Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6980

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2002
Datum publicatie
02-04-2003
Zaaknummer
AWB 01/1397 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 01/1397 ZW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser] Accountancy, gevestigd te [vestigingsplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), als rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Mevrouw [werkneemster] is sinds 1 mei 2000 voor eiser werkzaam als assistent-accountant. Op 19 mei 2000 heeft zij zich ziek gemeld bij eiser wegens zwangerschapsklachten.

Bij besluit van 6 oktober 2000 heeft verweerder aan mevrouw [werkneemster] bericht dat de ziekmelding van haar werkgever uiterlijk 22 mei had moeten zijn ontvangen doch eerst op 1 september 2000 is ontvangen en dat in verband daarmee het ziekengeld tot 1 september 2000 niet wordt uitbetaald.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 maart 2001 heeft verweerder het bezwaar primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 7 maart 2001 heeft eiser tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben hun standpunten ter zitting van 25 maart 2002 toegelicht, eiser in de persoon van [eiser] en verweerder bij gemachtigde mr. J. van Riet.

Motivering

Verweerder heeft bij het besluit van 6 oktober 2000, gericht aan de werkneemster van eiser, verwezen naar artikel 38a, derde lid, van de Ziektewet (Zw), luidende dat indien de werkgever jegens wie de verzekerde recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), de melding, bedoeld in het tweede lid, later doet dan in dat lid is voorgeschreven, wordt het ziekengeld niet uitbetaald tot de datum van die melding.

Ingevolge het tweede lid van artikel 38a Zw meldt de werkgever na ontvangst van de ziekmelding van een werknemer die aanspraak heeft op ziekengeld - in casu op grond van artikel 29 a, derde lid, Zw - zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de vierde dag van de ongeschiktheid tot werken, de eerste werkdag waarop die werknemer wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid aan verweerder.

Verweerder is van opvatting dat eiser als werkgever geen belanghebbende in de zin van de Awb is, omdat zijn belang niet rechtstreeks bij het besluit over de ingangsdatum van het ziekengeld is betrokken. Volgens verweerder heeft de werkgever mogelijk belang bij het al dan niet uitkeren van ziekengeld aan de werknemer, doch het belang van de werkgever is afgeleid uit de contractuele relatie met de werknemer, aangezien uit de arbeidsovereenkomst een verplichting tot doorbetaling van loon bij ziekte voortvloeit. Die verplichting volgt niet uit de Zw, aldus verweerder.

De rechtbank acht deze opvatting onjuist.

Uiteraard is het bestaan van een arbeidsovereenkomst een noodzakelijke voorwaarde voor de toepasselijkheid van de artikel 7:629, eerste lid, BW, vastgelegde verplichting van de werkgever tot doorbetaling van (een gedeelte van) het loon ingeval de werknemer zijn arbeid niet kan verrichten door ziekte.

Deze bepaling dient echter te worden gelezen in samenhang met het vierde lid van artikel 7:629, dat bepaalt dat het loon wordt verminderd met het bedrag van enige geldelijke uitkering die de werknemer toekomt krachtens enige wettelijke voorgeschreven verzekering, zoals de verzekering ingevolge de Zw. Uit deze wettelijke regeling volgt dat de werkgever een direkt financieel belang heeft bij de uitkering van het ziekengeld aan de werknemer, aangezien dit ziekengeld in mindering wordt gebracht op het loon dat bij ziekte moet worden doorbetaald. Dit belang van de werkgever is derhalve niet afhankelijk van hetgeen in de arbeidsovereenkomst is bedongen doch het volgt rechtstreeks uit de dwingende bepalingen van het BW ten aanzien van de arbeidsovereenkomst.

Van een afgeleid, door overeenkomst in het leven geroepen belang is dan ook geen sprake, het belang van de werkgever is door het wettelijke stelsel rechtstreeks betrokken bij een besluit als hier in geding.

Dit betekent dat verweerder eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet worden vernietigd.

Verweerder heeft subsidiair het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank merkt hierover ten eerste op dat het nemen van een inhoudelijke beslissing op het bezwaar zich niet laat verenigen met de daaraan voorafgaande niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar. Voorzover verweerder het aangewezen achtte op de inhoud van het bezwaar in te gaan had hij zich tot opmerkingen ten overvloede dienen te beperken.

Vervolgens oordeelt de rechtbank dat dit onderdeel van het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering en wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb moet worden vernietigd. Zij overweegt daarover dat eiser heeft gesteld dat hij de ziekmelding van zijn werkneemster op de eerste ziektedag, 19 mei 2000, heeft gemeld bij zijn arbodienst, SFB ARBOduo, welke dienst nog op diezelfde dag schriftelijk bericht daarvan heeft gedaan aan het kantoor van GAK Nederland b.v., postbus 8071, 1005 AB Amsterdam. Een afschrift van het bericht van SFB ARBOduo is overgelegd.

Verweerder heeft de ontvangst van dat schriftelijke bericht ontkend. Volgens verweerder is de brief van 19 mei 2000 verzonden naar een voor hem onbekend postbusnummer in Amsterdam en heeft de brief in ieder geval nimmer het GAK-kantoor te Den Haag bereikt.

Eiser heeft aangevoerd dat uit navraag bij PTT Post is gebleken dat GAK Nederland b.v. (kantoor Staalmeesterlaan 410, 1057 PH Amsterdam) op 19 mei 2000 houder was van postbusnummer 8071, 1005 AB Amsterdam. Eiser heeft afschrift van het formulier waarop bij PTT Post navraag is gedaan en het daarop verkregen antwoord overgelegd.

Verweerder is hierop in zijn verweerschrift niet ingegaan en ook ter zitting heeft verweerders gemachtigde geen verklaring kunnen geven voor de onbekendheid met het postbusnummer dat volgens de - door verweerder niet betwiste - gegevens van PTT Post wel aan verweerder toebehoort.

Het moet er voor worden gehouden dat bij verweerder sprake is van gebrekkige interne communicatie, welke niet voor rekening van eiser behoort te komen.

Her beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op eisers bezwaarschrift te beslissen. Het ligt voor de hand dat verweerder, indien tot gegrondverklaring van het bezwaar wordt besloten, ook een beslissing neemt op eisers verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aan de kant van eiser is niet gebleken.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 7 maart 2001, kenmerk B&B 542.016.04;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de rechtspersoon UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 204,20 vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. E.R. Eggeraat en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: