Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7026

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-05-2002
Datum publicatie
29-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/34632 VRONTN
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AE6675
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / politiecel / tiendagentermijn.

Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, Vb 2000 wordt de maatregel van bewaring ten uitvoer gelegd op een politiebureau of een Huis van Bewaring. Volgens vaste jurisprudentie mag de tenuitvoerlegging van de bewaring op een politiebureau - behoudens exceptionele omstandigheden - niet langer dan tien dagen duren. De rechtbank constateert dat aan eiser op 2 mei 2002 de maatregel van bewaring is opgelegd en dat ter zitting door verweerder is verklaard dat eiser nog steeds op het politiebureau verblijft. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de termijnoverschrijding rechtmatig is, nu eiser op 14 mei 2002 naar Niger zal vliegen. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit geen exceptionele omstandigheden op waardoor de overschrijding van de maximale termijn van verblijf van eiser in een politiecel in dit geval aanvaardbaar zou zijn. Nu eiser uiterlijk op 12 mei 2002 overgeplaatst had moeten worden en verweerder verzuimd heeft dit te doen, is de bewaring met ingang van die dag onrechtmatig geworden. De maatregel dient derhalve te worden opgeheven. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 5.4
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: Awb 02/34632 VRONTN

UITSPRAAK

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000, toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1949,

burger van Niger,

eiser,

IND-dossiernummer: 0204.29.8018,

gemachtigde: mr. L.G. Mellens - Schrage, advocaat te Stadskanaal.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1 De Staatssecretaris van Justitie, hierna verweerder, heeft op 2 mei 2002 aan eiser, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring opgelegd nu de openbare orde zulks vordert (artikel 59, eerste lid en onder a, Vw 2000).

1.2 Verweerder heeft op 6 mei 2002 de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het opleggen van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser doorgestuurd en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

1.4 Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank van 13 mei 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen de heer G. Gesterkamp.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in overeenstemming is met de wet en of deze in redelijkheid bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is.

2.2 Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel te bevelen.

2.3 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

2.4 De rechtbank overweegt als volgt.

Eiser heeft op 2 mei 2002 om 12.50 uur een negatieve beslissing op zijn asielaanvraag uitgereikt gekregen. Op 2 mei 2002 om 12.55 uur is er een begin gemaakt met het gehoor op grond van artikel 59 Vw 2000. Om 13.00 uur is de gemachtigde van eiser op de hoogte gebracht en in het bijzijn van zijn gemachtigde is verder gegaan met het gehoor op grond van artikel 59 Vw 2000 om 13.30 uur. Aan eiser is om 13.45 uur de maatregel van bewaring opgelegd.

2.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de (procedure leidende tot de) inbewaringstelling plaatsgevonden in overeenstemming met de wettelijke vereisten. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van bewaring op goede gronden is opgelegd, nu de voor de terugkeer van eiser noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn. Ingevolge artikel 59, tweede lid, Vw 2000 vordert de openbare orde derhalve de inbewaringstelling.

2.6 De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangevoerd dat eiser niet tijdig is overgebracht naar een Huis van Bewaring. Nu eiser meer dan tien dagen op het politiebureau heeft gezeten, moet de maatregel van bewaring als onrechtmatig worden beschouwd.

2.7 Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de maatregel van bewaring ten uitvoer gelegd op een politiebureau of een Huis van Bewaring. Volgens vaste jurisprudentie mag de tenuitvoerlegging van de bewaring op een politiebureau – behoudens exceptionele omstandigheden – niet langer dan tien dagen duren. De rechtbank constateert dat aan eiser op 2 mei 2002 de maatregel van bewaring is opgelegd en dat ter zitting door verweerder is verklaard dat eiser nog steeds op het politiebureau verblijft. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de termijnoverschrijding rechtmatig is, nu eiser op 14 mei 2002 naar Niger zal vliegen. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit geen exceptionele omstandigheden op waardoor de overschrijding van de maximale termijn van verblijf van eiser in een politiecel in dit geval aanvaardbaar zou zijn. Nu eiser uiterlijk op 12 mei 2002 overgeplaatst had moeten worden en verweerder verzuimd heeft dit te doen, is de bewaring met ingang van die dag onrechtmatig geworden. De maatregel dient derhalve te worden opgeheven.

2.8 De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van 13 mei 2002.

Aldus gegeven door mr. F.J. Agema en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. G.G. Doornbos als griffier op 14 mei 2002.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage) onder vermelding van ‘Hoger beroep vreemdelingenzaken’. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Afschrift verzonden:

15 mei 2002.