Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7063

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2002
Datum publicatie
30-08-2002
Zaaknummer
AWB 99/5699
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Procesbelang / doorprocederen / gezinshereniging.

Eiser heeft op 18 februari 1997 een asielaanvraag ingediend. In bezwaar is eiser bij beschikking van 12 mei 1999 een vtv zonder beperkingen is verleend met ingang van 18 februari 1997. Eiser heeft beroep ingesteld in verband met de weigering hem toe te laten als vluchteling. Met ingang van 1 april 2001 wordt de verblijfsvergunning van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (asiel).

De vraag ligt voor of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep na inwerkingtreding van de Vw 2000. Mede gelet op de uitspraak van de ABRS van 28 maart 2002 wordt die vraag ontkennend beantwoord. Nu niet is gebleken van bijzondere, door eiser aan te voeren, belangen, heeft eiser in rechte geen te beschermen belang meer bij voorzetting van de beroepsprocedure, aangezien de materiële uitkomst ervan geen effect kan hebben op de titel waarover eiser vanaf 1 april 2001 beschikt. De rechtbank is van oordeel dat de toekomstige materiële rechtspositie van eisers gezinsleden, indien hen verblijf zou worden toegestaan, niet in de directe belangensfeer van eiser ligt en niet een rechtstreeks belang in zijn asielprocedure is. De rechtbank concludeert dat aan de gezinsleden van eiser niet (alsnog) een nareiscriterium kan worden gegund en dat voor wat betreft dit punt geen rechtsbelang bestaat bij doorprocederen. Redengevend is dat eiser in bezit was van een vtv op grond van artikel 3 EVRM. Gezinsleden van vreemdelingen aan wie een dergelijke vergunning was verleend kwamen, in tegenstelling tot gezinsleden van vreemdelingen die waren toegelaten als vluchteling, onder het destijds geldende recht niet in aanmerking voor een afgeleide vluchtelingenstatus. Er is dus geen mogelijkheid ontnomen die onder de Vw wel bestond. Omdat eiser onder deze regeling valt, faalt het beroep op artikel 116 Vw 2000. Voor wat betreft de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten wordt geen onderscheid gemaakt naar de grond waarop de verblijfsvergunning is verleend. Eiser zou onder bepaalde voorwaarden kunnen worden vrijgesteld van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten. De rechtbank overweegt verder dat verweerder de toezegging heeft gedaan dat bij een eventuele intrekking van de verblijfsvergunning alsnog zal worden getoetst of eiser vluchteling is. Beroep niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2, geldigheid: 2002-07-04
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2002-07-04
Vreemdelingenwet 2000 116, geldigheid: 2002-07-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 99/5699

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1968,

van Srilankaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9702.18.4006,

gemachtigde: mr. E.C. Sluiter, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Arnhem,

eiser;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

gemachtigde: mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage,

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 18 februari 1997 heeft eiser aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf ingediend. Bij beschikking van 11 september 1997 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd. Bij brief van 9 oktober 1997 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij beschikking van 27 juli 1998 ongegrond verklaard. Bij brief van 24 augustus 1998 is daartegen beroep ingesteld.

1.2 Bij uitspraak van 5 maart 1999 heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, het beroep gegrond verklaard.

1.3 Bij beschikking van 12 mei 1999 heeft verweerder een nieuwe beschikking op bezwaar genomen en het bezwaar ongegrond verklaard voor zover het was gericht tegen de weigering eiser als vluchteling toe te laten. Aan eiser is een vergunning tot verblijf zonder beperkingen verleend, met ingang van 18 februari 1997. Op 9 juni 1999 is tegen deze beschikking beroep ingesteld.

Ingevolge artikel 115, vierde lid, Vw 2000 wordt eisers verblijfsvergunning met ingang van 1 april 2001 van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (asiel).

1.4 Het beroep is ter zitting van 19 april 2002 behandeld door een meervoudige kamer van de rechtbank. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. De rechtbank dient te beoordelen of eiser, na inwerkingtreding van Vw 2000, belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

3 Standpunten

3.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen in rechte te beschermen belang meer heeft bij voortzetting van de onderhavige procedure, nu de materiële uitkomst ervan geen effect kan hebben op de titel waarover eiser vanaf 1 april 2001

beschikt.

3.2 Eiser is van mening dat hij wel een relevant procesbelang heeft, dat is gelegen in de door hem beoogde gezinshereniging. Op grond van artikel 116 Vw 2000 wordt de inkomenseis als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel c, en artikel 18, eerste lid onder d, Vw 2000 niet toegepast op Nederlanders of vreemdelingen die ten tijde van de inwerkingtreding van Vw 2000 waren toegelaten. Voor deze groep gelden de inkomenseisen van de Vw. Voor een vreemdeling die in het bezit was van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen, zoals eiser, geldt in dat geval een andere, strengere middeleneis dan voor vreemdelingen die als vluchteling waren toegelaten. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, van 16 juli 2001 (Awb 00/4062).

4 Overwegingen

4.1 Eiser is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Zelfs indien verweerder na gegrondverklaring van het beroep tot de conclusie komt dat eiser als vluchteling moet worden toegelaten dan wel dat hij het reële risico loopt om bij terugkeer het slachtoffer te worden van een behandeling in strijd met artikel 3 Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dan wel dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard, kan aan eiser uitsluitend een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd asiel worden verleend.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder de toezegging gedaan dat, ondanks dat dit niet expliciet blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Vw2000, ook in een geval als het onderhavige, waarin vóór 1 april 2001 een beschikking op bezwaar is gegeven, het oordeel dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating als verdragsvluchteling bij een eventuele intrekking van de verblijfsvergunning (door verweerder) voluit zal worden getoetst en hem de onaantastbaarheid van de thans bestreden beschikking niet zal worden tegengeworpen.

De rechtbank is dan ook van oordeel, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 maart 2002 (JV 2002,153), dat eiser in beginsel geen belang meer heeft bij beoordeling van onderhavig beroep, tenzij sprake is van bijzondere, door eiser aan te voeren belangen.

4.2 Deze belangen dienen eiser persoonlijk te betreffen aangezien in artikel 1:2, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Door eiser is aangevoerd dat de materiële rechtspositie van zijn gezinsleden zal verschillen naar gelang de grondslag van hun verblijfsvergunning. Immers, in het geval de gezinsleden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, komen zij eerder in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, zijn andere intrekkingsgronden van toepassing en krijgen zij een vluchtelingenpaspoort.

De rechtbank is van oordeel dat de toekomstige materiële rechtspositie van eisers gezinsleden, indien hen verblijf zou worden toegestaan, niet in de directe belangensfeer van eiser ligt en niet een rechtstreeks belang in zijn asielprocedure is. Dat, zoals eiser stelt, de positie van zijn gezinsleden invloed heeft op hem persoonlijk, doet daaraan niet af.

4.3 Eiser heeft voorts aangevoerd dat de voorwaarden die worden gesteld aan toelating in het kader van een afgeleide vluchtelingenstatus minder streng zijn dan de voorwaarden die worden gesteld in het kader van het reguliere gezinsherenigingsbeleid.

Nu het (mede) aan eiser is om in het voorkomende geval aan een aantal van deze eisen te voldoen, hetgeen een persoonlijk belang van eiser impliceert, zal de rechtbank beoordelen of hetgeen eiser hieromtrent heeft aangevoerd kan leiden tot de conclusie dat hij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep op vluchtelingschap.

4.4 Eiser heeft aangevoerd dat ten onrechte geen nareistermijn is verleend aan zijn gezinsleden en dat beoordeeld dient te worden of deze alsnog moet worden verleend.

Eiser was tot 1 april 2001 in het bezit van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen, die naar de rechtbank aanneemt is verleend omdat eiser het reële risico loopt om bij terugkeer te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Gezinsleden van vreemdelingen aan wie een dergelijke vergunning was verleend, kwamen, in tegenstelling tot gezinsleden van vreemdeling die waren toegelaten als vluchteling, onder het destijds geldende nationale recht niet in aanmerking voor een afgeleide vluchtelingenstatus.

Op grond van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw2000 kunnen ook gezinsleden van houders van een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, c of d, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, indien het betrokken gezinslid gelijktijdig met de hoofdpersoon is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend.

Hoewel de rechtbank onderkent dat de gezinsleden van eiser, in tegenstelling tot gezinsleden van vreemdelingen aan wie na de inwerkingtreding van de Vw2000 een verblijfsvergunning is verleend wegens dreigende schending van artikel 3 EVRM, geen nareistermijn wordt gegund, moet gelet op het voorgaande echter worden vastgesteld dat hen niet een mogelijkheid is ontnomen die onder de Vw wel bestond. Deze in Vw2000 opgenomen verruiming ten aanzien van houders van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, onder b, c of d, Vw2000, die onmiddellijke werking heeft, kan niet leiden tot het (alsnog) verlenen van een nareistermijn aan de gezinsleden van eiser.

Reeds omdat eiser feitelijk niet voor 1 april 2001 was toegelaten als vluchteling, is de regeling zoals opgenomen in Vc2000 B2/1.1.1 niet van toepassing.

De rechtbank concludeert daarom dat aan de gezinsleden van eiser niet (alsnog) een nareistermijn kan worden gegund en dat voor wat betreft dit punt geen rechtsbelang bestaat bij doorprocederen.

4.5 Artikel 116 Vw2000 bepaalt, voor zover hier van belang, dat gedurende drie jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de inkomenseisen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel c, en artikel 18, eerste lid, onderdeel d, niet worden toegepast op:

b. de vreemdeling die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet was toegelaten.

In plaats daarvan blijft het recht zoals het gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing.

Uit Vc2000 B2/2.11.1, waar artikel 116 Vw2000 is uitgewerkt, blijkt dat deze overgangsregeling van toepassing is op echtgenoten of geregistreerde partners, minderjarige kinderen of gezinsleden die in het kader van verruimde gezinshereniging in Nederland willen verblijven bij een:

a. Nederlander, ongeacht of deze reeds op 1 april 2001 Nederlander was of voor 1 april 2004 Nederlander is geworden;

b. vreemdeling die op 1 april 2001 (op grond van de Vw) was toegelaten als vluchteling, houder was van een vergunning tot vestiging, of houder was van een vergunning tot verblijf als asielgerechtigde; of

c. persoon die op 1 april 2001 was toegelaten en voor 1 april 2004 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (asiel of regulier) heeft gekregen.

Op hen blijft het oude recht van toepassing, voor zover dat gunstiger is dan het huidige recht.

De rechtbank stelt vast dat deze overgangsrechtelijke bepaling van toepassing is op zowel gezinsleden van vreemdelingen, die reeds vóór 1 april 2001 als vluchteling zijn toegelaten, als gezinsleden van vreemdelingen die vóór 1 april 2004 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd hebben gekregen. Eiser valt in laatstgenoemde categorie, zodat hierin geen rechtsbelang bij doorprocederen in is gelegen.

4.6 Eiser heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat belang bestaat bij doorprocederen omdat hij niet voldoet aan de geldende eis dat de familieband moet worden aangetoond door middel van (gelegaliseerde) documenten.

Uitgangspunt is dat het bestaan van een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk tussen eiser en zijn echtgenote en de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn kinderen moet worden aangetoond met officiële gelegaliseerde bescheiden, tenzij één van de uitzonderingen genoemd in Vc2000 B2/12 van toepassing is.

Voor zover hier van belang is in Vc2000 B2/12.4 opgenomen dat van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten kan worden vrijgesteld de persoon die tegen de legalisatie gegronde bedenkingen heeft geuit, voor zover die persoon:

a. rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder c of d, Vw2000 of op het moment van verkrijging van het Nederlanderschap op die grond rechtmatig in Nederland verbleef;

Hieruit blijkt dat geen onderscheid wordt gemaakt naar de grond waarop de verblijfsvergunning is verleend. Nu eiser rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder d, Vw2000 zou hij kunnen worden vrijgesteld van bovengenoemde voorwaarde.

Ook de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten over te leggen, kan worden vrijgesteld van deze voorwaarde (Vc2000 B2/12.5). De rechtbank concludeert dat ook hier geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende verleningsgronden van de verblijfsvergunning asiel. Een dergelijk onderscheid wordt tevens niet gemaakt bij de mogelijkheid van het aantonen van de afstammingsrelatie door middel van DNA-onderzoek in het geval sprake is van bewijsnood.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser ook in dit opzicht geen belang heeft bij doorprocederen voor toelating als vluchteling.

4.7 De rechtbank concludeert dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn asielverzoek.

4.8 Het beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.9 Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5 BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Elderman, voorzitter, en mrs. G. Blomsma en J.F.M.J. Bouwman, rechters, en door mr. W.P.M. Elderman in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2002.

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 5 juli 2002