Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7269

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-03-2002
Datum publicatie
05-09-2002
Zaaknummer
00/1187
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Lozingenbesluit open teelt en veehouderij
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJK 2002, 25
M en R 2003/79 met annotatie van H.F.M.W. van Rijswick
JWA 2005/3
JWA 2005/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - meervoudige kamer

Vonnis in de zaak met rolnummer 00/1187 van:

de maatschap naar burgerlijk recht [eisers],

gevestigd te Nieuwenhoorn,

en 283 anderen, zoals vermeld op de aan dit vonnis gehechte kopie van de bladzijden 1 tot en met 12 van de dagvaarding,

eisers,

procureur mr P.J.M. van Schmidt auf Altenstadt,

tegen

de STAAT DER NEDERLANDEN (ministeries van Verkeer en Waterstaat, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Sociale Zaken en Werkgelegenheid),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr J.H. Geerdink.

Partijen worden aangeduid als [eisers] en de Staat.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding en de zakelijk daarmee overeenstemmende conclusie van eis met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek met producties;

- een akte overlegging producties pleidooi zijdens [eisers], met producties.

Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, [eisers] door mr W.M. Bijloo, advocaat te Middelharnis, de Staat door zijn procureur. Zij hebben pleitnotities overgelegd.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. de feiten

1.1 [eisers] zijn in hoofdzaak akkerbouwers. Hun bedrijven liggen verspreid in Nederland en zijn gevestigd in gebieden waar van oudsher traditionele akkerbouwgewassen worden geteeld. Veelal zijn dit aardappelen en uien.

1.2 Bij Koninklijk besluit van 27 januari 2000 is het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij (verder: het Besluit) vastgesteld. Het Besluit is in werking getreden op 29 februari 2000. In het Besluit worden in de artikelen 13 en 14 zones ingesteld langs oppervlaktewater waarop, afgezien van grasland, geen gewassen of niet hetzelfde gewas als op de rest van het perceel geteeld mogen worden (verder: teeltvrije zones), tenzij gebruik wordt gemaakt van een emissiescherm dat aan bepaalde eisen voldoet. De breedte van de teeltvrije zones is afhankelijk van het soort gewas dat geteeld wordt. Voorts wordt in artikel 15, tweede en derde lid, bepaald dat binnen een zone van 14 meter vanaf de insteek van oppervlaktewater geen bestrijdingsmiddelen met een luchtvaartuig gebruikt mogen worden. Bovendien is in artikel 16 van het Besluit bepaald dat de teeltvrije zones (behoudens een uitzondering) tevens gelden als mestvrije zones. In artikel 28 van het Besluit is het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren (verder: Wvo) aldus gewijzigd dat (zakelijk weergegeven) regels met betrekking tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen in het Besluit kunnen worden opgenomen.

2 de vordering, de grondslag en het verweer

2.1 [eisers] vorderen thans (na wijziging van eis bij conclusie van repliek) dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- primair de Staat zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] een vergoeding te betalen voor de door hen geleden en nog te lijden schade veroorzaakt door het Besluit en de daarin genoemde mest- en teeltvrije zones, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, telkens na afloop van een jaar te vermeerderen met de over dat jaar verschuldigde rente conform artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek,

- subsidiair het Besluit, althans de artikelen 13, 14, 15, 16 en 28 van het Besluit zal vernietigen, althans ten aanzien van een ieder, althans ten aanzien van [eisers] onverbindend zal verklaren, althans buiten werking zal stellen, althans zal schorsen, dan wel

- meer subsidiair de Staat zal gebieden na betekening van dit vonnis het Besluit, althans de artikelen 13, 14, 15, 16 en 28 van het Besluit ten aanzien van een ieder, althans ten aanzien van [eisers] buiten toepassing te laten,

met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

2.2 [eisers] voeren als grondslag voor hun vordering aan dat het Besluit zich niet verdraagt met artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: het Protocol), de op het EG-verdrag gebaseerde regelgeving en artikel 14 van de Grondwet, het Besluit is genomen in strijd is met de wet, het Besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd en dat het Besluit is genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Zij stellen dat zij door het Besluit ernstig worden gedupeerd en dat zij daardoor aanzienlijke schade zullen lijden.

2.3 Zij voeren in de eerste plaats aan dat, doordat voorzien wordt in een teeltvrije zone, elk zinvol gebruik van de eigendom onmogelijk wordt gemaakt, zodat deze zone de facto leidt tot onteigening van de grond. Nu niet in schadevergoeding is voorzien stellen zij dat er sprake is van strijd met artikel 1 van het Protocol en met artikel 14 van de Grondwet, dat onteigening alleen toestaat als vooraf een schadeloosstelling is verzekerd, en met het communautaire recht, met name de richtlijn Waterverontreiniging (Richtlijn 76/464/EEG).

2.4 Voor het geval dat de rechtbank van oordeel is dat een teeltvrije zone niet neerkomt op onteigening stellen [eisers] zich subsidiair op het standpunt dat sprake is van regulering van de eigendom. Zij betwisten dat het algemeen belang door het Besluit wordt gediend omdat het niet leidt tot vermindering van de verontreiniging van het oppervlaktewater. Zij voeren voorts aan dat het Besluit een disproportionele last legt op het kleine groepje akkerbouwers ter bescherming van vervuiling van de natuur, hetgeen in het belang is van iedere Nederlander.

2.5 Op grond van hun in de rechtsoverwegingen 2.3 en 2.4 weergegeven stellingen vorderen [eisers] primair schadevergoeding.

2.6 Voorts stellen [eisers] dat het Besluit in strijd is met het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wvo, nu in artikel 4, eerste lid, van dat besluit voor lozingen als de onderhavige een vergunningseis is gesteld, terwijl het Besluit inhoudt dat er geen vergunningplicht is.

2.7 Bovendien voeren zij aan dat voor het teeltverbod de grondslag in de Wvo ontbreekt. Zij stellen dat noch de Wvo, noch de Bestrijdingsmiddelenwet de Staat de bevoegdheid verleent bij algemene maatregel van bestuur agrariërs te verbieden te telen langs de insteek van oppervlaktewater. Zij stellen voorts dat een teeltverbod geen maatregel is die nodig is ter bescherming van het oppervlaktewater, omdat de gehanteerde waarden voor het maximaal toelaatbare risico niet staan voor het 95% risiconiveau waarvoor ze horen te staan, goede meetgegevens ontbreken waaruit de noodzaak blijkt, en onderzoek ontbreekt waaruit blijkt dat juist teeltvrije zones nodig zijn, terwijl uit onderzoek wel blijkt dat De Goede Landbouwpraktijk (een set emissiereducerende praktijkmaatregelen, zoals toepassing van bepaalde spuitdoppen en spuitapparatuur) milieutechnisch effectief is.

2.8 Met betrekking tot artikel 15 van het Besluit voeren [eisers] aan dat daarin het vliegtuigspuiten onmogelijk wordt gemaakt, terwijl zij niet althans op cruciale momenten niet zonder vliegtuigbespuitingen kunnen.

2.9 Vervolgens voeren [eisers] aan dat het Besluit in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb), in het bijzonder de daarin opgenomen onderzoeksverplichting (artikel 3:2), de verplichting tot belangenafweging en het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4), alsmede het motiveringsbeginsel (artikel 3:46).

2.10 Ten slotte voeren [eisers] aan dat het Besluit in strijd is met het in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de Grondwet en het in het bestuursrecht verankerde gelijkheidsbeginsel, omdat ingevolge de artikelen 13, 14 en 16 van het Besluit geen teelt- en mestvrije zones gelden voor de biologische teelt en er geen rechtvaardigingsgrond is de reguliere teler anders te behandelen dan de biologische teler.

2.11 De Staat voert gemotiveerd verweer.

3 beoordeling

Europees recht

3.1 De door [eisers] bedoelde Richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de gemeenschap worden geloosd (verder: de Richtlijn), bevat geen enkele regeling inzake onteigening en voorziet niet in enige schadevergoeding. [eisers] hebben verder op geen enkele wijze gemotiveerd waarom het Besluit in dit verband in strijd zou zijn met het communautaire recht of met deze richtlijn. De rechtbank kan dat zonder nadere motivering niet inzien, zodat zij deze stelling verder zal passeren.

3.2 Bij pleidooi is de raadsman van [eisers] nog ingegaan op de vastgestelde en op 22 december 2000 gepubliceerde Kaderrichtlijn water (verder: de Kaderrichtlijn). Hij heeft aangevoerd dat de Kaderrichtlijn nog niet geldig is en dat tot 23 december 2013 de Richtlijn nog blijft gelden en daarmee (zo bedoelt de raadsman kennelijk) het vereiste van een vergunningstelsel.

3.3 Hoewel zijdens [eisers] in de eerdere conclusies in het geheel niet op deze grondslag van de vordering is ingegaan, begrijpt de rechtbank dat zij in deze zaak op dit punt hetzelfde aan hun vordering ten grondslag wensen te leggen als door de Vereniging voor Nederlandse Landbouwluchtvaartbedrijven c.s. op dit punt in de zaak met rolnummer 00/1511 mede aan een soortgelijke vordering ten grondslag is gelegd, namelijk dat het Besluit is strijd is met de Richtlijn, omdat daarin is voorgeschreven dat de Staat gebruik moet maken van een vergunningstelsel en het rechtsgevolg van het Besluit is dat voor het lozen geen vergunning meer is vereist. Mede omdat de Staat bij conclusie van antwoord op deze (kennelijk toen door hem veronderstelde) grondslag is ingegaan en daarop ten pleidooie nog heeft gereageerd, zal de rechtbank ondanks de gebrekkige procesvoering hierover een oordeel geven.

3.4 De rechtbank is van oordeel dat het Besluit noch in strijd is met de Richtlijn , noch met richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (verder: de Kaderrichtlijn). Het Besluit is reeds daarom niet in strijd met de Richtlijn, omdat ingevolge artikel 10 van de Richtlijn de Lid-Staten in voorkomend geval afzonderlijk of gezamenlijk strengere voorschriften kunnen vaststellen dan die welke bij de Richtlijn worden beoogd. Dat omvat naar het oordeel van de rechtbank de bevoegdheid om lozingen die op grond van de Richtlijn in individuele gevallen met toepassing van een vergunningstelsel nog zouden kunnen worden toegestaan, geheel te verbieden of anderszins aan beperkingen te onderwerpen; daarvan is in het Besluit, waarin het brengen van bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewateren door spuiten vanuit luchtvaartuigen wordt verboden en waarin een teeltvrije zone wordt ingesteld die een substantiële vermindering van de oppervlaktewaterverontreiniging door drift van bestrijdingsmiddelen beoogt, sprake.

3.5 Het Besluit strijdt evenmin met de Kaderrichtlijn, nu deze in artikel 11, derde lid, onder g en h, naast een vergunningstelsel ook andere middelen van voorafgaande regulering, waaronder een algemeen verbod toelaat. De rechtbank merkt bovendien nog op dat, anders dan zijdens [eisers] ten pleidooie nog is betoogd, het feit dat de Richtlijn ingevolge artikel 22, tweede lid, van de Kaderrichtlijn in hoofdzaak pas 13 jaar na de inwerkingtreding van de Kaderrichtlijn wordt ingetrokken, de Lid-Staten er niet toe verplicht het vergunningstelsel dat in de opvatting van VNL c.s. ingevolge de Richtlijn verplicht zou zijn, tot dat tijdstip te handhaven; beoogd wordt blijkens overweging 53 van de Kaderrichtlijn dat de Richtlijn wordt ingetrokken zodra de betreffende bepalingen van de Kaderrichtlijn volledig zijn tenuitvoergelegd. Daarmee wordt voorkomen dat gedurende die periode lacunes in de Europese regelgeving ontstaan.

eigendomsrecht

3.6 De rechtbank is van oordeel dat van onteigening in de zin van artikel 14 van de Grondwet of van ontneming van een "possession" in de zin van artikel 1 van het Protocol geen sprake is. In de eerste plaats mogen de teelt- en mestvrije zones (die een beperkte breedte hebben) niet los worden gezien van het totale grondbezit van elk van de betrokken landbouwers. Bovendien wordt door de teelt- en mestvrije zones niet elk zinvol gebruik onmogelijk gemaakt: de regeling bevat immers uitzonderingen, terwijl bij overstappen naar een andere, namelijk biologische teeltmethode in het geheel geen teelt- en mestvrije zones gelden.

3.7 De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of de teelt- en mestvrije zone in het algemeen belang gerechtvaardigd en zonder schadevergoedingsregeling proportioneel is, aan de Staat een ruime beoordelingsmarge toekomt.

3.8 Tegenover de stelling van [eisers] dat de maatregelen genoemd in de artikelen 13, 14, 15, 16 en 28 van het Besluit niet leiden tot een vermindering van de verontreiniging van oppervlaktewater, welke stelling zij niet verder onderbouwen dan met de stelling dat voldoende en wetenschappelijk onderzoek naar de noodzaak van de maatregelen en de effecten van de maatregelen ontbreekt, staan de door de Staat bij conclusie van antwoord en van dupliek overgelegde rapporten, in het bijzonder de bij conclusie van dupliek overgelegde producties 13 en 18. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de Staat redelijkerwijs kon concluderen dat de betreffende maatregelen leiden tot vermindering van de oppervlaktewaterverontreiniging. Daaraan doet niet af dat nog wetenschappelijke onzekerheid bestaat ten aanzien van onderdelen van de onderbouwing van het beleid.

3.9 De rechtbank is van oordeel dat bedoelde maatregelen niet disproportioneel zijn, aangezien de teelt- en mestvrije zone een beperkte breedte heeft, voorzien is in een speciale regeling voor smalle percelen, in artikel 3 van het Besluit een regeling is opgenomen die het de gebruikers van de percelen mogelijk maakt een gelijkwaardige bescherming van het oppervlaktewater te realiseren door andere maatregelen dan een teelt- en mestvrije zone en de invoering van de in artikel 14 van het Besluit opgenomen bredere teeltvrije zone pas plaatsvindt nadat agrariërs de gelegenheid hebben gehad nieuwe technieken tot ontwikkeling te brengen. Dit wordt niet anders door het ontbreken van een schadevergoedingsregeling, aangezien ingevolge het beginsel "de vervuiler betaalt" de kosten van maatregelen ter beperking van oppervlaktewaterverontreiniging in beginsel door de veroorzakers ervan (in geval van drift en afspoeling het landbouwbedrijfsleven dat de bestrijdingsmiddelen toepast en de mest gebruikt) dienen te worden gedragen en zij reeds geruime tijd, doch in elk geval vanaf 1996 (het tijdstip waarop de minister van Verkeer en Waterstaat haar voornemen om tot het Besluit te komen aan de sector kenbaar maakte) ervan op de hoogte waren of hadden kunnen zijn dat de drift, de afspoeling en de oppervlakkige uitspoeling vanaf agrarische percelen zouden worden gereguleerd.

Wvo

3.10 Voor zover [eisers] aanvoeren dat het Besluit in strijd is met het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wvo overweegt de rechtbank als volgt. Zo een zodanige strijd al zou bestaan, dan leidt die er niet toe dat het Besluit onverbindend is of het nemen ervan onrechtmatig. Het gaat immers om twee algemene maatregelen van bestuur; deze hebben gelijke rang. Voor zover deze besluiten niet naast elkaar zouden kunnen worden toegepast, kan met behulp van de gebruikelijke conflictregels (zoals het lex specialis- en het lex posteriorbeginsel) worden vastgesteld welke regel voorrang heeft. Daarenboven geldt dat in de Wvo zelf in deze samenloop is voorzien. Het Besluit rust op artikel 2a van de Wvo. In artikel 2c, eerste lid, van de Wvo is de mogelijkheid opgenomen dat in een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2a van de Wvo de bevoegdheid wordt gegeven bij het verlenen van een vergunning op grond van artikel 1 van de Wvo (waaronder ook een vergunning als bedoeld in artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wvo valt) af te wijken van de regels in die algemene maatregel van bestuur. Het stelsel van de Wvo brengt dan mee dat, voor zover een dergelijke bevoegdheid niet wordt verleend, de regel in de algemene maatregel van bestuur voorrang heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is van strijd dus geen sprake.

3.11 Anders dan [eisers] is de rechtbank van oordeel dat voor het vaststellen van een teelt- en mestvrije zone op grond van de Wvo wel degelijk de bevoegdheid bestaat. In het Besluit kunnen voorschriften worden opgenomen, gericht op het voorkomen en beperken van emissie waarvan voorzienbaar is dat deze tot een verontreiniging van het oppervlaktewater kan leiden. Indien gewassen met bestrijdingsmiddelen worden bespoten en worden bemest zonder dat een bufferzone in acht wordt genomen, is voorzienbaar dat het oppervlaktewater door driftemissie, afspoeling en oppervlakkige uitspoeling wordt verontreinigd. Er bestaat voldoende causaal verband tussen die vormen van emissie en de voorzienbare verontreiniging van het oppervlaktewater om het voorschrijven van een teelt- en mestvrije zone te kunnen rechtvaardigen. Nu dit met zich brengt dat het instellen van teelt- en mestvrije zones op grond van de Wvo mogelijk is, behoeft de vraag of teeltvrije zones ook kunnen worden ingesteld op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, geen bespreking meer.

3.12 Met betrekking tot de stelling van [eisers] dat de noodzaak van de teelt- en mestvrije zone niet is aangetoond, stelt de rechtbank voorop dat aan de Besluitgever een ruime vrijheid toekomt bij de beoordeling van de noodzaak van uitvoeringsregelgeving.

3.13 Inzake het maximaal toelaatbaar risiconiveau heeft te gelden dat dit niet een wettelijk toetsingskader betreft, maar een beleidskader dat het mogelijk maakt de risico's van handelingen met stoffen op zoveel mogelijk vergelijkbare wijze te beoordelen. Dat dat beleidskader nog onderwerp is van wetenschappelijke discussie doet aan de toepasbaarheid daarvan niet af. Niet is gesteld of gebleken dat de Staat bij het Besluit van dat beleidskader is afgeweken; evenmin is gesteld of gebleken dat er redenen zijn waarom de Staat van dit beleidskader had moeten afwijken.

3.14 De rechtbank stelt vast dat blijkens de stukken het Besluit in hoofdzaak stoelt op meetgegevens die zijn verzameld over de jaren 1994 tot en met 1996 en die zijn getoetst door de Commissie Integraal Waterbeheer, een aan de overheid verbonden coördinerend orgaan dat zich onder meer ten doel stelt te adviseren omtrent het onderzoek naar verschillende aspecten van de oppervlaktewaterkwaliteit. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de tijd die het totstandbrengen van besluiten nu eenmaal met zich brengt, de Staat bij het Besluit mocht uitgaan van meetgegevens over deze periode; niet kan worden verlangd dat voorafgaand aan het Besluit nog bijzondere metingen worden verricht. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de Staat bij het Besluit recentere meetgegevens buiten beschouwing heeft gelaten. Dat bepaalde analyseresultaten bij de genoemde toetsing buiten beschouwing zijn gelaten, doet, nu de Commissie Integraal Waterbeheer daarmee bij haar eindoordeel rekening heeft gehouden, niet af aan de bevoegdheid van de Staat om het Besluit mede op de onderhavige meetgegevens te baseren.

3.15 Met betrekking tot De Goede Landbouwpraktijk stelt de rechtbank voorop dat met het Besluit mede is beoogd deze voor alle bedrijven verplicht te stellen. De Staat kon naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie komen dat daarnaast teelt- en mestvrije zones noodzakelijk waren uit oogpunt van effectiviteit en handhaafbaarheid om de beoogde reductie van 90 % van de verontreiniging van het oppervlaktewater door drift, afspoeling en oppervlakkige uitspoeling te bereiken. De verwachte effectiviteit van deze maatregelen heeft de Staat naar het oordeel van de rechtbank, gelet op in het bijzonder productie 18 bij de conclusie van dupliek, voorafgaand aan de totstandkoming van het Besluit voldoende nagegaan, temeer daar bij die voorbereiding belanghebbenden via hun belangenorganisaties zijn betrokken.

3.16 Gelet op hetgeen in de rechtsoverwegingen 3.12 tot en met 3.15 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de Staat in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat teelt- en mestvrije zones nodig waren ter bescherming van oppervlaktewater tegen verontreiniging.

Awb

3.17 De rechtbank stelt hier voorop, dat ingevolge artikel 3:1 Awb op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften, afdeling 3.2 van die wet slechts van toepassing is voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet, en afdeling 3.7 van die wet niet van toepassing is. Dat leidt ertoe dat, anders dan [eisers] betogen, de rechtbank niet toekomt aan rechtstreekse toetsing aan het motiveringsbeginsel, aangezien dat is neergelegd in de in afdeling 3.7 van die wet opgenomen artikelen 3:46 en 3:47 Awb. De motivering van het Besluit kan dientengevolge slechts mede worden betrokken bij de vraag of het Besluit zorgvuldig is voorbereid (artikel 3:2 Awb), of belangenafweging heeft plaatsgevonden en het evenredigheidsbeginsel is geschonden (beide artikel 3:4 Awb). Bij de toetsing aan de in deze artikelen neergelegde beginselen heeft te gelden dat zowel de aard van de wetgevende functie als de positie van de rechter in het staatsbestel meebrengen dat de rechtbank daarbij terughoudendheid moet betrachten.

3.18 Bovendien geldt als uitgangspunt dat de rechtbank voor de beoordeling of sprake is van schending van de artikelen 3:2 en 3:4 Awb slechts acht kan slaan op gegevens die voorafgaande aan de vaststelling van het Besluit bij de Staat bekend waren of behoorden te zijn. Dat leidt ertoe dat de rechtbank bij deze beoordeling de overgelegde producties die tot stand zijn gekomen na 27 januari 2000 slechts bij die beoordeling zal betrekken voor zover deze gegevens bevatten die voor die datum aan de Staat bekend waren of bekend hadden moeten zijn.

3.19 Met betrekking tot artikel 3:2 Awb merkt de rechtbank op dat dit artikel niet eist dat de Besluitgever elk mogelijk of door een belanghebbende gewenst, al dan niet wetenschappelijk, onderzoek verricht. Het vereist slechts dat de Besluitgever de kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart die zij redelijkerwijs nodig heeft; daarbij dient zij zich rekenschap te geven van de stand van de wetenschap, voor zover van belang. Uit de nota van toelichting bij het Besluit blijkt dat de Besluitgever zich in ruime mate op de hoogte heeft gesteld van de relevante feiten en dat zij met de betrokken belanghebbenden overleg heeft gevoerd, waarbij belanghebbenden hun standpunt naar voren hebben gebracht. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank, terughoudend toetsende als in rechtsoverweging 3.17 beschreven, van oordeel dat de Staat voldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de voorbereiding van het Besluit.

3.20 Met betrekking tot artikel 3:4 Awb merkt de rechtbank in de eerste plaats op dat uit de nota van toelichting bij het Besluit al blijkt dat de Besluitgever de belangen van alle betrokken groeperingen bij haar afweging heeft betrokken, zodat reeds daarom strijd met het eerste lid van dit artikel niet aan de orde is.

3.21 Ten aanzien van het tweede lid van artikel 3:4 Awb staat voorop dat de Besluitgever naast het belang van [eisers] diverse andere belangen moest afwegen, zoals de bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging en de belangen van de landbouwluchtvaart- en de landbouwmechanisatiebedrijven. Uit de nota van toelichting blijkt van een zodanige belangenafweging, waarbij mede is ingegaan op de bedrijfscontinuïteit en de gevolgen voor de gezinsinkomens in de agrarische sector. Niet kan worden gesteld dat de Besluitgever bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot de instelling van teelt-, spuit- en mestvrije zones heeft kunnen komen. Weliswaar wordt door [eisers] gesteld dat de Staat minder ingrijpende maatregelen niet heeft onderzocht, maar uit de nota van toelichting bij het Besluit en uit de bij conclusie van dupliek overgelegde productie 18 blijkt dat de Staat alle mogelijke maatregelen heeft overwogen, doch dat hij heeft gekozen voor een pakket dat aan de betrokken belangen zoveel mogelijk recht deed, dat naar verwachting effectief zou zijn en dat handhaafbaar was. Daarbij is De Goede Landbouwpraktijk verplicht gesteld, doch is tevens gekozen voor aanvullende voorschriften, zoals teelt-, spuit- en mestvrije zones. De Besluitgever heeft evaluatie van het Besluit en aanpassing aan nieuwe bewezen technieken in het vooruitzicht gesteld. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het beginsel "de vervuiler betaalt" met zich brengt dat, anders dan [eisers] kennelijk beogen, de kosten van onderzoek naar betere spuittechnieken en -methoden in beginsel door de veroorzakers van de oppervlaktewaterverontreiniging dienen te worden gedragen. Het treffen van de maatregelen moet worden geacht tot het normale bedrijfsrisico van [eisers] te behoren.

3.22 [eisers] hebben hun stelling dat zij vliegtuigspuiten niet kunnen missen, niet onderbouwd. Zij hebben bovendien onvoldoende onderbouwd op welke "cruciale" momenten en waarom zij niet zonder vliegtuigbespuitingen zouden kunnen. Het enkele feit dat onder bijzondere omstandigheden bij de bestrijding van plantenziekten mogelijk problemen zouden kunnen ontstaan, kan naar het oordeel van de rechtbank geen reden kan zijn om helemaal af te zien van het beperken van het spuiten met bestrijdingsmiddelen vanuit luchtvaartuigen. Daarbij komt dat in artikel 21 van het Besluit is bepaald dat de artikelen 13, 14 en 15 niet van toepassing zijn, indien de directeur van de Plantenziektenkundige Dienst het gebruik van bepaalde bestrijdingsmiddelen of het toepassen van een bepaalde spuittechniek op grond van bijzondere fytosanitaire omstandigheden heeft voorgeschreven.

3.23 Gelet op hetgeen in de rechtsoverwegingen 3.21 en 3.22 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de Besluitgever in redelijkheid kon vaststellen dat de nadelige gevolgen van het Besluit voor [eisers] niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het Besluit te dienen doelen.

discriminatieverbod

3.24 Met betrekking tot de beweerde schending van het discriminatieverbod heeft de Staat als verweer gevoerd dat er zodanige verschillen bestaan tussen biologische en andere telers met betrekking tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen, dat geen sprake is van gelijke gevallen. Voor zover nog schadelijke bestrijdingsmiddelen in de biologische teelt, wordt in de nota van toelichting bij het Besluit ook daarbij een smalle teeltvrije zone in het vooruitzicht gesteld (blz. 61). Bovendien is uit onderzoek gebleken dat bij biologische teelt ook de mestbelasting van het oppervlaktewater aanzienlijk lager is dan bij de gangbare teelt (zie blz. 90 van de nota van toelichting bij het Besluit). Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er zodanige verschillen zijn tussen de normale teelt en de biologische teelt dat door het Besluit geen schending optreedt van het discriminatieverbod.

Overigens

3.25 [eisers] hebben bij pleidooi nog aangevoerd dat een aantal rapporten niet tot bewijs van de stellingen van de Staat mag dienen, omdat de instellingen die die rapporten hebben opgesteld, aan de Staat gelieerd zijn. Zij voeren evenwel ook aan dat het de Staat is die door het doen van onderzoek moet aantonen dat het nemen van maatregelen noodzakelijk is. Voorts beroepen zij zich ter onderbouwing van hun eigen standpunten eveneens op rapporten, opgesteld door instituten die aan de Staat zijn gelieerd, zoals TNO, DLO en universitaire instituten. Aanvaarding van de stelling van [eisers] zou ertoe leiden dat in zaken tegen de Staat rapporten van aan de Staat gelieerde instellingen in de praktijk slechts een rol zouden spelen voor zover zij de stellingen onderbouwen van degenen die door de Staat genomen maatregelen betwisten. Dat voert te ver. Om te bewerkstelligen dat een rapport dat is opgesteld door een aan de Staat gelieerd instituut, door de rechtbank buiten beschouwing moet worden gelaten, zullen [eisers] moeten aantonen dat dat rapport hetzij door zijn inhoud, hetzij door zijn wijze van totstandkoming de toets der kritiek niet kan doorstaan. Daartoe is onvoldoende dat, zoals door [eisers] is gesteld, het rapport is opgesteld in het kader van de voorbereiding of uitvoering van het Besluit of de discussie die daarbij is of wordt gevoerd, of dat het rapport (mede) is opgesteld, dan wel de opstelling mede is begeleid door een persoon die in zijn vrije tijd als lid van een milieugroep standpunten heeft ingenomen. De rechtbank zal bedoelde rapporten dus niet buiten beschouwing laten. De rechtbank acht zich overigens voldoende voorgelicht en zal daarom het aan het eind van het pleidooi gedane (algemene) bewijsaanbod door deskundigen passeren; voor ander bewijs zoals aangeboden ziet de rechtbank evenmin grond, aangezien de aan de rechtbank voorgelegde geschilpunten niet van feitelijke aard zijn, doch zich concentreren rond de rechtsvraag of de Staat bij de voorbereiding van het Besluit doelmatig en zorgvuldig te werk is gegaan.

3.26 [eisers] hebben zich in hun vordering ook gekeerd tegen artikel 28 van het Besluit, waarin de afbakeningsregeling tussen de voorschriften op grond van de Wvo en die op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 is gewijzigd. Zij stellen dat de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 de bescherming van het oppervlaktewater voldoende regelt en dat de wijziging leidt tot onduidelijke en dubbele situaties die de wetgever wilde en dient te voorkomen. Zij stellen dat zij daarom voldoende belang hebben bij het onverbindend verklaren, althans buiten werking stellen van (ook) artikel 28 van het Besluit.

3.27 Nog daargelaten dat [eisers] niet hebben toegelicht waarom deze wijziging van de afbakeningsregeling als zodanig jegens hen onrechtmatig is, is de rechtbank van oordeel dat, nu noch in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, noch in de Wvo een afbakeningsregeling terzake is opgenomen, de wetgever die afbakening kennelijk heeft willen delegeren aan de Besluitgever. Het staat de Besluitgever dan in beginsel vrij om, afhankelijk van de omstandigheden, die afbakening naar eigen inzicht vorm te geven. Omstandigheden waarom dat in het onderhavige geval op onrechtmatige wijze zou zijn gebeurd zijn gesteld noch gebleken.

3.28 Gelet op hetgeen hierboven is overwogen liggen de vorderingen van [eisers] voor afwijzing gereed. Zij zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De rechtbank

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 181,51 aan griffierecht en op € 1561,00 aan salaris procureur, des dat een van hen betalende de anderen zullen zijn gekweten.

Dit vonnis is gewezen door mrs R.A.C. van Rossum, M.J. van den Bergh en A.V. van den Berg en bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend en uitgesproken door mr A.V. van den Berg ter openbare terechtzitting van 20 maart 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.