Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7271

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-03-2002
Datum publicatie
05-09-2002
Zaaknummer
00/1511
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJK 2002, 26
M en R 2003/78
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - meervoudige kamer

Vonnis in de zaak met rolnummer 00/1511 van:

1. de rechtspersoonlijkheid bezittende VERENIGING VOOR

NEDERLANDSE LANDBOUWLUCHTVAARTBEDRIJVEN,

gevestigd te Zonnemaire, gemeente Brouwershaven,

2. [eiser2], h.o.d.n. Vliegbedrijf [eiser2],

gevestigd te Oostwold,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AERO-SERVICE B.V.,

gevestigd te Lelystad

4. [eiser4], h.o.d.n. Flying Farmers Holland,

gevestigd te Dinteloord,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser5],

gevestigd te Swifterbant,

6. [eiser6], h.o.d.n. [firmanaam],

gevestigd te Zonnemaire, gemeente Brouwershaven,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[firmanaam],

gevestigd te Biddinghuizen, gemeente Dronten,

eiseressen,

procureur mr P.J.M. van Schmidt auf Altenstadt,

tegen

de STAAT DER NEDERLANDEN (ministeries van Verkeer en Waterstaat, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Sociale Zaken en Werkgelegenheid),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr J.H. Geerdink.

Partijen worden aangeduid als [eisers1t/m7] en de Staat.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding en de zakelijk daarmee overeenstemmende conclusie van eis met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek met producties;

- drie akten overlegging producties pleidooi zijdens [eisers1t/m7], met producties;

- een akte houdende producties zijdens de Staat, met producties.

Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, [eisers1t/m7] door mr W.M. Bijloo, advocaat te Middelharnis, de Staat door zijn procureur. Beide hebben pleitnotities overgelegd; mr Bijloo heeft daarbij twee producties gevoegd.

RECHTSOVERWEGINGEN

1 de feiten

1.1 De eiseressen onder 2 tot en met 7 exploiteren ieder voor zich een landbouwluchtvaartbedrijf, dat zich bezig houdt met het bespuiten van landbouwgewassen met bestrijdingsmiddelen vanuit luchtvaartuigen. De gehele bedrijfstak bestaat uit deze zes bedrijven; andere aanbieders op deze markt zijn er niet. Allen zijn lid van eiseres onder 1.

1.2 Bij Koninklijk besluit van 27 januari 2000 is het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij (verder: het Besluit) vastgesteld. Het Besluit is in werking getreden op 29 februari 2000. In het Besluit is in artikel 15, tweede en derde lid, bepaald dat binnen een zone van 14 meter vanaf de insteek van oppervlaktewater geen bestrijdingsmiddelen met een luchtvaartuig gebruikt mogen worden. In artikel 28 van het Besluit is het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren (verder: Wvo) aldus gewijzigd dat (zakelijk weergegeven) regels met betrekking tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen in het Besluit kunnen worden opgenomen.

2 de vordering, de grondslag en het verweer

2.1 [eisers1t/m7] vorderen thans (na wijziging van eis bij conclusie van repliek) dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- primair het Besluit, althans de artikelen 15, derde lid, en 28 van het Besluit zal vernietigen, althans ten aanzien van een ieder, althans ten aanzien van [eisers1t/m7] onverbindend zal verklaren, althans buiten werking zal stellen, althans zal schorsen, dan wel

- subsidiair de Staat zal gebieden na betekening van het vonnis het Besluit, althans de artikelen 15, derde lid, en 28 van het Besluit ten aanzien van een ieder, althans ten aanzien van [eisers1t/m7] buiten toepassing te laten;

- meer subsidiair de Staat zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers1t/m7] een vergoeding te betalen voor de door hen geleden en nog te lijden schade veroorzaakt door het Besluit en de daarin genoemde 14 meter spuitvrije zone voor luchtvaartuigen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, telkens na afloop van een jaar te vermeerderen met de over dat jaar verschuldigde rente conform artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek,

met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

2.2 [eisers1t/m7] voeren als grondslag voor hun vordering aan dat het Besluit, althans de spuitvrije zone van 14 meter, in strijd is met het recht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij stellen dat zij door het Besluit ernstig worden gedupeerd en dat zij daardoor aanzienlijke schade zullen lijden.

2.3 Zij stellen in de eerste plaats, dat het Besluit is strijd is met de Richtlijn Waterverontreiniging 76/464/EEG (verder: de Richtlijn), omdat daarin is voorgeschreven dat de Staat gebruik moet maken van een vergunningstelsel en het rechtsgevolg van het Besluit is dat voor het lozen geen vergunning meer is vereist.

2.4 Voorts stellen zij dat het Besluit in strijd is met het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wvo, nu in artikel 4, eerste lid, van dat besluit voor lozingen als de onderhavige een vergunningseis is gesteld, terwijl het Besluit inhoudt dat er geen vergunningplicht is.

2.5 Bovendien voeren zij aan dat voor de 14-meterzone de grondslag in de Wvo ontbreekt, aangezien dat geen maatregel is die nodig is ter bescherming van het oppervlaktewater, omdat de gehanteerde waarden voor het maximaal toelaatbare risico niet staan voor het 95% risiconiveau waarvoor ze horen te staan, goede meetgegevens ontbreken waaruit de noodzaak blijkt, onderzoek ontbreekt waaruit blijkt dat vliegtuigtoepassingen veel meer drift veroorzaken dan een gangbare veldspuit en onderzoek aantoont dat vliegtuigtoepassingen minder drift naar het oppervlaktewater veroorzaken dan de gangbare veldspuit.

2.6 Vervolgens voeren [eisers1t/m7] aan dat het Besluit in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb), in het bijzonder de daarin opgenomen onderzoeksverplichting (artikel 3:2), de verplichting tot belangenafweging en het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4), alsmede het motiveringsbeginsel (artikel 3:46). In dat verband stellen zij onder meer dat het Besluit onrechtmatig is omdat niet is voorzien in compensatie van de schade die het Besluit aan hen toebrengt.

2.7 Ten slotte voeren [eisers1t/m7] aan dat het Besluit in strijd is met het in het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden, de Grondwet en het in het bestuursrecht verankerde gelijkheidsbeginsel, omdat luchtvaartuigen een lager driftpercentage hebben dan spuitkarren en niettemin de spuitvrije zone voor luchtvaartuigen ruim 9 maal zo breed is gesteld als die voor spuitkarren, zodat vergelijkbare gevallen niet gelijk worden behandeld.

2.8 De Staat voert gemotiveerd verweer.

3 beoordeling

Europees recht

3.1 De rechtbank is van oordeel dat het Besluit noch in strijd is met de Richtlijn , noch met richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (verder: de Kaderrichtlijn). Het Besluit is reeds daarom niet in strijd met de Richtlijn, omdat ingevolge artikel 10 van de Richtlijn de Lid-Staten in voorkomend geval afzonderlijk of gezamenlijk strengere voorschriften kunnen vaststellen dan die welke bij de Richtlijn worden beoogd. Dat omvat naar het oordeel van de rechtbank de bevoegdheid om lozingen die op grond van de Richtlijn in individuele gevallen met toepassing van een vergunningstelsel nog zouden kunnen worden toegestaan, geheel te verbieden; daarvan is in het Besluit, waarin het brengen van bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewateren door spuiten vanuit luchtvaartuigen wordt verboden, sprake.

3.2 Het Besluit strijdt evenmin met de Kaderrichtlijn, nu deze in artikel 11, derde lid, onder g en h, naast een vergunningstelsel als middel van regulering ook een algemeen verbod toelaat. De rechtbank merkt bovendien nog op dat, anders dan zijdens [eisers1t/m7] ten pleidooie nog is betoogd, het feit dat de Richtlijn ingevolge artikel 22, tweede lid, van de Kaderrichtlijn in hoofdzaak pas 13 jaar na de inwerkingtreding van de Kaderrichtlijn wordt ingetrokken, de Lid-Staten er niet toe verplicht het vergunningstelsel dat in de opvatting van [eisers1t/m7] ingevolge de Richtlijn verplicht zou zijn, tot dat tijdstip te handhaven; beoogd wordt blijkens overweging 53 van de Kaderrichtlijn dat de Richtlijn wordt ingetrokken zodra de betreffende bepalingen van de Kaderrichtlijn volledig zijn tenuitvoergelegd. Daarmee wordt voorkomen dat gedurende die periode lacunes in de Europese regelgeving ontstaan.

Wvo

3.3 Voor zover [eisers1t/m7] aanvoeren dat het Besluit in strijd is met het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wvo overweegt de rechtbank als volgt. Zo een zodanige strijd al zou bestaan, dan leidt die er niet toe dat het Besluit onverbindend is of het nemen ervan onrechtmatig. Het gaat immers om twee algemene maatregelen van bestuur; deze hebben gelijke rang. Voor zover deze besluiten niet naast elkaar zouden kunnen worden toegepast, kan met behulp van de gebruikelijke conflictregels (zoals het lex specialis- en het lex posteriorbeginsel) worden vastgesteld welke regel voorrang heeft. Daarenboven geldt dat in de Wvo zelf in deze samenloop is voorzien. Het Besluit rust op artikel 2a van de Wvo. In artikel 2c, eerste lid, van de Wvo is de mogelijkheid opgenomen dat in een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2a van de Wvo de bevoegdheid wordt gegeven bij het verlenen van een vergunning op grond van artikel 1 van de Wvo (waaronder ook een vergunning als bedoeld in artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wvo valt) af te wijken van de regels in die algemene maatregel van bestuur. Het stelsel van de Wvo brengt dan mee dat, voor zover een dergelijke bevoegdheid niet wordt verleend, de regel in de algemene maatregel van bestuur voorrang heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is van strijd dus geen sprake.

3.4 Met betrekking tot de stelling van [eisers1t/m7] dat de noodzaak van de 14-meterzone niet is aangetoond stelt de rechtbank voorop dat aan de Besluitgever een ruime vrijheid toekomt bij de beoordeling van de noodzaak van uitvoeringsregelgeving.

3.5 Inzake het maximaal toelaatbaar risiconiveau heeft te gelden dat dit niet een wettelijk toetsingskader betreft, maar een beleidskader dat het mogelijk maakt de risico's van handelingen met stoffen op zoveel mogelijk vergelijkbare wijze te beoordelen. Dat dat beleidskader nog onderwerp is van wetenschappelijke discussie doet aan de toepasbaarheid daarvan niet af. Niet is gesteld of gebleken dat de Staat bij het Besluit van dat beleidskader is afgeweken; evenmin is gesteld of gebleken dat er redenen zijn waarom de Staat van dit beleidskader had moeten afwijken.

3.6 De rechtbank stelt vast dat blijkens de stukken het Besluit in hoofdzaak stoelt op meetgegevens die zijn verzameld over de jaren 1994 tot en met 1996 en die zijn getoetst door de Commissie Integraal Waterbeheer, een aan de overheid verbonden coördinerend orgaan dat zich onder meer ten doel stelt te adviseren omtrent het onderzoek naar verschillende aspecten van de oppervlaktewaterkwaliteit. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de tijd die het totstandbrengen van besluiten nu eenmaal met zich brengt, de Staat bij het Besluit mocht uitgaan van meetgegevens over deze periode; niet kan worden verlangd dat voorafgaand aan het Besluit nog bijzondere metingen worden verricht. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de Staat bij het Besluit recentere meetgegevens buiten beschouwing heeft gelaten. Dat bepaalde analyseresultaten bij de genoemde toetsing buiten beschouwing zijn gelaten, doet, nu de Commissie Integraal Waterbeheer daarmee bij haar eindoordeel rekening heeft gehouden, niet af aan de bevoegdheid van de Staat om het Besluit mede op de onderhavige meetgegevens te baseren.

3.7 Met betrekking tot de drift bij bespuitingen met luchtvaartuigen blijkt uit de stukken dat ten tijde van het vaststellen van het Besluit er bij gebrek aan betere gegevens van moest worden uitgegaan dan van de buitenste vliegbaan 5 tot 100 % van de dosering in de sloot terecht kwam, terwijl voor de veldspuiten in de volveldsteelt op grond van uitgebreider onderzoek tot 31 december 1999 de te hanteren drift is vastgesteld op 1% en in 2000 kon worden uitgegaan van een driftdepositie op het oppervlaktewater van minder dan 1 %. Aan [eisers1t/m7] kan worden toegegeven dat het gehanteerde percentage bij vliegtuigtoepassingen in belangrijke mate is gebaseerd op het ontbreken van onderzoeksgegevens, maar aangezien zij degenen waren die deze spuitmethode wilden blijven hanteren, had het primair op hun weg gelegen om de benodigde onderzoeksgegevens te verschaffen. In dit verband heeft de Staat zich bereid verklaard om vervolgonderzoek naar nieuwe spuittechnieken mede te financieren. Op grond van de stand van het onderzoek ten tijde van het totstandkomen van het Besluit kon de Staat toen redelijkerwijs concluderen dat vliegtuigtoepassingen veel meer drift veroorzaakten naar het oppervlaktewater dan een gangbare veldspuit.

3.8 Gelet op hetgeen in de rechtsoverwegingen 3.4 tot en met 3.7 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de Staat in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat het verbieden van luchtvaartbespuitingen binnen 14 meter vanaf de insteek van oppervlaktewater nodig was ter bescherming van oppervlaktewater tegen verontreiniging.

Awb

3.9 De rechtbank stelt hier voorop, dat ingevolge artikel 3:1 Awb op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften, afdeling 3.2 van die wet slechts van toepassing is voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet, en afdeling 3.7 van die wet niet van toepassing is. Dat leidt ertoe dat, anders dan [eisers1t/m7] betogen, de rechtbank niet toekomt aan rechtstreekse toetsing aan het motiveringsbeginsel, aangezien dat is neergelegd in de in afdeling 3.7 van die wet opgenomen artikelen 3:46 en 3:47. De motivering van het Besluit kan dientengevolge slechts mede worden betrokken bij de vraag of het Besluit zorgvuldig is voorbereid (artikel 3:2 Awb), of belangenafweging heeft plaatsgevonden en of het evenredigheidsbeginsel is geschonden (beide artikel 3:4 Awb). Bij de toetsing aan de in deze artikelen neergelegde beginselen heeft te gelden dat zowel de aard van de wetgevende functie als de positie van de rechter in het staatsbestel meebrengen dat de rechtbank daarbij terughoudendheid moet betrachten.

3.10 Bovendien geldt als uitgangspunt dat de rechtbank voor de beoordeling of sprake is van schending van de artikelen 3:2 en 3:4 Awb, slechts acht kan slaan op gegevens die voorafgaande aan de vaststelling van het Besluit bij de Staat bekend waren of behoorden te zijn. Dat leidt ertoe dat de rechtbank bij deze beoordeling de overgelegde producties die tot stand zijn gekomen na 27 januari 2000 slechts bij die beoordeling zal betrekken voor zover deze gegevens bevatten die voor die datum aan de Staat bekend waren of bekend hadden moeten zijn.

3.11 Met betrekking tot artikel 3:2 Awb merkt de rechtbank op dat dit artikel niet eist dat de Besluitgever elk mogelijk of door een belanghebbende gewenst, al dan niet wetenschappelijk, onderzoek verricht. Het vereist slechts dat de Besluitgever de kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart die zij redelijkerwijs nodig heeft; daarbij dient zij zich rekenschap te geven van de stand van de wetenschap, voor zover van belang. Uit de nota van toelichting bij het Besluit blijkt dat de Besluitgever zich in ruime mate op de hoogte heeft gesteld van de relevante feiten en dat zij met de betrokken belanghebbenden (waaronder VNL) overleg heeft gevoerd, waarbij belanghebbenden hun standpunt naar voren hebben gebracht. Met betrekking tot de gehanteerde uitgangspunten inzake drift verwijst de rechtbank naar hetgeen zij in rechtsoverweging 3.7 heeft overwogen. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank, terughoudend toetsende als in rechtsoverweging 3.9 beschreven, van oordeel dat de Staat voldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de voorbereiding van het Besluit.

3.12 Met betrekking tot artikel 3:4 Awb merkt de rechtbank in de eerste plaats op dat uit de nota van toelichting bij het Besluit (in het bijzonder blz. 60) al blijkt dat de Besluitgever de belangen van de landbouwluchtvaartbedrijven bij haar afweging heeft betrokken, zodat reeds daarom strijd met het eerste lid van dit artikel niet aan de orde is.

3.13 Ten aanzien van het tweede lid van artikel 3:4 Awb staat voorop dat de Besluitgever naast het belang van [eisers1t/m7] diverse andere belangen moest afwegen, zoals de bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging en de continuïteit van de landbouw. Uit de nota van toelichting blijkt van een zodanige belangenafweging. Niet kan worden gesteld dat de Besluitgever bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot de instelling van een spuitvrije zone van 14 meter voor bespuiting met bestrijdingsmiddelen vanuit luchtvaartuigen heeft kunnen komen. Weliswaar wordt door [eisers1t/m7] gesteld dat de Staat minder ingrijpende maatregelen niet heeft onderzocht, maar uit de nota van toelichting bij het Besluit blijkt dat hij zodanige maatregelen wel degelijk heeft overwogen, doch dat hij deze wegens onzekerheid over de effectiviteit en de handhaafbaarheid ervan bij de totstandkoming van het Besluit daarin niet heeft kunnen opnemen; hij heeft evaluatie van het Besluit en aanpassing aan nieuwe bewezen technieken in het vooruitzicht gesteld. Mede in het licht van het feit dat de Besluitgever het spuiten met bestrijdingsmiddelen vanuit luchtvaartuigen niet geheel heeft verboden, is de rechtbank van oordeel dat de Besluitgever redelijkerwijs kon vaststellen dat de nadelige gevolgen van het Besluit voor [eisers1t/m7] niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het Besluit te dienen doelen.

3.14 Dit wordt niet anders doordat niet in een schadevergoeding voor de landbouwluchtvaartbedrijven is voorzien. Dit oordeel is er in de eerste plaats op gebaseerd dat het Besluit voor de hele sector geldt, zodat niet aan een klein gedeelte ervan bijzondere lasten worden opgelegd die de overigen bespaard blijven. Bovendien is sinds lang aan de betrokken bedrijven bekend dat het verspuiten van bestrijdingsmiddelen onder grote maatschappelijke druk staat en is vanaf 1995 voor deze bedrijven voorzienbaar geweest dat maatregelen zouden worden getroffen ter regulering van het spuiten vanuit luchtvaartuigen. De bedrijven zijn in de gelegenheid geweest om voor de inwerkingtreding van het Besluit hun bedrijfsvoering aan te passen en alternatieve spuitmethoden te ontwikkelen die niet de bezwaren met zich brachten die tot de spuitvrije zone van 14 meter hebben geleid. Het treffen van de maatregelen moet worden geacht tot het normale bedrijfsrisico van [eisers1t/m7] te behoren. Onder deze omstandigheden behoefde de Besluitgever niet in een schadevergoeding voor de landbouwluchtvaart­ bedrijven te voorzien.

discriminatieverbod

3.15 [eisers1t/m7] hebben aangevoerd dat het Besluit in strijd is met het discriminatieverbod, omdat, naar zij stellen, uit onderzoek van IMAG-dlo in 1999 en 2000 blijkt dat het driftpercentage van luchtvaartuigen lager ligt dan dat van spuitkarren en der dus geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor is om bij luchtvaartspuitingen een spuitvrije zone van 14 meter te hanteren, terwijl voor spuitkarren een spuitvrije zone van maximaal één meter geldt.

3.16 De rechtbank merkt op dat ook hier heeft te gelden dat ter beoordeling van de vraag of bij de totstandkoming van het Besluit sprake is geweest van discriminatie, slechts rekening kan worden gehouden met hetgeen voor 27 januari 2000 aan de Staat bekend was of had behoren te zijn, zoals in rechtsoverweging 3.10 is overwogen. Gelet hierop stuit deze stelling van [eisers1t/m7] erop af dat, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 3.7 heeft overwogen, de Staat op dat moment redelijkerwijs kon concluderen dat vliegtuigtoepassingen veel meer drift veroorzaakten naar het oppervlaktewater dan een gangbare veldspuit. Derhalve is het Besluit ook niet in strijd met het discriminatieverbod.

Overigens

3.17 [eisers1t/m7] hebben de Staat bij pleidooi nog verweten dat deze nadat het Besluit was vastgesteld, gemaakte afspraken (tot gedogen dan wel tot wijziging van het Besluit bij positieve onderzoeksresultaten) niet is nagekomen; de Staat heeft dat bestreden. Wat daar ook van zij, dit kan er niet toe leiden dat het Besluit zelf of onderdelen daarvan onrechtmatig zijn, doch hoogstens dat het niet nakomen van die afspraken onrechtmatig is. Nu een daartoe strekkende vordering ontbreekt (bij voorbeeld in de vorm van een verklaring voor recht; de enkele, niet zelfstandig toegelichte vordering van schorsing van het Besluit of delen daarvan vermag de rechtbank niet aldus te lezen), zal de rechtbank deze kwestie in het midden laten.

3.18 [eisers1t/m7] hebben zich in hun vordering ook gekeerd tegen artikel 28 van het Besluit, waarin de afbakeningsregeling tussen de voorschriften op grond van de Wvo en die op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 is gewijzigd. Zij stellen dat de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 de bescherming van het oppervlaktewater voldoende regelt en dat de wijziging leidt tot onduidelijke en dubbele situaties die de wetgever wilde en dient te voorkomen. Zij stellen dat zij daarom voldoende belang hebben bij het onverbindend verklaren, althans buiten werking stellen van (ook) artikel 28 van het Besluit.

3.19 Nog daargelaten dat [eisers1t/m7] niet hebben toegelicht waarom deze wijziging van de afbakeningsregeling als zodanig jegens hen onrechtmatig is, is de rechtbank van oordeel dat, nu noch in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, noch in de Wvo een afbakeningsregeling terzake is opgenomen, de wetgever die afbakening kennelijk heeft willen delegeren aan de Besluitgever. Het staat de Besluitgever dan in beginsel vrij om, afhankelijk van de omstandigheden, die afbakening naar eigen inzicht vorm te geven. Omstandigheden waarom dat in het onderhavige geval op onrechtmatige wijze zou zijn gebeurd zijn gesteld noch gebleken.

3.20 Gelet op hetgeen hierboven is overwogen liggen de vorderingen van [eisers1t/m7] voor afwijzing gereed. Zij zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De rechtbank

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eisers1t/m7] hoofdelijk in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 181,51 aan griffierecht en op € 1561,00 aan salaris procureur, des dat een van hen betalende de anderen zullen zijn gekweten.

Dit vonnis is gewezen door mrs R.A.C. van Rossum, M.J. van den Bergh en A.V. van den Berg en bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend en uitgesproken door mr A.V. van den Berg ter openbare terechtzitting van 20 maart 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.