Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7099

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-06-2002
Datum publicatie
02-09-2002
Zaaknummer
AWB 01/34094 VRONTO D
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / schadevergoeding / matiging. De bewaring ex artikel 59 Vw 2000 is reeds

opgeheven bij gebreke van een tijdige kennisgeving. Niet in geschil is dat de bewaring van

Algerijnse vreemdeling vanaf de dag volgend op die waarop de kennisgeving ex artikel 96

Vw had moeten worden gedaan onrechtmatig was. Vanaf die datum tot dag waarop de

vreemdeling in vrijheid is gesteld wordt een schadevergoeding toegekend. Slechts in

geschil is in hoeverre de schadevergoeding moet worden gematigd. De rechtbank

overweegt dat het doen van een kennisgeving ex artikel 96 Vw 2000 deel uitmaakt van een

belangrijk controlesysteem ter bescherming van de vreemdeling, zodat het achterwege

blijven ervan niet een zo geringe fout is dat hierin een reden gevonden kan worden om de

schadevergoeding te matigen. Het voorschrift is echter niet zo fundamenteel dat matiging

altijd achterwege moet blijven. In casu was de vreemdeling zich ervan bewust dat hij niet in

Nederland mocht verblijven en heeft hij met criminele activiteiten welbewust het risico

genomen opnieuw in vreemdelingenbewaring te worden genomen. In het gedrag van de

vreemdeling is daarom een reden gelegen om de schade te matigen. Van de vreemdeling

mag niet verwacht worden dat hij zijn schade beperkt door tijdig beroep in te stellen als een

kennisgeving uitblijft, het is immers de plicht van verweerder om deze termijnen te

bewaken. Er is dan ook geen aanleiding de schadevergoeding op een lager bedrag vast te

stellen wegens eigen schuld. Beroep gegrond, toewijzing schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 96, geldigheid: 2002-06-06
Vreemdelingenwet 2000 106, geldigheid: 2002-06-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 01/34094 VRONTO D

inzake: A, geboren op [...] 1972, van Algerijnse nationaliteit, zonder bekende woon- of verblijfplaats, hierna te noemen: de vreemdeling,

gemachtigde: mr L Sinoo,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr D. Kuiper.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 30 mei 2001 is de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, Vw in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 18 juni 2001 met kenmerk AWB 01/23256 VRONT J heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats Haarlem een eerder beroep tegen de bewaringsmaatregel ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 25 juli 2001, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen de voortduring van de maatregel van bewaring. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding. Bij gebreke van een tijdige kennisgeving ex artikel 96, eerste lid, Vw heeft verweerder de maatregel van bewaring per 30 juli 2001 opgeheven.

Het beroep beperkt zich thans tot het verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Ter zitting van 6 augustus 2001 is het onderhavige beroep behandeld. Nadat het onderzoek was gesloten, heeft de rechtbank bij brief van 10 september 2001 het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Bij brief van 5 oktober 2001 heeft de rechtbank partijen enkele vragen voorgelegd. De behandeling ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2001. De vreemdeling heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. L. Sinoo, advocaat te Utrecht. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. D. Kuiper.

2. Overwegingen

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, ofschoon de bewaring na het niet verzenden van bovengenoemde kennisgeving een onrechtmatig karakter draagt, met de invrijheidstelling van de vreemdeling in het algemeen in voldoende mate aan zijn belangen is tegemoetgekomen. Omdat sprake is van een formele fout, is een mogelijkheid voor matiging van de schadevergoeding aanwezig, aldus verweerder. Toekenning van schadevergoeding, zo stelt verweerder, is eerst aan de orde vanaf de datum van het door de vreemdeling in te dienen beroepschrift. Subsidiair is aanleiding voor schadevergoeding vanaf de dag volgend op de dag waarop bedoelde kennisgeving diende te zijn verstuurd. Naar verweerder stelt dient in beide gevallen de schadevergoeding primair tot nihil, subsidiair tot de helft, te worden gematigd.

De vreemdeling daarentegen stelt dat verweerder schadeplichtig is vanaf de datum van de vorige uitspraak door deze rechtbank, subsidiair dat schadevergoeding moet worden toegekend vanaf de dag volgende op die waarop bedoelde kennisgeving had moeten worden verstuurd. Meer subsidiair meent de vreemdeling dat vanaf de datum van indiening van het onderhavige beroep schadevergoeding moet worden toegekend.

Het primaire standpunt van de vreemdeling dat verweerder schadeplichtig is vanaf de datum van de vorige uitspraak wordt verworpen. Sinds de vorige uitspraak van deze rechtbank van 18 juni 2001 is door verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van de vreemdeling gewerkt. Verweerder heeft op 18 mei 2001 een presentatietraject bij de Algerijnse autoriteiten opgestart. Nadat op 6 juni 2001 was gerappelleerd, bleek op 12 juni 2001 via de landelijke laissez-passer kamer dat de consul van Algerije het dossier van de vreemdeling in onderzoek had genomen. Nadien is volgens verweerder wekelijks bij deze autoriteiten gerappelleerd.

Niet in geschil is dat de bewaring vanaf de dag volgend op die waarop de kennisgeving ex artikel 96 Vw had moeten worden gedaan als onrechtmatig moet worden beschouwd. In beginsel dient vanaf die datum, tot de datum waarop de vreemdeling in vrijheid is gesteld, schadevergoeding te worden toegekend volgens het NVvR standaard tarief.

De rechtbank kan de schadevergoeding matigen indien de billijkheid dit vereist. Gronden van billijkheid kunnen - naar vaste jurisprudentie - worden gevonden in de geringe ernst van het verzuim van verweerder in het geval dat de bewaring overigens als rechtmatig moet worden beoordeeld, en/of (afhankelijk van de mate waarin de waarborgen van de vreemdeling zijn geschonden) het gedrag van de vreemdeling, in het bijzonder wanneer de vreemdeling welbewust het risico heeft genomen dat hij in bewaring zou worden gesteld of de vrijheidsbeneming door zijn toedoen langer voortduurt dan bij een meer coöperatieve houding het geval zou zijn geweest.

De rechtbank constateert dat in dit geval de bewaring uitsluitend onrechtmatig is geworden doordat de vervolgkennisgeving niet is gedaan. Zoals al is overwogen, is sinds de laatste uitspraak van 18 juni 2001 door verweerder voortvarend aan de uitzetting van de vreemdeling gewerkt.

Het niet tijdig doen van een kennisgeving is naar het oordeel van de rechtbank echter niet een zo geringe fout dat hierin een reden gevonden kan worden om de schadevergoeding te matigen. Op het moment waarop verweerder een kennisgeving aan de rechtbank stuurt, wordt een controlemechanisme in werking gesteld door middel waarvan beoordeeld wordt of het voortduren van de vreemdelingenbewaring rechtmatig is. Wanneer de kennisgeving uitblijft vindt deze beoordeling niet plaats en is de vreemdeling voor de rechterlijke toetsing of de bewaring rechtmatig voorduurt uitsluitend afhankelijk van eigen initiatief ondersteund door de rechtshulp, een onder de oude vreemdelingenwet bestaande situatie waaraan de wetgever uitdrukkelijk een einde heeft willen maken door invoering van dit controlemechanisme. Artikel 96 Vw maakt derhalve deel uit van een door de wetgever belangrijk geacht en ter bescherming van de vreemdeling in het leven geroepen controlesysteem. De door verweerder gemaakte inbreuk daarop is daarom van zodanige ernst, dat matiging uitsluitend omdat het zou gaan om een weinig ingrijpende overtreding van een wettelijke verplichting, niet aan de orde is.

Aan de andere kant is het door verweerder geschonden voorschrift niet zo fundamenteel dat matiging altijd, ongeacht het gedrag van de vreemdeling, achterwege zou moeten blijven. Wat betreft het gedrag van de vreemdeling geldt het volgende. De vreemdeling verblijft al geruime tijd - in ieder geval sinds 1995 - zonder verblijfstitel in Nederland. Op de vorige zitting heeft de gemachtigde van de vreemdeling, zo blijkt uit de uitspraak van 18 juni 2001, aangegeven dat de vreemdeling in 1995 en 1997 ook al in vreemdelingenbewaring heeft gezeten. Het moet de vreemdeling daarom al enige jaren volkomen duidelijk zijn dat hij niet in Nederland mag blijven. Bovendien heeft de vreemdeling zich tijdens zijn illegaal verblijf schuldig gemaakt aan het plegen van woninginbraken. De rechtbank te Rotterdam heeft hem om die reden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden. Aansluitend op zijn strafrechtelijke detentie is de vreemdeling op grond van artikel 59 Vw in vreemdelingenbewaring gesteld. Niet alleen was de vreemdeling zich er dus terdege van bewust dat hij niet in Nederland mocht verblijven, hij heeft met zijn criminele activiteiten welbewust het risico genomen uiteindelijk weer in vreemdelingenbewaring te worden genomen. In het gedrag van de vreemdeling is daarom een reden gelegen om de schade te matigen tot € 17,50 per dag.

Tenslotte is de vraag opgeworpen of van de vreemdeling verwacht mag worden dat hij zijn schade beperkt door tijdig beroep tegen de bewaring in te stellen als een kennisgeving uitblijft. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Het is verweerder die maatregelen moet en kan nemen om in dit opzicht schade te voorkomen. Verweerder heeft hierover aangevoerd dat het binnen het ambtelijk apparaat van verweerder niet eenvoudig is het proces van opstellen en versturen - gezien de grote aantallen kennisgevingen - zo te organiseren dat het maken van fouten uitgesloten is. De rechtbank acht dit een ontoereikend argument. Verweerder is ertoe verplicht te allen tijde te weten aan wie een zo ingrijpende maatregel als vrijheidsbeneming is opgelegd, daarvan het overzicht te houden en na te gaan of de detentie terecht voortduurt. Tegen die achtergrond kan van verweerder worden verlangd dat hij tijdig kennisgevingen verstuurt met behulp van een systeem dat de termijnen bewaakt. Fouten in het termijnbewakingssysteem komen voor risico van verweerder. Van de vreemdeling kan niet worden verwacht dat hij of zij zelf de termijnen bewaakt en controleert of de kennisgevingen (tijdig) verstuurd zijn. De vreemdeling kan dan ook niet worden tegengeworpen dat zij eerder in beroep had moeten gaan en er is daarom in dit opzicht geen aanleiding de schadevergoeding op een lager bedrag vast te stellen wegens "eigen schuld".

De rechtbank zal een schadevergoeding toekennen van € 245,--, zijnde een bedrag van € 17,50,-- per dag voor 14 dagen.

In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 805-- (1 punt voor het beroepschrift en 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

kent aan de vreemdeling ten laste van de Staat (Ministerie van Justitie) een vergoeding toe van € 245,--, uit te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 805,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. de Greeve, voorzitter, en mrs. R.H.M. Bruin en G.F.H. Lycklama à Nijeholt, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2002, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Nat als griffier.

De meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 245,--, -- (ZEGGE tweehonderdvijfenveertig euro).

Aldus gedaan op 6 juni 2002, door mr. E. de Greeve, voorzitter, en mrs. R.H.M. Bruin en G.F.H. Lycklama à Nijeholt, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

Afschrift verzonden op: 17 juni 2002

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.