Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7263

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2002
Datum publicatie
05-09-2002
Zaaknummer
AWB 49/12441
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Driejarenbeleid / contra-indicaties / individuele ambtsberichten. Verweerder heeft eiser een

vtv op grond van het driejarenbeleid onthouden, nu hij onjuiste gegevens heeft verstrekt.

Daartoe wordt verwezen naar de in onderhavige zaak uitgebrachte individuele

ambtsberichten van 12 november 1996 en 26 november 1997. De rechtbank heeft

aanleiding gezien de onderliggende stukken van deze ambtsberichten op te vragen. Door

de Nationale ombudsman is kritiek geuit op de wijze van totstandkoming van individuele

ambtsberichten in de periode waaruit ook de onderhavige ambtsberichten stammen. Tegen

die achtergrond zal de rechtbank beoordelen of verweerder eiser terecht heeft

tegengeworpen dat uit de ambtsberichten blijkt dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt.

Allereerst wordt opgemerkt dat het ambtsbericht van 12 november 1996 op onderdelen aanknopingspunten biedt voor het relaas van eiser. Voorts heeft eiser de informatie in de ambtsberichten gemotiveerd en onderbouwd bestreden. Dit doet, in het licht van het reeds overwogene, verder afbreuk aan de betrouwbaarheid van de informatie die door de minister van Buitenlandse Zaken in voornoemd ambtsbericht is neergelegd. Beroep gegrond wegens motiveringsgebrek.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 11, geldigheid: 2002-07-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 49/12441 VRWET A

UITSPRAAK van de meervoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken, inzake het beroep van:

A, geboren op [...] 1968, afkomstig uit de Democratische Republiek Congo (DRC), eiser,

gemachtigde: mr. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat te Nieuwegein,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. C.M. Bergman, advocaat te Den Haag.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 30 oktober 1994 heeft eiser aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij beschikking van 1 februari 1995 heeft verweerder deze aanvragen niet ingewilligd. Eiser heeft tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend en de president van deze rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het bezwaarschrift is beslist.

Bij uitspraak van 20 oktober 1995 heeft de president de gevraagde voorlopige voorziening afgewezen.

Bij beschikking van 19 december 1997 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Verweerder heeft eiser per brief van 2 maart 1998 bericht dat laatstgenoemde beschikking zou worden ingetrokken. Vervolgens is eiser op 12 oktober 1999 in de gelegenheid gesteld zijn bezwaarschrift mondeling nader toe te lichten voor een ambtelijke commissie.

Bij beschikking van 5 november 1999 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze beslissing beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 14 februari 2002. Ter zitting hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting aangehouden in afwachting van de bij de Minister van Buitenlandse Zaken opgevraagde onderliggende stukken van de in de onderhavige zaak uitgebrachte individuele ambtsberichten.

Bij brieven van 1 mei 2002 respectievelijk 2 mei 2002 hebben partijen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, Awb. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de datum voor het doen van uitspraak bepaald op heden.

2. OVERWEGINGEN

In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van het bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of deze beslissing de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Met ingang van 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) in werking getreden en de Vreemdelingenwet 1965 (hierna: Vw (oud)) ingetrokken. Het bestreden besluit dient te worden getoetst aan de bepalingen van de Vw (oud), aangezien dit besluit dateert van voor 1 april 2001.

Eiser legt aan de aanvraag ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling. Hij voert hiertoe aan dat hij vanwege lidmaatschap van de vereniging "Institute d' encadrement des Jeunes", in de problemen is gekomen met de autoriteiten. Op 22 januari 1994 vond er een conferentie van deze vereniging plaats met het thema: "Welke democratie voor Zaïre?". Na afloop werden de voorzitter, Mabiala, de vice-voorzitter, Kapenda, en twee leden gearresteerd door militairen. Ook eiser werd gearresteerd; hij werd naar een militair kamp gebracht, waar hij werd geslagen en mishandeld. Hij raakte hierbij gewond aan zijn elleboog. Op 27 januari 1994 werd hij uit het kamp gehaald met de mededeling dat hij naar het ziekenhuis gebracht zou worden. Bij het ziekenhuis kreeg hij van een onbekende soldaat de gelegenheid om te vluchten. Eiser is daarop via zijn vader naar het dorp Maluku gereisd waar hij tot maart 1994 heeft verbleven.

In maart 1994 keerde eiser terug naar zijn eigen boerderij, die geheel bleek te zijn leeggeroofd. Daarna ging eiser weer naar zijn vader die zei dat hij niet kon blijven, omdat er steeds militairen langs kwamen om naar hem te informeren.

In mei 1994 werd een erelid van de vereniging, Medard, door de militairen gearresteerd en gedood. Eiser hoorde dit van zijn broer. In oktober 1994 besloot eiser zijn land van herkomst te verlaten. Hij ging naar zijn vader in Kinshasa, maar na vier dagen werd hij opnieuw gearresteerd en naar hetzelfde militaire kamp gebracht. Op 27 oktober 1994 werd eiser door een kapitein aan militairen overgedragen die hem meenamen in een vrachtauto. Eiser mocht onderweg uitstappen, waarna hij weer naar zijn vader ging. Op 29 oktober 1994 heeft eiser met de hulp van een vriend van zijn vader die bij de immigratiedienst van de rijkswacht werkte, het land via de luchthaven van Kinshasa verlaten.

Bij de aanvullingen en correcties heeft eiser daaraan toegevoegd dat zijn ontsnapping uit het kamp was geregeld door omkoping. Eisers familie had hiervoor gezorgd.

Voorts verklaart eiser dat hij in maart 1994 terugkeerde naar Kinshasa omdat hij zijn elleboog wilde laten behandelen. Hij ging eerst langs zijn boerderij die hij in wanorde aantrof omdat zijn werknemers de zaak hadden laten versloffen. Vervolgens ging hij naar zijn huurhuis in Kinshasa, dat geheel leeggeroofd was; de eigenaar van dit huis vertelde eiser dat hij weg moest blijven, omdat hij bedreigd was vanwege eiser. Nadat zijn vader tegen hem gezegd had niet in Kinshasa te blijven, keerde eiser direct terug naar Maluku.

In oktober 1994 ging hij echter toch weer terug naar Kinshasa omdat de pijn aan zijn elleboog ondraaglijk werd. Pas nadat eiser aldaar opnieuw gearresteerd was, besloot hij het land te verlaten.

Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Een onderzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken, waarvan de resultaten zijn neergelegd in twee individuele ambtsberichten van 12 november 1996 en 26 november 1997, heeft uitgewezen dat verklaringen van eiser omtrent de woon- danwel verblijfplaatsen van zijn vader en hemzelf niet op waarheid berusten. Voorts is gebleken dat op het door eiser genoemde adres niet de beweging "Encadrement des Jeunes" is gevestigd, maar de "Organisation des Jeunes de Makala". De president en secretaris-generaal kennen eiser, die volgens hen enkele bijeenkomsten heeft bijgewoond. Zij hebben gesteld niet op de hoogte te zijn van de (gestelde) arrestatie van Mabiala en Kapenda, beiden lid van de "Organisation de Jeunes de Makala". Op grond van de grote tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van eiser en de bevindingen van de ambtsberichten, worden de door eiser afgelegde verklaringen ongeloofwaardig geacht.

Overigens is de grond aan eisers aanvraag komen te ontvallen, gelet op de machtswisseling in mei 1997. Blijkens het ambtsbericht van 4 september 1997 functioneren de onder het bewind van Mobutu ingestelde orde- en veiligheidsdiensten immers niet meer.

Op 19 mei 1999 heeft de medisch adviseur van het Bureau Medische Advisering advies uitgebracht naar aanleiding van een overgelegd medisch rapport van Amnesty International. Uit het medisch advies valt op te maken dat er voor de medische klachten van eiser afdoende behandelmogelijkheden zijn in het land van herkomst. Er is derhalve geen sprake van een situatie dat er op grond van eisers medische situatie in zijn verblijf hier te lande dient te worden berust.

Voor zover eiser een beroep doet op het driejarenbeleid wordt overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van dit beleid, nu hij ter staving van zijn aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt. Hierbij wordt verwezen naar de eerder genoemde individuele ambtsberichten.

Eiser bestrijdt dit besluit en voert daartegen aan dat de kwaliteit van het nader gehoor dat eiser is afgenomen zeer te wensen overlaat. Verwezen wordt naar rapporten van de Nationale Ombudsman van 13 februari 1995 en 17 december 1996 over de gang van zaken tijdens een nader gehoor. Ook de eerdere aan eiser verleende rechtshulpverlening was onder de maat.

Voorts wordt ten onrechte aangeknoopt bij de individuele ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken. Op verzoek van eiser heeft de "Union pour la Democratie et le Progres Social" (UDPS) in Kinshasa onderzoek verricht in de straten [...] nrs. 67 (adres huurhuis eiser) en 81 (adres van organisatie van eiser) en op het adres [...] 46 (adres vader). Verwezen wordt naar de overgelegde verklaring van deze organisatie van 20 februari 1998. Voorts wordt verwezen naar het door eiser overgelegde rijbewijs, waarop het adres van zijn ouderlijk huis vermeld wordt. De individuele ambtsberichten worden gekenmerkt door onzorgvuldigheid. Noch de Minister van Buitenlandse Zaken, noch verweerder heeft zicht op de deskundigheid, betrouwbaarheid en politieke onpartijdigheid van de informatievergaarders ter plekke, in wie men evenwel geen enkel vertrouwen mag hebben, omdat genoemde kwaliteitscriteria ontbreken bij de benoeming van, de instructie aan en het toezicht op deze personen. Verwezen wordt naar een verklaring van dominee Tshisumpa, nationaal voorzitter van de afdeling ISHR-SIDH, sectie Congo, de Internationale mensenrechtenorganisatie te Frankfurt, waarin deze stelt dat de rapporten van de Nederlandse ambassade of van de Minister van Buitenlandse Zaken niet betrouwbaar zijn. Deze verklaring spoort volledig met het rapport van de Nationale Ombudsman van 18 augustus 1998 betreffende de individuele ambtsberichten.

Voorts wordt bestreden dat de grond aan eisers aanvraag is komen te ontvallen door de machtswisseling in Congo in mei 1997.

Met betrekking tot het medisch onderzoek door Amnesty International wordt opgemerkt dat verweerder weigert om eiser serieus te nemen en dat alle andersluidende informatie als niet gewenst terzijde wordt gelegd.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, Vw (oud) is van vluchtelingschap sprake in geval de vreemdeling afkomstig is uit een land waar hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw (oud) kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij -voor zover hier van belang- klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiend uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc 1994).

De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep, voor zover het is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling als volgt.

Voorop staat dat de situatie in de DRC niet zodanig is dat asielzoekers uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Eiser zal derhalve aannemelijk moeten maken, dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in de zin van artikel 15 Vw (oud) rechtvaardigen.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Weliswaar zijn er voldoende aanknopingspunten voor de aanname dat eiser lid of sympathisant was van een organisatie genaamd "Institut d' Encadrement des Jeunes" (dan wel "Organisation des Jeunes de Makala") en ook bijeenkomsten van deze organisatie heeft bezocht, echter naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor in de negatieve belangstelling van de autoriteiten van de DRC is komen te staan. Daartoe is in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is dat eiser zou zijn gearresteerd, gelet op de door eiser afgelegde tegenstrijdige verklaringen hieromtrent. Zo heeft eiser ten tijde van het nader gehoor verklaard dat hij op straat zou zijn gearresteerd na afloop van de conferentie. Bij de aanvullingen en correcties is daaraan toegevoegd dat dit zou zijn gebeurd in de buurt van zijn huis. In bezwaar echter stelt eiser te zijn gearresteerd in zijn eigen woning. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat eiser met betrekking tot een dergelijke ingrijpende gebeurtenis en essentieel onderdeel van zijn relaas, niet eenduidig verklaart. Het betoog van de (huidige) gemachtigde van eiser dat het nader gehoor in haast is afgenomen en dat het eiser in het begin van de procedure aan goede rechtsbijstand heeft ontbroken, is hiervoor niet afdoende. Voorts zijn er geen objectieve bronnen beschikbaar die de arrestatie van eiser bevestigen. In de door eiser overgelegde brief van de "Union pour la democratie en le progres social" (UDPS) van 20 februari 1998 wordt alleen de arrestatie van de voorzitter en de algemeen secretaris bevestigd. De rechtbank hecht dan ook geen waarde aan de verklaring van eiser omtrent zijn arrestatie.

Voorzover er echter vanuit gegaan dient te worden dat eiser wel gedetineerd is geweest, overweegt de rechtbank dat daarmee nog niet aannemelijk is gemaakt dat eiser in de bijzondere negatieve aandacht van de autoriteiten zou staan, gelet op de zeer eenvoudige wijze waarop eiser tweemaal uit detentie heeft weten te ontsnappen. Bovendien blijkt uit voornoemde brief van de UDPS dat de voorzitter en de algemeen secretaris van de organistatie, inmiddels zouden zijn vrijgelaten, hetgeen evenmin duidt op een negatieve belangstelling voor deze personen, die binnen de organisatie een hogere positie bekleedden dan eiser. Eiser komt dan ook niet in aanmerking voor toelating als vluchteling.

Ten aanzien van het beroep, voor zover gericht tegen de weigering eiser in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf, overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het asielrelaas is overwogen, is niet aannemelijk dat eiser bij gedwongen verwijdering naar de DRC een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling die verboden is bij artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser kan aan deze bepaling derhalve geen aanspraak op een vergunning tot verblijf ontlenen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts op goede gronden geconcludeerd dat de door eiser afgelegde verklaringen onvoldoende aanleiding bieden voor het oordeel dat van hem als gevolg van traumatische ervaringen in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij terugkeert naar zijn land van herkomst.

Ten aanzien van de weigering om eiser in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf op medische gronden, stelt de rechtbank voorop dat verweerder in beginsel af mag gaan op het advies dat is uitgebracht door het Bureau Medische Advisering op 19 mei 1999. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het advies op onzorgvuldige wijze tot stand zou zijn gekomen. Daarbij is in aanmerking genomen de hoeveelheid informatie die door de medisch adviseur bij de beoordeling is betrokken en de omstandigheid dat de medisch adviseur eiser heeft gezien en onderzocht. In het advies is neergelegd dat pijnmedicatie, oogheelkundige en psychiatrisch behandeling in de DRC verkrijgbaar zijn. Door eiser is dit niet bestreden. Wel is van de zijde van eiser de vraag opgeworpen of hij in aanmerking zal komen voor deze medische hulp en medicatie, gelet op het geheel ontbreken van middelen van bestaan. Dit betoog treft geen doel. Immers de omstandigheid dat een medische behandeling c.q. de benodigde medicamenten niet kunnen worden bekostigd speelt geen rol bij de beoordeling of Nederland het meest aangewezen land is. Dit leidt slechts uitzondering indien eiser in de DRC met lichamelijke en/of geestelijke ondergang zou worden bedreigd. Hiervan is niet gebleken.

Ten aanzien van eisers beroep op het driejarenbeleid overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft op 30 oktober 1994 een aanvraag om toelating ingediend. Ten tijde van de bestreden beschikking was sinds deze aanvraag een periode van meer dan drie jaar relevant tijdsverloop verstreken. Verweerder heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat eiser desalniettemin niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid nu hij ter staving van zijn aanvraag om toelating onjuiste gegevens heeft verstrekt. Daartoe wordt verwezen naar de door de Minister van Buitenlandse Zaken in de onderhavige zaak uitgebrachte individuele ambtsberichten van 12 november 1996 en 26 november 1997.

Gelet op de omstandigheid dat de bestreden beschikking in zoverre volledig gedragen wordt door deze individuele ambtsberichten heeft de rechtbank aanleiding gezien de onderliggende stukken van de ambtsberichten bij de Minister van Buitenlandse Zaken op te vragen. Bij brief van 22 februari 2002 heeft de Minister aan dit verzoek voldaan en de onderliggende stukken aan de rechtbank en, in gemaskeerde vorm, aan partijen toegezonden. Nadat partijen in de gelegenheid waren gesteld te reageren op het verzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken om beperking van de kennisneming als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, Awb, heeft de enkelvoudige kamer van deze rechtbank op 24 april 2002 geoordeeld dat dit verzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken gerechtvaardigd is. Partijen hebben er ter zitting in toegestemd dat de rechtbank mede op grond van die onderliggende stukken uitspraak doet.

De individuele ambtsberichten in de onderhavige zaak dateren van 12 november 1996 en 26 november 1997. Door de Nationale Ombudsman is kritiek geuit op de wijze van totstandkoming van individuele ambtsberichten -onder meer- in die periode. Deze kritiek is neergelegd in een rapport van 18 augustus 1998. De door de Nationale Ombudsman geuite kritiek en de door hem gedane aanbevelingen hebben geleid tot een aanpassing van het proces bij de totstandkoming van individuele ambtsberichten.

Tegen deze achtergrond zal de rechtbank beoordelen of verweerder eiser terecht heeft tegengeworpen dat uit die ambtsberichten blijkt dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt.

Allereerst wordt opgemerkt dat het ambtsbericht van 12 november 1996 op onderdelen aanknopingspunten biedt voor het relaas van eiser. Op het door hem genoemde adres [...] 81 is een organisatie gevestigd, bij welke eiser ook bekend blijkt te zijn. Eiser heeft weliswaar een andere naam genoemd voor deze organisatie, echter hij heeft gemotiveerd betoogd dat de naam van deze organisatie na zijn vlucht is gewijzigd, hetgeen geenszins uitgesloten dient te worden geacht. Uit het ambtsbericht noch uit de onderliggende stukken kan worden afgeleid dat door de vertrouwenspersoon van de Minister van Buitenlandse Zaken navraag is gedaan naar deze mogelijkheid.

De overige in het ambtsbericht neergelegde informatie, met name de verklaring van de Voorzitter en de Algemene Secretaris dat zij niet op de hoogte zijn van de arrestatie van eiser en van de heren Mabiala en Kapenda, is naar het oordeel van de rechtbank niet absoluut in tegenspraak met het relaas van eiser. Bovendien blijkt uit de brief van de UDPS van 20 februari 1998 van de arrestatie van Mabiala en Kapenda.

De juistheid van de door de Minister van Buitenlandse Zaken in het ambtsbericht van 26 november 1997 neergelegde informatie, is naar het oordeel van de rechtbank ter discussie komen te staan, nu eiser zijn rijbewijs, afgegeven op 16 november 1989, heeft overgelegd, waarop als woonadres [...] nr. 46 wordt genoemd. Van de zijde van verweerder is de echtheid van dit rijbewijs niet in twijfel getrokken noch is in de bestreden beschikking anderszins gereageerd op het overgelegde rijbewijs. Eiser heeft voorts een onderzoek laten verrichten naar de verblijfplaats van zijn vader, broer en zus, waaruit naar voren is gekomen dat zij nog altijd op voornoemd adres woonachtig zouden zijn. Dit doet, in het licht van het reeds overwogene, verder afbreuk aan de betrouwbaarheid van de informatie die door de minister van Buitenlandse Zaken in voornoemd ambtsbericht is neergelegd.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder op basis van de genoemde individuele ambtsberichten niet zonder meer heeft kunnen oordelen dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt. Nu verweerder geen nadere motivering aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd, dient de bestreden beschikking wegens strijd met artikel 3:46 Awb te worden vernietigd.

Het beroep is mitsdien gegrond. Verweerder zal een nieuwe beslissing dienen te nemen op het bezwaarschrift van eiser.

In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,--). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad € 22,69 dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, moet voldoen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 22,69.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen, voorzitter, en mrs. I.J.B. Corbey en F.M.D. Aardema, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2002, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Bressers als griffier.

afschrift verzonden op: 26 juli 2002

RECHTSMIDDEL

Ingevolge artikel 120 Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.