Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6912

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
AWB 01/2275 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudig

Reg. nr. AWB 01/2275 WW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 27 februari 2001 heeft verweerder eiser blijvend geheel een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) geweigerd, op de grond dat hij verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a van die wet.

Bij besluit van 23 mei 2001 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 25 juni 2001, ingekomen bij de rechtbank op 26 juni 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 augustus 2001.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 19 november 2001 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 19 juni 2002 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B.J. den Besten. Verweerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Motivering

Op 19 juni 1998 is eiser in dienst getreden bij [werkgever] te [plaats A] als operator, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Eiser was gedetacheerd bij [bedrijf] te [woonplaats]. Als gevolg van een auto-ongeval is eiser op of omstreeks 25 april 1999 uitgevallen met whiplash-klachten. Eiser heeft in januari 2000 op therapeutische basis werkzaamheden hervat bij een dependance van [werkgever] te [plaats B]. Aangezien er geen werk beschikbaar was als operator, heeft eiser de taak gekregen om zich in te werken als een systeembeheerder voor VAX-VMS-machines. Per 23 maart 2000 is eiser door de arts van de arbodienst hersteld verklaard. Op 17 april 2000 heeft de werkgever eiser opgedragen de werkzaamheden te [plaats B] te stoppen. Eiser heeft vervolgens met doorbetaling van loon thuis gezeten, totdat op 20 juni 2000 de werkgever hem telefonisch heeft verzocht de volgende ochtend om 9.00 uur op het hoofdkantoor te Schijndel te komen.

De werkgever stelt dat de gesprekspartner van eiser, de directeur van [werkgever], hem bij de uitnodiging heeft medegedeeld dat hij met hem twee mogelijke detacheringsplaatsen wilde bespreken. Eiser bestrijdt dat hem het doel van het gesprek is medegedeeld. Hij meende dat het gesprek diende om zijn gezondheidssituatie te bespreken. Niet in geding is dat eiser in het gesprek te kennen heeft gegeven bezwaar te hebben tegen het vroege tijdstip van de bespreking, met het oog op zijn nekklachten en fileproblemen. Hij heeft daarom verzocht de afspraak naar een later tijdstip te verzetten. De directeur heeft hierop aangegeven het tijdstip van de afspraak niet te kunnen verplaatsen. De werkgever stelt dat de directeur vervolgens eiser heeft opgedragen te verschijnen op het aangegeven tijdstip en heeft medegedeeld dat niet verschijnen zou worden aangemerkt als werkweigering. Eiser bestrijdt dat de directeur hem dit heeft gezegd. Wel heeft eiser in reactie op de weigering van de directeur de afspraak te verzetten, naar eigen zeggen omdat hij voelde dat het gesprek niet ontspannen was, de werkgever een fax gestuurd. Hierin heeft hij bericht dat voor hem de afspraak op 21 juni 2000 om 9.00 uur niet haalbaar was, omdat hij wegens zijn nekklachten genoodzaakt was om het kwartier te stoppen en tevens vreesde in de file te zullen staan. Hij heeft hierbij verzocht om de afspraak naar een later tijdstip te verschuiven. Eiser is op 21 juni 2000 om 9.00 uur niet bij de werkgever verschenen.

De werkgever heeft hierop bij brief van 22 juni 2000 aan eiser te kennen gegeven het niet verschijnen onaanvaardbaar te vinden, aangezien eiser door de arts van de arbodienst hersteld is verklaard en eiser dat niet heeft bestreden of zich opnieuw ziek heeft gemeld. De werkgever heeft op diezelfde datum met onmiddellijke ingang de loonbetaling gestaakt en de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Bij fax van 23 juni 2000 heeft eiser zich per 20 juni 2000 ziek gemeld, wegens klachten van overspannenheid. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 16 augustus 2000. De kantonrechter heeft hierbij overwogen het niet aannemelijk te vinden dat de werkgever aan eiser niet doel en aard van het gesprek zou hebben medegedeeld, en dat daardoor begrijpelijkerwijs bij de werkgever het vertrouwen in de werknemer is komen te ontbreken.

Door verweerder is aan eiser per 16 augustus 2000 een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 5 januari 2001 heeft verweerder deze ZW-uitkering per 8 januari 2001 beëindigd, op de grond dat eiser in staat was zijn eigen werk te verrichten. Bij besluit van 27 februari 2001 heeft verweerder eiser per 8 januari 2001 de in geding zijnde WW-uitkering geweigerd, hetgeen verweerder in het bestreden besluit heeft gehandhaafd. Verweerder legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a van die wet. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat eiser, gelet op de inspanningen van de werkgever hem te reïntegreren, zich naar de opdracht van de werkgever om op 21 juni 2000 om 9.00 uur te [plaats A] te verschijnen had moeten voegen, nu de werkgever had aangegeven niet verschijnen zeer hoog op te nemen en er geen mogelijkheden waren de afspraak te verschuiven. Daarbij heeft verweerder overwogen het niet aannemelijk te vinden dat het onmogelijk was tijdig op de afspraak te verschijnen. Verweerder heeft hiertoe aangevoerd dat eiser zonodig korte pauzes had kunnen inlassen tijdens het rijden, hij de rit naar [plaats A] blijkens het verhandelde op de hoorzitting in staat was te maken, en tijdens zijn werkzaamheden in [plaats B] voldoende duidelijk was gebleken dat hij in staat was in file te rijden.

Eiser meent dat hem van zijn werkloosheid geen verwijt valt te maken. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder zich ten onrechte heeft gebaseerd op het oordeel zoals dat door de kantonrechter over de feiten is gegeven. Eiser voert aan dat hij zich steeds heeft ingezet om zijn reïntegratie te bevorderen. Eiser meent verder dat het verzoek van de werkgever op 21 juni 2000 om 9.00 uur op gesprek te verschijnen en zijn reactie daarop, niet redelijk waren. De werkgever had eiser ruim tevoren en schriftelijk dienen uit te nodigen, en had in reactie op de fax van eiser dat hij niet op de afspraak kon verschijnen, schriftelijk moeten aangeven wat van niet verschijnen de gevolgen zouden zijn.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is sprake van verwijtbare werkloosheid indien de werknemer zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Naast het vereiste dat de werknemer zich zodanig jegens de werkgever moet hebben gedragen dat de werkloosheid daarvan het voorzienbaar gevolg is, moet dit gedrag ook aan de werknemer zijn toe te rekenen.

Er bestaat verschil van mening tussen eiser en zijn voormalige werkgever over de aard van de uitnodiging en welke consequenties tijdens het telefoongesprek zijn verbonden aan niet verschijnen op de afspraak. Vaststaat echter dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan het naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijke verzoek van de werkgever om op 21 juni 2000 om 9.00 uur te [plaats A] voor een gesprek te verschijnen. Ook moet het eiser duidelijk zijn geweest dat de werkgever er bijzondere waarde aan hechtte dat eiser bij het gesprek zou verschijnen. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat eiser, zoals hij ter zitting heeft gesteld, wel merkte dat het gesprek niet ontspannen was en hij om die reden nogmaals zijn argumenten om niet te verschijnen voor het gesprek aan de werkgever heeft gefaxt. Net als de kantonrechter acht de rechtbank niet aannemelijk dat het doel van het gesprek door de directeur niet aan eiser is medegedeeld. Het niet verschijnen van eiser op het gesprek dient dan ook te worden aangemerkt als toerekenbaar laakbaar gedrag jegens de werkgever. Hierdoor heeft eiser een vertrouwensbreuk doen ontstaan met de werkgever. Gesteld al dat de werkgever eiser tijdens het telefoongesprek niet expliciet zou hebben gewaarschuwd niet verschijnen op te vatten als werkweigering, dan nog was voor eiser voorzienbaar, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dat het afzeggen van de afspraak zou kunnen leiden tot ontslag.

Het voorgaande betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van verwijtbare werkloosheid. Verweerder was derhalve gehouden op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel te weigeren, tenzij het niet nakomen van de verplichting te voorkomen verwijtbaar werkloos te worden betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval moet verweerder, eveneens op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW, de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk weigeren, door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35%.

De rechtbank komt tot het oordeel dat een dergelijke verminderde mate van verwijtbaarheid zich hier voordoet. Weliswaar is eisers gedraging laakbaar jegens de werkgever en hem toe te rekenen, maar hier staat tegenover dat niet is gebleken dat eiser voor zijn uitval niet goed heeft gefunctioneerd. Bovendien is niet gebleken dat er zich eerder soortgelijke incidenten hebben voorgedaan. Eiser had tot dan toe aan de uitnodigingen van de werkgever in [plaats A] te verschijnen gevolg gegeven. Dat eiser de werkgever te kennen heeft gegeven zijn werkzaamheden op het kantoor te [plaats B] niet te willen voortzetten, kan niet als een dergelijk incident worden beschouwd. Dit heeft eiser immers pas te kennen gegeven nadat hij daar enkele maanden grotendeels alleen werkzaam was geweest terwijl niet de benodigde voorzieningen aanwezig waren om zich in te werken als systeembeheerder. In zijn fax heeft eiser verder meegedeeld niet zozeer niet bereid te zijn te komen, als wel het vroege tijdstip bezwaarlijk te vinden. Uitgaande van al deze omstandigheden tezamen is het niet onbegrijpelijk dat eiser meende de afspraak naar een later tijdstip te kunnen verzetten en zich niet ten volle realiseerde dat niet verschijnen op de uitnodiging van de werkgever tot zijn ontslag zou leiden. De mate van voorzienbaarheid van het ontslag als gevolg van het gedrag van eiser was dan ook niet zo groot, dat hij, hoewel hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat zijn gedrag tot ontslag had kunnen leiden, door dat gedrag onontkoombare werkloosheid over zich heeft afgeroepen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet nakomen van de verplichting te voorkomen verwijtbaar werkloos te worden, eiser niet in overwegende mate kan worden verweten. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de gevraagde WW-uitkering blijvend geheel geweigerd. Verweerder had de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk moeten weigeren, door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35%.

Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden wordt vernietigd. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Verweerder wordt in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld en voor de door eisers gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) twee punten worden toegekend ad € 322,- per punt.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door het betaalde griffierecht, te weten € 27,23, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-, welke kosten het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.J. Waterbolk en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2002, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Lammerse.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: