde zijnde situatie in zoverre anders dat niet alleen op hetzelfde moment drie voornemens zijn uitgereikt, maar bovendien die uitreiking plaatsvond op een moment dat in twee zaken nog vier uur restte en in één zaak nog drie uur voordat de 48-uurstermijn afliep, terwijl de SRA minder dan é n (proces)uur vóór het uitreiken van de voornemens van de indicatie-procesbeslissingen na nader gehoor in kennis was gesteld. Die beslissingen, dat volgt reeds uit de naamsaanduiding, geeft de SRA nu juist een indicatie van de te verwachten werkzaamheden in die fase van de procedure. Dat de SRA ook op basis van de aan haar doorgegeven starttijd van het nader gehoor die werkzaamheden zou kunnen inschatten, zoals door verweerder naar voren gebracht, kan niet goed worden gevolgd, gegeven het feit dat doorgaans pas nadat verweerder de asielzoeker over zijn asielmotieven heeft gehoord, een beslissing over het al dan niet AC-afdoen genomen zal kunnen worden.

Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet geoordeeld worden dat de SRA tijdig kon voorzien dat zich op 29 juni 2002 om 8.00 's morgens capaciteitsproblemen zouden voordoen, die tot bijstelling van die capaciteit noopten. Door in de ontstane situatie de dienstdoende rechtshulpverlener een termijn te stellen voor het uitbrengen van een zienswijze, wetende dat het feitelijk onmogelijk was dat deze daaraan zou toekomen, en bij ommekomst van die termijn de beschikking te slaan, heeft verweerder gehandeld in strijd met de op hem rustende onderzoeksplicht. Door in het bestreden besluit niet gemotiveerd in te gaan op de door de rechtshulpverlener tijdig gemelde capaciteitsproblemen is dat besluit voorts ontoereikend gemotiveerd.

2.10 Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag ten onrechte in het kader van de ac-procedure afgewezen. Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoeker zal dan ook gegrond worden verklaard. Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

2.11 In dit geval is aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 29 juni 2002;

3.2 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 26 juni 2002;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, voorzieningenrechter en uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2002, in tegenwoordigheid van mr. J. Poggemeier als griffier.

Afschrift verzonden op: 5 augustus 2002

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voorzover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voorzover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.