Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7110

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
02-09-2002
Zaaknummer
AWB 02/51090 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / AC-procedure. De beleidsregel van hoofdstuk C3/12.13.5 Vc 2000 laat onverlet

dat beroepen ex artikel 6 Vw 2000 getoetst dienen te worden tegen de achtergrond van artikel 94, vierde lid, Vw 2000. Hieruit volgt dat verweerder in redelijkheid alle bij de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel betrokken belangen dient af te wegen. In het kader van die belangenafweging zal een vreemdeling, tegenover het belang dat verweerder hecht aan de omstandigheid dat een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd niet alsnog, en in weerwil van die weigering, de facto toegang tot Nederland verkrijgt, evenwel concrete, op zijn individuele situatie toegespitste, belangen naar voren moeten brengen die uitgaan boven het feit dat hem een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Eén van de gevallen is de situatie dat het zonneklaar is dat eisers aanvraag om toelating op de gronden van artikel 29 van de Vw 2000 niet in een AC-procedure had mogen worden afgedaan.

In dit geval is er geen sprake van concrete belangen aan de zijde van eiser die zwaarder wegen dan die welke verweerder heeft bij voortzetting van de aan eiser opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. Ook kan niet worden gezegd dat het zonneklaar is dat de aanvraag van eiser om toelating op de gronden van artikel 29 Vw 2000 niet in een AC-procedure had mogen worden afgedaan. Voorts is van belang dat de periode gedurende welke de vrijheidsontnemende maatregel zal voortduren, naar mag worden aangenomen, niet lang meer zal zijn aangezien het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen op korte termijn zal worden behandeld. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 3, geldigheid: 2002-07-17
Vreemdelingenwet 2000 6, geldigheid: 2002-07-17
Vreemdelingenwet 2000 6, geldigheid: 2002-07-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/51090 VRONTN

IND-nr.: 0207.01.4067

inzake: A, geboren op [...] 1977, van (gestelde) Nigeriaanse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, eiser,

gemachtigde: mr. R.J. van der Zee, medewerker van de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.C.G.G. van Hoek, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 1 juli 2002 is eiser op grond van artikel 3 van de Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.

Verweerder heeft de rechtbank hiervan op 3 juli 2002 in kennis gesteld. Krachtens artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de vreemdeling daarmee geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Op 1 juli 2002 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Bij besluit van 3 juli 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. De ten aanzien van eiser toegepaste vrijheidsontnemende maatregel is in het besluit gehandhaafd.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 10 juli 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ter zitting was tevens aanwezig C. Meerdink, tolk in de Engelse taal.

Ter zitting heeft gemachtigde van eiser namens eiser opheffing van de maatregel gevorderd.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Oplegging van de maatregel is onrechtmatig te achten, aangezien het niet zonneklaar is dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen in de asielprocedure zal worden afgewezen. Verweerder heeft in het besluit van 3 juli 2002 inzake de asielaanvraag van eiser zijn stelling dat nader onderzoek naar zijn asielrelaas mogelijk is zonder nadere motivering terzijde geschoven. Gelet op de korte duur van de Aanmeldcentrum-procedure is het welhaast ondoenlijk om tijdig aan documenten te komen ter staving van het asielrelaas.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Eisers standpunt inzake het 'zonneklaar-criterium' vindt geen steun in de jurisprudentie. Slechts indien het zonneklaar is dat eisers verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zal worden toegewezen, bestaat er aanleiding de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen. In dit geval is van een dergelijke situatie geen sprake. Hetgeen overigens is aangevoerd kan in dit kader niet aan de orde komen. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen en het beroep inzake de asielaanvraag van eiser zullen op 16 juli 2002 door deze rechtbank worden behandeld.

De rechtbank overweegt het volgende.

Verweerder is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden. Verweerder voert, conform het bepaalde in deel C3/12.13.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 het beleid dat onder meer tot - voortzetting van - de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 wordt besloten indien de asielaanvraag binnen de Aanmeldcentrum-procedure is afgewezen.

De rechtbank overweegt dat deze beleidsregel onverlet laat dat beroepen ex artikel 6 van de Vw 2000 getoetst dienen te worden tegen de achtergrond van artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000. Hieruit volgt, voor zover hier van belang, dat verweerder in redelijkheid alle bij de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel betrokken belangen dient af te wegen. In het kader van die belangenafweging zal een vreemdeling, tegenover het belang dat verweerder hecht aan de omstandigheid dat een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd niet alsnog, en in weerwil van die weigering, de facto toegang tot Nederland verkrijgt, evenwel concrete, op zijn individuele situatie toegespitste, belangen naar voren moeten brengen die uitgaan boven het feit dat hem een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Eén van de gevallen is de situatie dat het zonneklaar is dat eisers aanvraag om toelating op de gronden van artikel 29 van de Vw 2000 niet in een Aanmeldcentrum-procedure had mogen worden afgedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen sprake van concrete belangen aan de zijde van eiser die zwaarder wegen dan die welke verweerder heeft bij voortzetting van de aan eiser opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. Ook kan niet worden gezegd dat het zonneklaar is dat de aanvraag van eiser om toelating op de gronden van artikel 29 van de Vw 2000 niet in een Aanmeldcentrum-procedure had mogen worden afgedaan. Voorts is van belang dat de periode gedurende welke de vrijheidsontnemende maatregel zal voortduren, naar mag worden aangenomen, niet lang meer zal zijn aangezien het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen op korte termijn, namelijk op 16 juli 2002, zal worden behandeld.

De rechtbank is ook overigens van oordeel dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 thans niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING:

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2002, in tegenwoordigheid van mr. J.D.R. Gorter, griffier.

Afschrift verzonden op: 22 juli 2002

Conc.: JG

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.