Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6751

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-08-2002
Datum publicatie
23-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/2979 WRO19
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In mandaat afgeven van verklaring van geen bezwaar moet ook bij toepassing van art. 19.1 WRO, zoals dat luidt vanaf 3 april 2000, ongeoorloofd worden geacht.

Met toepassing van art. 19.1 WRO (nieuw) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor bedrijfsruimte met woning. Verklaring van geen bezwaar afgegeven krachtens (beslis)mandaat door een onder verantwoordelijkheid van de provincie werkzame ambtenaar. De ABRS heeft in haar uitspraak van 1 mei 2000 (BR 2000, blz. 926, LJN: AA5800) ) over toepassing van art. 19 WRO, zoals dat luidde tot 3 april 2000, beslist dat, gelet op de aard van de bevoegdheid tot het verlenen van een verklaring van geen bezwaar, met de afgifte waarvan wordt vooruitgelopen op de beslissing van gedeputeerde staten over de goedkeuring van het bestemmingsplan dat het beoogde bouwwerk, werk (inclusief werkzaamheid) of gebruik toestaat, mandaatverlening evenwel in beginsel ongeoorloofd moet worden geacht, ongeacht of tegen de voorgenomen toepassing van art. 19 WRO bedenkingen zijn ingediend. Slechts in die gevallen waarin sprake is van een niet-ingrijpende inbreuk op de bestaande planologische situatie kan mandaatverlening aanvaardbaar worden geoordeeld. Hoewel de band met een toekomstig bestemmingsplan bij toepassing van het huidige art. 19 WRO losser is dan voor 3 april 2000, oordeelt de rechtbank dat deze jurisprudentie ook ten volle van betekenis is in een geval als dit, waarbij toepassing is gegeven aan het huidige art. 19 WRO, met gebruikmaking van een in mandaat verleende verklaring van geen bezwaar. Van een niet-ingrijpende inbreuk is hier geen sprake. Gelet hierop kan de mandaatverlening niet geoorloofd worden geacht en had verweerder van de verklaring van geen bezwaar geen gebruik mogen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 01/2979 WRO19

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

A e.a., wonende te B, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nootdorp, verweerder.

Derde-partij: C (Technisch Adviesbureau D, gevestigd te B).

Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 14 april 2000, ingekomen bij verweerder op 20 april 2000, heeft derde-partij bij verweerder een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend, voor het oprichten van een bedrijfsruimte met een woning, op het perceel kadastraal bekend gemeente B, sectie […], nummer[…] (project X, Kavel […] te B).

Bij besluit van 12 september 2000 heeft verweerder de gevraagde vergunning verleend, waarbij met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), vrijstelling van de geldende bestemmingsplanvoorschriften is verleend.

Bij besluit van 12 juli 2001 heeft verweerder, in afwijking van het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften, het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 22 augustus 2001, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 oktober 2001 hebben eisers een aantal stukken overgelegd.

Derde-partij heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De zaak is op 7 juni 2002 ter zitting behandeld. Namens eisers is verschenen A. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van den Bosch. Derde-partij is eveneens verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. D. Goris, werkzaam bij Metaalunie.

Op verzoek van de rechtbank en met goedvinden van partijen heeft verweerder na de zitting nadere stukken overgelegd, bestaande uit het geldende bestemmingsplan, een overzicht van de door de gemeenteraad genomen voorbereidingsbesluiten betreffende het nieuwe bestemmingsplan “Nieuwe Veen” alsmede de datum van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan.

Motivering

In artikel 44 van de Woningwet (Wow) is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van één van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ter plaatse geldt als bestemmingsplan het “Uitbreidingsplan Nootdorp 1937” aangevuld met het “Uitbreidingsplan in Hoofdlijnen 1962”. Aan de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, is de bestemming “Grond bestemd voor bebouwing in het landelijk gebied, 1e categorie” gegeven. In artikel 2, onder a, van de planvoorschriften (Uitbreidingsplan Nootdorp 1937) is bepaald dat op deze gronden uitsluitend mogen worden opgericht: gebouwen (waarbij inbegrepen woningen) ten dienste van, of in verband staande met de uitoefening van de land- of tuinbouw of de veeteelt ter plaatse, met de bij deze gebouwen en woningen behorende bijgebouwen. In het “Uitbreidingsplan in Hoofdlijnen 1962” staat aangegeven dat bedoelde grond de bestemming “Agrarische doeleinden” heeft.

Vastgesteld wordt dat het oprichten van de bedrijfsruimte (een metaalbewerkingsbedrijf) met bijbehorende woning in strijd is met vorenvermelde planvoorschriften. Gezien de planvoorschriften bestaat er geen binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid. Verder is geen sprake van een bouwplan waarvoor vrijstelling kan worden verleend krachtens artikel 17 of 19, derde lid, van de WRO. Evenmin is sprake van een bouwplan dat behoort tot een door gedeputeerde staten aangewezen categorie van gevallen waarvoor vrijstelling kan worden verleend krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO. Derde-partij was daarom aangewezen op verlening van een vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan het bevoegde bestuursorgaan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

De vrijstellingsbevoegdheid

Ingevolge artikel 19, vierde lid, en artikel 21, eerste en vierde lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 7:11 van de Awb, kan bij een bestemmingsplan ouder dan tien jaar, terwijl geen vrijstelling is gegeven van de planherzieningsplicht, zo’n vrijstelling slechts worden verleend indien ten tijde van het nemen van de vrijstellingsbeslissing en de beslissing op bezwaar, een voorbereidingsbesluit geldt dan wel een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Uit het door verweerder overgelegde overzicht blijkt dat de gemeenteraad op 27 juni 2000 een (nieuw) voorbereidingsbesluit heeft genomen, dat op 30 juni 2000 in werking is getreden. Vervolgens is op 19 juli 2001 het ontwerp-bestemmingsplan “Nieuwe Veen” ter inzage gelegd. De beslissing op bezwaar dateert van 12 juli 2001. Het geldende bestemmingsplan is ouder dan twintig jaar, zodat vrijstelling van de herzieningsplicht niet mogelijk is. Nu niet gebleken is dat artikel 21, zesde lid, van de WRO is toegepast, betekent dit dat er op dat moment geen voorbereidingsbesluit (meer) gold. Hieruit volgt dat verweerder niet bevoegd was het hiervoor genoemde voorbereidingsbesluit aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 19, eerste en vierde lid, van de WRO.

De verklaring van geen bezwaar

Bij besluit van 9 juni 2000 is bedoelde verklaring van geen bezwaar afgegeven (DRGG/2000/5249). Deze is krachtens (beslis)mandaat door een onder verantwoordelijkheid van de provincie werkzame ambtenaar verleend. Dit in ambtelijk mandaat genomen besluit komt niet voor op de lijst, behorende bij het bekrachtigingsbesluit van het college van gedeputeerde staten van 14 november 2000 (DRGG/ARB/2000/10313).

Ingevolge artikel 10:3, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet. In de WRO is geen voorschrift aan te wijzen dat het in mandaat verlenen van een verklaring van geen bezwaar uitsluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 1 mei 2000 (BR 2000, blz. 926) over toepassing van artikel 19 van de WRO, zoals dat luidde tot 3 april 2000, beslist dat, gelet op de aard van de bevoegdheid tot het verlenen van een verklaring van geen bezwaar, met de afgifte waarvan wordt vooruitgelopen op de beslissing van gedeputeerde staten over de goedkeuring van het bestemmingsplan dat het beoogde bouwwerk, werk (inclusief werkzaamheid) of gebruik toestaat, mandaatverlening evenwel in beginsel ongeoorloofd moet worden geacht, ongeacht of tegen de voorgenomen toepassing van artikel 19 van de WRO bedenkingen zijn ingediend. Slechts in die gevallen waarin sprake is van een niet-ingrijpende inbreuk op de bestaande planologische situatie kan mandaatverlening aanvaardbaar worden geoordeeld.

Hoewel de band met een toekomstig bestemmingsplan bij toepassing van het huidige artikel 19 van de WRO losser is dan voor 3 april 2000, oordeelt de rechtbank dat deze jurisprudentie ook ten volle van betekenis is in een geval als dit, waarbij toepassing is gegeven aan het huidige artikel 19 van de WRO, met gebruikmaking van een in mandaat verleende verklaring van geen bezwaar. Van een niet-ingrijpende inbreuk is hier geen sprake. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is onder het geldende bestemmingsplan de desbetreffende grond bestemd voor agrarische doeleinden. Het bouwplan vormt hierop een ingrijpende inbreuk. Gelet hierop kan de mandaatverlening niet geoorloofd worden geacht. Op grond van het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen, had verweerder van de verklaring van geen bezwaar geen gebruik mogen maken.

Inhoudelijk komt daarbij dat in het aanvraagformulier voor de verklaring van geen bezwaar een onjuiste indelingscategorie (categorie 2-bedrijf) wordt genoemd. Het gevolg hiervan is dat de (in mandaat genomen) verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten op basis van onjuiste gegevens is afgegeven. Dit leidt tot de conclusie dat ook op dit punt op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel verweerder geen gebruik van de verklaring van geen bezwaar had mogen maken.

De ruimtelijke onderbouwing

Uit de tweede volzin van artikel 19, eerste lid, van de WRO blijkt dat, indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval wordt ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te verwezenlijken project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied.

De door verweerder gegeven ruimtelijke onderbouwing houdt in dat voor het desbetreffende gebied een nieuw bestemmingsplan (“Nieuwe Veen”) in voorbereiding is en dat de onderhavige gronden in dit voorontwerp-bestemmingsplan de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” hebben. Gelet op artikel 4, tweede lid, van de voorschriften van dit voorontwerp, past het oprichten van een bedrijfsruimte met bijbehorende woning geheel in dit nieuwe bestemmingsplan, aldus verweerder.

De rechtbank constateert allereerst dat relevante informatie over de voorbereidingsprocedure van het nieuwe bestemmingsplan, waaronder bijvoorbeeld stukken van het overleg met de provinciale planologische commissie en het overleg als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, in het dossier ontbreekt. Ter zitting is verweerder hierop summier ingegaan. Hieruit kan echter niet de conclusie worden getrokken dat hiermee verweerders stelling dat het bouwplan in het nieuwe bestemmingsplan past op deugdelijke wijze is onderbouwd. Bovendien is het nodig dat, in het geval de ruimtelijke onderbouwing geheel steunt op het toekomstige bestemmingsplan, aannemelijk wordt dat het nieuwe bestemmingsplan uiteindelijk (onherroepelijke) rechtskracht zal verkrijgen. Ook daarvoor is bedoelde informatie over de opvatting van bijvoorbeeld de provinciale overheid nodig.

In het toekomstige bestemmingsplan is in artikel 4, tweede lid, van de (voorontwerp-)planvoorschriften onder meer bepaald dat op de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft (nader aangeduid met codering 1, 2 en 3.1), bedrijven mogen worden opgericht of uitgebreid, waarvan de bedrijfsactiviteiten worden vermeld in categorie 1 tot en met 3 van de bij de planvoorschriften gevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten. Categorie-3-bedrijven zijn uitsluitend toegestaan indien zij in de staat staan vermeld met een “grootste afstand” van 50 m.

Omdat het bedrijf van derde-partij in de Staat van Bedrijfsactiviteiten niet expliciet wordt vermeld, heeft verweerder aansluiting gezocht bij bedrijven met vergelijkbare werkzaamheden. Op grond hiervan is verweerder tot de conclusie gekomen dat het bedrijf van derde-partij in beginsel in de categorie-3.2-bedrijven valt, maar dat het bedrijf wat de aard en de omvang betreft de activiteiten van een categorie-3.1-bedrijf niet te boven gaat. Dit betekent volgens verweerder dat eventuele (geluid)hinder van het bedrijf zich niet verder uitstrekt dan 50 m, gerekend vanuit de inrichting. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst verweerder naar de gegevens van het akoestisch onderzoek van 13 december 2000 (rapportnummer 1001849.1).

De rechtbank overweegt allereerst dat op grond van bovenstaande redenering, bezien tegen de achtergrond dat een en ander gemotiveerd door eisers wordt bestreden, de conclusie gerechtvaardigd is dat het niet evident is dat het bouwplan geheel in het nieuwe bestemmingsplan past. Evenmin is de planologische aanvaardbaarheid van een bedrijf als dit op deze plaats onderbouwd. Voorts overweegt de rechtbank dat in de planvoorschriften van het voorontwerp-bestemmingsplan, gelet op de daarin geformuleerde uitgangspunten (blz. 8), geen steun te vinden is voor verweerders stelling dat vorenvermelde categorie-indeling indicatief van aard is en een bedrijf zondermeer van de ene naar de andere categorie kan worden “overgezet”. Daarbij komt dat eisers hebben aangevoerd, hetgeen door verweerder niet gemotiveerd wordt bestreden, dat in het akoestisch rapport ten onrechte geen meting van piekniveaus is opgenomen. Hiermee wordt miskend dat juist piekgeluiden bij activiteiten als waarover het hier gaat voor omwonenden een belangrijke vorm van hinder kunnen zijn. De rechtbank overweegt verder dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk maakt waarom in dit geval van het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften is afgeweken. Dit klemt temeer omdat deze commissie de representativiteit van het akoestisch onderzoek in twijfel heeft getrokken. In dit verband wijst de rechtbank erop dat er geen gevolg is gegeven aan – bij uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 december 2000 (reg.nrs. 200005002/1 en 200005002/2) gewijzigde – voorschrift 6.5. Dit voorschrift, behorende bij de milieuvergunning, houdt in dat binnen drie maanden na inwerkingtreding van de inrichting een akoestische rapportage ter goedkeuring aan het hoofd van de afdeling milieu dient te worden overhandigd. Gelet op al dit vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in het bestreden besluit op diverse punten een deugdelijke motivering ontbreekt.

Gezien het vorenstaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 19 van de WRO, artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder wordt opgedragen binnen een door de rechtbank te bepalen termijn een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Bij het nemen van een nieuw besluit, moeten de volgende zaken in orde zijn, indien verweerder de vestiging van het bedrijf wenst mogelijk te maken:

- Ten tijde van het nemen van het besluit moet een voorbereidingsbesluit voor dit gebied gelden of moet een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage zijn gelegd;

- Verweerder moet beschikken over een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten zelf, terwijl duidelijk moet zijn dat gedeputeerde staten bij het afgeven daarvan beschikten over de juiste informatie;

- Als verweerder zijn ruimtelijke onderbouwing baseert op het toekomstige bestemmingsplan, moet aannemelijk zijn dat dat plan onherroepelijke rechtskracht gaat verkrijgen, bijvoorbeeld doordat duidelijk is dat uit overleg met de provinciale planologische commissie en andere overheden en uit inspraak geen zwaarwegende bezwaren naar voren zijn gekomen;

- Mede in samenhang met het vorige punt, moet de planologische aanvaardbaarheid van vestiging van dit bedrijf op deze plaats op deze afstand van woningen van derden worden onderbouwd.

Nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de gemeente Nootdorp aan eisers het door hen betaalde griffierecht, te weten € 102,10, vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mrs. H.A.G. Nijman, C.J. Waterbolk en D.A. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2002, in tegenwoordigheid van de griffier G.J. Buitendijk.

Bij afwezigheid van G.J. Buitendijk getekend door drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: