Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6975

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
02-04-2003
Zaaknummer
AWB 01/827 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudig

Reg. nr. AWB 01/827 WAO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, als rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 25 januari 2001 heeft verweerder eiser met ingang van 6 september 1999 een uitkering krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

Bij besluit van 15 december 2001, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar gedeeltelijk kennelijk gegrond en gedeeltelijk kennelijk ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 maart 2001, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 11 juni 2002 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.H. Samama, advocaat te Den Haag. Verweerder is niet verschenen.

Motivering

De rechtbank stelt vast dat het beroep niet is gericht tegen het onderdeel van het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen de periode waarvoor de uitkering is toegekend, kennelijk gegrond is verklaard, doch alleen tegen het onderdeel van het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen het arbeidsongeschiktheidspercentage kennelijk ongegrond is verklaard.

Eiser is op 7 september 1998 uitgevallen voor zijn werk als medewerker in een […]kwekerij.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser op 6 september 1999, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, waardoor hij niet langer geschikt is voor het verrichten van de eigen arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor hem geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het maatmanloon levert volgens verweerder een verlies aan verdiencapaciteit op van 34%.

De rechtbank vindt in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Zij neemt daarbij in aanmerking dat eiser door de verzekeringsarts lichamelijk is onderzocht. Tevens heeft deze arts informatie ingewonnen bij de behandelende sector. Uit dit onderzoek zijn voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor eiser geldende beperkingen te kunnen komen.

Vervolgens heeft verweerder geen onderzoek laten uitvoeren door een bezwaarverzekeringsarts, aangezien naar zijn oordeel in het bezwaarschrift geen bezwaren van medische aard naar voren waren gebracht. De rechtbank onderschrijft dit oordeel. Het bezwaarschrift, voor zover betrekking hebbend op het arbeidsongeschiktheidspercentage, was uitsluitend gebaseerd op het feit dat uit het medisch en arbeidsdeskundig onderzoek, in het kader van de eerstejaarsherbeoordeling, was gebleken dat eisers mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 december 2000 was toegenomen naar 35-45%. Dit was eiser reeds schriftelijk medegedeeld door de arbeidsdeskundige, ten tijde van het bekendmaken van het primaire besluit met betrekking tot eisers mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd. Eiser heeft kennelijk niet beseft dat de bedoelde mededeling van de arbeidsdeskundige betrekking had op een geheel andere datum, een omstandigheid waarop verweerder hem bij het bestreden besluit terecht heeft gewezen. Daarmee is deze bezwaargrond afdoende gemotiveerd weerlegd. Het inschakelen van een bezwaarverzekeringsarts was daarvoor niet nodig. Andere gronden met betrekking tot het arbeidsongeschiktheidspercentage bevat het bezwaarschrift niet, zodat verweerder ook voor het overige inschakeling van een bezwaarverzekeringsarts achterwege heeft mogen laten.

Dit brengt de rechtbank tevens tot het oordeel dat verweerder het bezwaar, voor zover relevant voor het huidige geschil, kennelijk ongegrond heeft mogen verklaren.

De stelling van eiser, dat reeds de omstandigheid dat hij zich in de bezwaarfase niet door een beroepsmatig rechtsbijstandsverlener liet bijstaan, aan toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb in de weg stond, vindt geen steun in deze bepaling noch elders in de Awb. Integendeel, de wetgever heeft er juist bewust voor gekozen rechtsbijstand niet verplicht te stellen in het bestuursproces. Het mede afhankelijk stellen van het mogen toepassen van artikel 7:3 van de Awb van het ingeroepen zijn van deskundige rechtsbijstand staat dus ook haaks op de strekking van de Awb. Dat neemt niet weg dat indien een bezwaarschrift is opgesteld zonder hulp van een rechtsbijstandsverlener eerder van het bestuur mag worden verlangd dat het, alvorens te beslissen, de indiener gelegenheid geeft voor een nadere toelichting, en om die reden de indiener uitnodigt voor een hoorzitting.

In dit geval behoefde het bezwaarschrift, dat naar ter zitting is gebleken is opgesteld door een academisch geschoold familielid van eiser, verweerder daar geen aanleiding toe te geven. De enige bezwaargrond van eiser was immers niet voor meerderlei uitleg vatbaar en berustte evident op het door elkaar halen van twee procedures.

Het vorenstaande laat onverlet, dat het bij het primaire besluit vastgestelde, en bij het bestreden besluit gehandhaafde, arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser, alsmede de medische grondslag daarvan, in beroep onderdeel uitmaakt van het object van geschil.

Eiser heeft in beroep geen medische gronden aangevoerd, noch medische stukken in geding gebracht. De rechtbank heeft daarom geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts. De blote bewering dat eiser zich meer beperkt acht dan aangegeven in het belastbaarheidspatroon is daarvoor niet toereikend.

Mede in verband hiermee heeft de rechtbank het inwinnen van een medisch deskundigenadvies niet noodzakelijk geacht.

Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 december 1998, JB 1999/18, maakt ook de arbeidskundige component van het bestreden besluit deel uit van het object van geschil.

Eiser heeft geen beroepsgronden van arbeidskundige aard naar voren gebracht.

Op grondslag van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb de rechtsgronden aanvullend stelt de rechtbank vast dat de omschrijvingen van de geduide functies passen binnen het opgestelde belastbaarheidspatroon, zodat verweerder de geselecteerde functies aan eiser heeft mogen duiden.

Het beroep is gezien het vorenstaande ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. J.L. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2002 , in tegenwoordigheid van de griffier B.D. Slotboom-Muntz.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: