Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7101

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-08-2002
Datum publicatie
02-09-2002
Zaaknummer
01/1218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 423
NJK 2002, 68
O&A 2003, p. 44 (nr.2)
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - meervoudige kamer

Vonnis in de zaak met rolnummer 01/1218 van:

[eiser],

wonende te Amsterdam,

eiser,

procureur mr G.D. Haytink,

tegen

de STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr C.M. Bitter.

Partijen worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding en de zakelijk daarmee overeenstemmende conclusie van eis;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek met productie;

- de conclusie van dupliek met producties;

- het vonnis van deze rechtbank d.d. 19 maart 2002;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 22 mei 2002 en de daarin vermelde stukken.

RECHTSOVERWEGINGEN

1 de feiten

1.1 Bij vonnis d.d. 30 september 1997 heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhem bewezen verklaard dat [eiser] opzettelijk heeft gehandeld in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, heeft zij hem deswege strafbaar verklaard en heeft zij hem de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (verder: PIJ) opgelegd. Daarbij heeft genoemde rechtbank geadviseerd deze maatregel bij voorkeur ten uitvoer te leggen in ziekenhuis "De Groote Beek" te Eindhoven (indien mogelijk in de orthopsychiatrische unit "Catamaran"). Dit vonnis is op 14 oktober 1997 onherroepelijk geworden.

1.2 Op 2 december 1997 is [eiser] door het ministerie van Justitie geplaatst in de rijksinrichting voor jongeren "Den Hey-Acker" te Breda. Op 25 februari 1998 is [eiser] door het ministerie van Justitie overgeplaatst naar de orthopedagogische afdeling "Catamaran" van de gesloten justitiële jeugdinrichting "Harreveld".

1.3 Zowel tegen de beslissing tot plaatsing in "Den Hey-Acker" als tegen de beslissing tot plaatsing in "Harreveld" is zijdens [eiser] beroep ingesteld bij het College van advies voor de justitiële kinderbescherming (verder: het College). Het College heeft bij beslissing van 3 april 1998 het beroep tegen de beslissing tot plaatsing in "Den Hey-Acker" niet-ontvankelijk verklaard, aangezien deze beslissing de overbrenging ter herselectie betreft en dat daarbij nog geen sprake is van een beslissing omtrent de plaats van tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). Bij dezelfde beslissing heeft het College het beroep zijdens [eiser] tegen de beslissing tot plaatsing in "Harreveld" gegrond verklaard. Daarbij heeft het College voor zover van belang overwogen dat het in de rede ligt dat de minister bij het nemen van de beslissing omtrent de plaats van tenuitvoerlegging in beginsel het terzake uitgebrachte advies van de rechter volgt, tenzij er gegronde redenen zijn om van het advies af te wijken, en dat de door de minister aangevoerde argumenten onvoldoende zwaarwegend zijn om een afwijking van het door de rechter gegeven, goed gemotiveerde, plaatsingsadvies te kunnen rechtvaardigen.

1.4 Op 23 april 1998 is zijdens "De Groote Beek" met [eiser] een intake-gesprek gevoerd. Naar aanleiding daarvan is geadviseerd [eiser] te plaatsen in "De Derde Oever" te Amsterdam, een forensisch psychiatrische voorziening voor dagbehandeling voor jeugdigen. Op 8 mei 1998 is [eiser] geplaatst in het Jongeren Opvang Centrum te Amsterdam (een gesloten justitiële jeugdinrichting, verder: het JOC). Toen is ook de behandeling van [eiser] in "De Derde Oever" begonnen.

2 de vordering, de grondslag en het verweer

2.1 [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal veroordelen aan hem een schadevergoeding te betalen van ƒ 44.067,63 (bestaande uit ƒ 29.800,- immateriële schade, ƒ 11.900,- materiële schade en ƒ 2.367,63 kosten rechtsbijstand), althans van een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

2.2 [eiser] voert als grondslag voor zijn vordering aan dat het ministerie van Justitie in strijd met het advies van de arrondissementsrechtbank te Arnhem geheel eigenmachtig heeft besloten dat [eiser] elders geplaatst moest worden dan in "De Groote Beek", dat de intakeprocedure bij "De Groote Beek" aldus eerst medio april 1998 werd gestart en dat hij daardoor ten onrechte en veel te lang gedetineerd c.q. gesloten geplaatst heeft gezeten. Hij vordert schadevergoeding wegens gederfde levensvreugde gedurende de periode gedurende welke hij ten onrechte opgesloten heeft gezeten, welke hij stelt vanaf het moment waarop het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem onherroepelijk is geworden (14 oktober 1997) tot het moment waarop het ministerie van Justitie een aanvang maakte met de tenuitvoerlegging ervan (4 april 1998), ofwel op 170 dagen. Conform de richtlijnen voor de in het strafrecht gehanteerde immateriële-schadevergoedingsbedragen vordert hij ƒ 150,- per dag. Hij stelt de plaatsing in "Den Hey-Acker" gelijk met detentie in een politiebureau en vordert voor de aldaar doorgebrachte periode van 86 dagen ƒ 50,- per dag extra aan vergoeding van immateriële schade. Hij voert voorts aan dat hij als gevolg van de ten onrechte ondergane detentie inkomsten heeft gederfd. Hij stelt dat hij na afronding van zijn behandeling in "De Derde Oever" direct is gaan werken voor ƒ 2.100,- bruto per maand en dat hij door de periode van detentie van 170 dagen derhalve (170:30)*ƒ 2.100,- ofwel ƒ 11.900,- materiële schade heeft geleden. Tenslotte voert [eiser] aan dat hij voorafgaand aan het aanhangig maken van deze procedure kosten van rechtsbijstand heeft gemaakt, onder meer betrekking hebbende op een poging om met het ministerie van Justitie in de minne te communiceren over de hoogte van een schadevergoeding.

2.3 De Staat voert gemotiveerd verweer.

3 beoordeling

3.1 De rechtbank stelt voorop dat, nu het College heeft beslist dat het beroep van [eiser] tegen de beslissing tot plaatsing in "Harreveld" gegrond was, zij ervan uit dient te gaan dat die zijdens de Staat genomen beslissing onrechtmatig is geweest. Dat betekent evenwel niet dat bij de bepaling van de daardoor geleden immateriële schade aansluiting moet worden gezocht bij de dagvergoedingen die plegen te worden gehanteerd bij ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis in geval van vrijspraak van een strafbaar feit. Immers geldt, zoals de Staat ook aanvoert, de opgelegde PIJ ingevolge artikel 77s Sr voor twee jaar, ingaande nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden. [eiser] heeft derhalve naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte of te lang gedetineerd of gesloten geplaatst gezeten, maar heeft op een onjuiste plaats gedetineerd gezeten.

3.2 Ter zake van de tijdstuur gedurende welke [eiser] op een onjuiste plaats gedetineerd heeft gezeten overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 11 van de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen, dat als uitgangspunt neemt een plaatsing in een behandelinrichting binnen drie maanden, neemt de rechtbank eveneens als uitgangspunt dat de behandeling van [eiser] uiterlijk op 14 januari 1998 een aanvang had kunnen nemen en dat derhalve de tijd dat hij langer elders gedetineerd heeft gezeten, onrechtmatig is. [eiser] is in het JOC geplaatst op 8 mei 1998 en zijn behandeling is pas aangevangen op 8 mei 1998 ofwel bijna vier maanden later. Tussen 14 januari 1998 en 8 mei 1998 heeft [eiser] gedetineerd gezeten achtereenvolgens in "Den Hey-Acker" en "Harreveld".

3.3 De rechtbank zal naar redelijkheid en billijkheid een schadevergoeding dienen te bepalen, aangezien terzake een regeling ontbreekt. Het ligt voor de hand om voor de te hanteren schadevergoedingsmaatstaf aansluiting te zoeken bij de voor TBS-passanten die te laat worden geplaatst, gehanteerde maatstaf, met dien verstande dat, nu het een (destijds) minderjarige betreft, de rechtbank een 50% hogere vergoeding redelijk acht. De rechtbank zal derhalve een maatstaf hanteren van ƒ 1.500,- per maand, driemaandelijks te verhogen met een bedrag van ƒ 375,- per maand, vanaf het tijdstip waarop redelijkerwijs de behandeling overeenkomstig het advies van de rechtbank een aanvang had dienen te nemen. Daarbij ziet de rechtbank geen grond een afwijkende maatstaf te hanteren voor de tijd waarin [eiser] in "Den Hey-Acker" is opgenomen geweest; het enkele feit dat hij daar slechts een beperkt programma heeft kunnen volgen is daartoe niet voldoende. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding een lagere maandvergoeding aan te houden, zoals de Staat meer subsidiair aanvoert, aangezien aan [eiser] weliswaar in "Den Hey-Acker" en "Harreveld" een programma werd aangeboden, maar dat niet het programma is waaraan deze ingevolge het onderbouwde advies van de arrondissementsrechtbank te Arnhem behoefte had.

1.1 Gelet op hetgeen in de rechtsoverwegingen 3.2 en 3.3 is overwogen, zal de rechtbank de aan [eiser] te betalen immateriële schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid bepalen op ƒ 6.375,- ofwel € 2.892,85.

1.5 De rechtbank ziet geen grond om aan [eiser] een schadevergoeding wegens inkomstenderving toe te kennen. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] voorafgaand aan de in rechtsoverweging 1.1 bedoelde veroordeling inkomsten genoot. Dat bij een eerdere behandeling van [eiser] de PIJ na gelijke termijn als thans is geschied, zou zijn omgezet in een voorwaardelijke PIJ is niet onderbouwd. Evenmin heeft [eiser] concrete aanbiedingen van een betaalde functie aan hem gedurende de tenuitvoerlegging van de PIJ aan de rechtbank verschaft. Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling van [eiser] op dit punt thans volstrekt speculatief.

1.1 Ter zake van de door [eiser] gevorderde kosten van rechtsbijstand heeft hij verwezen naar een bijgesloten declaratie plus specificatie. Geen van beide heeft de rechtbank evenwel bij de stukken aangetroffen. Nu de Commissie het beroep van [eiser] tegen de beslissing tot plaatsing in "Harreveld" gegrond heeft verklaard, heeft [eiser] in beginsel recht op vergoeding van de voor het verkrijgen van die beslissing gemaakte redelijke kosten van redelijke rechtsbijstand. Uit de beschikking van het College heeft de rechtbank begrepen dat de raadsvrouw van [eiser] bij het College een beroepschrift ter zake van die plaatsing heeft ingediend, dat zij terzake nog een brief heeft geschreven en dat zij [eiser] heeft bijgestaan toen hij door de Commissie is gehoord. Uit de beschikking van de commissie blijkt niet van enige vergoeding aan [eiser] van kosten van rechtsbijstand en de Staat heeft zich daarop ook niet beroepen. De rechtbank stelt de vergoeding voor deze kosten naar redelijkheid en billijkheid vast op € 450,-.

1.7 Nu terzake van de verdere kosten van rechtsbijstand voorafgaand aan de onderhavige procedure elke specificatie overeenkomstig het rapport van de werkgroep "Voor-Werk" ontbreekt, ligt dit gedeelte van de vordering van [eiser] overigens voor afwijzing gereed.

1.8 In het feit dat partijen in het onderhavige geding over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren.

BESLISSING

De rechtbank

- veroordeelt de Staat om aan [eiser] € 3.342,85 te voldoen;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten zal dragen;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs P. Kalbfleisch, J. Kramer en A.V. van den Berg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.