Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7256

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
AWB 02/51171 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / wijziging grondslag. Eisers stelling dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld

omdat hij ten tijde van het opleggen van de maatregel tot bewaring (op de a-grond) een

aanvraag om een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard

had ingediend, berust niet op de wet. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b,

Vw 2000 staat immers niets in de weg aan de inbewaringstelling van een vreemdeling die

rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het feit dat hij een verblijfsvergunning

heeft aangevraagd, mits deze bewaring in het belang van de openbare orde is en

geschiedt met het oog op uitzetting.

Ter zitting is voorts vastgesteld, en door partijen niet betwist, dat eiser, gegeven het feit dat een verblijfsvergunning was aangevraagd, ten onrechte op de a-grond in bewaring is gesteld. De rechtbank is echter van oordeel dat hieraan geen consequenties hoeven te worden verbonden daar eiser door de gewraakte handelwijze niet in zijn belangen is geschaad, te meer daar verweerder de grondslag van de inbewaringstelling heeft gecorrigeerd. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59, geldigheid: 2002-07-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/51171 VRONTN

IND-nr.: 9806.04.8000

inzake: A, geboren op [...] 1968, van (gestelde) Mauritaanse nationaliteit, verblijvende op het Politiebureau te Amsterdam, eiser,

gemachtigde: mr. P. Scholtes, advocaat te ’s-Gravenhage.

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. G.D. Tjou Tam Sin, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 3 juli 2002 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Bij beroepschrift van 3 juli 2002 heeft de gemachtigde van eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 10 juli 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig C. Meerdink als tolk in de Franse taal.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.

Eiser erkent dat zijn aanhouding op 3 juli 2002 heeft plaatsgevonden in het kader van het strafrecht, te weten op grond van het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven als bedoeld in artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Eiser is van oordeel dat zijn strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig is geschied daar hij nooit ongewenst is verklaard. Voorts stelt eiser dat deze strafrechtelijke bepaling zoveel verband houdt met het vreemdelingenrecht, dat de aanhouding wel degelijk door de vreemdelingenrechter getoetst kan worden.

Voorts stelt eiser dat de maatregel van bewaring, die hem is opgelegd ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 onrechtmatig is daar eiser op 23 april 2002 een aanvraag om een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard heeft ingediend. Eiser verbleef op het moment van zijn inbewaringstelling derhalve rechtmatig in Nederland en is mitsdien ten onrechte op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Het feit dat de grondslag van de bewaring nadien is gewijzigd, te weten op 8 juli 2002, doet volgens eiser aan het voorgaande niet af, daar de wijziging van de grondslag van bewaring van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in die van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 naar het oordeel van eiser slechts mogelijk is indien iemand een aanvraag om een verblijfsvergunning indient nadat hij in bewaring is gesteld.

Bovendien heeft eiser gesteld dat de maatregel tot bewaring onrechtmatig is omdat vanaf de aanvang van de bewaring een reëel perspectief op uitzetting ontbrak. Eiser heeft hiertoe aangevoerd dat hij reeds drie keer eerder in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, welke even zo vaak is opgeheven daar eiser niet uitzetbaar bleek.

Ten slotte heeft eiser nog aangevoerd dat hij zich in afwachting van de beslissing op zijn aanvraag iedere week meldt bij de vreemdelingendienst en dat derhalve met een minder ingrijpend middel volstaan zou kunnen worden.

Verweerder heeft -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat eiser strafrechtelijk is aangehouden en dat het strafrechtelijk voortraject volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) niet ter toetsing voorligt aan deze rechtbank. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat op het moment van eisers inbewaringstelling op 3 juli 2002 bij verweerder niet bekend was dat eiser een aanvraag om een verblijfsvergunning had ingediend en dat verweerder terstond nadat hij van deze aanvraag kennis heeft genomen, te weten op 8 juli 2002, de grondslag voor de inbewaringstelling heeft gewijzigd. Ten slotte heeft verweerder aangevoerd dat uitzetting naar Mauritanië momenteel wel degelijk kan plaatsvinden, maar dat, in afwachting van de beslissing op eisers aanvraag, geen uitzettingshandelingen zullen worden verricht.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt vast dat eiser is aangehouden in het kader van het strafrecht en is met verweerder van oordeel dat het strafrechtelijk voortraject niet door deze rechtbank kan worden beoordeeld. De stelling van eiser dat de rechtmatigheid van zijn aanhouding wel door deze rechtbank kan worden getoetst omdat eiser is aangehouden op grond van een strafrechtelijke bepaling die zeer dicht tegen het vreemdelingenrecht aanligt, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a of onder b, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde dat vordert, met het oog op de uitzetting, door Onze Minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft dan wel de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g en h van de Vw 2000.

Eiser is veroordeeld ter zake van een misdrijf, beschikt niet over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), heeft zich niet gemeld bij de korpschef, heeft zich niet gehouden aan zijn vertrektermijn, beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats en heeft eerder niet rechtmatig in Nederland verbleven, zodat niet onaannemelijk moet worden geacht dat eiser zich aan de uitzetting zal onttrekken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden meent dat het belang van de openbare orde de bewaring vordert.

Nu voorts kan worden vastgesteld dat eiser rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h van de Vw 2000, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om eiser in bewaring te stellen.

Eisers stelling dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld omdat hij ten tijde van het opleggen van de maatregel tot bewaring een aanvraag om een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard had ingediend, berust niet op de wet. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 staat immers niets in de weg aan de inbewaringstelling van een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het feit dat hij een verblijfsvergunning heeft aangevraagd, mits deze bewaring in het belang van de openbare orde is en geschiedt met het oog op uitzetting.

Ter zitting is voorts vastgesteld, en door partijen niet betwist, dat eiser, gegeven het feit dat op 23 april 2002 namens eiser een verblijfsvergunning is aangevraagd, op 3 juli 2002 ten onrechte op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld. De rechtbank is echter van oordeel dat hieraan geen consequenties hoeven te worden verbonden daar eiser door de gewraakte handelwijze niet in zijn belangen is geschaad, te meer daar verweerder op 8 juli 2002 de grondslag van de inbewaringstelling heeft gecorrigeerd.

In het licht van artikel 59, vierde lid, van de Vw 2000 merkt de rechtbank overigens op dat de termijn voor de duur van bewaring is aangevangen op 3 juli 2002, daar eiser vanaf die datum op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring gesteld had moeten zijn.

Het door eiser gedane verzoek om een minder ingrijpend middel faalt reeds omdat eiser niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000.

Ten aanzien van eisers stelling dat hij niet kan worden uitgezet, stelt de rechtbank vast dat verweerder ter zitting heeft aangevoerd dat de omstandigheden momenteel van dien aard zijn dat uitzetting naar Mauritanië wel degelijk mogelijk is, echter dat verweerder in afwachting van de beslissing op eisers aanvraag geen uitzettingshandelingen verricht. Er zijn geen termen om verweerder op dit punt niet te volgen.

Derhalve is de rechtbank niet gebleken dat verweerder het onderzoek met onvoldoende voortvarendheid ter hand neemt of dat een reëel perspectief op uitzetting ontbreekt.

De rechtbank concludeert dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Salomon, voorzitter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2002, in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Wersch, griffier.

Afschrift verzonden op:

Conc.: NW

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.